Ruth 2:1-3
Naomi had nu een vestiging verkregen onder haar oude vrienden te Bethlehem, en hier hebben wij een bericht:
I. Van haar rijke bloedverwant, Boaz, een man, geweldig van vermogen. De Chaldeër leest hier: een man vermogend in de wet, indien hij beide was, dan was dit een voortreffelijke en zeer zeldzame vereniging van hoedanigheden, geweldig te zijn van vermogen, en daarbij nog machtig in de Schrift, die dit zijn, zijn in waarheid rijk en machtig. Hij was een kleinzoon van Nahesson, die overste was van de stam van Juda in de woestijn, en de zoon van Salmon, een jongere zoon waarschijnlijk, bij Rachab, de hoer van Jericho. Hij voert macht in zijn naam Boaz, in hem is kracht, en hij was van het geslacht van Elimelech, dat geslacht wat nu zo vervallen was.
Merk op:
1. Hoewel Boaz een rijk en groot man was had hij toch arme bloedverwanten, iedere tak van de boom is geen hoofdtak, er zijn ook zijtakken. Laat hen, die groot zijn in de wereld zich hun arme en geringe bloedverwanten niet schamen, opdat zij hierdoor niet trots en onnatuurlijk bevonden worden.
2. Hoewel Naomi een arme, geringe weduwe was, had zij toch rijke bloedverwanten, maar zij heeft noch op hen geroemd, noch is zij hun tot last geweest, en zij heeft ook niets van hen verwacht, toen zij in kommervolle omstandigheden naar Bethlehem terugkeerde. Zij, die rijke bloedverwanten hebben, maar zelf arm zijn, moeten weten dat het de wijze voorzienigheid God is, die het verschil heeft gemaakt (waarin wij behoren te berusten) en dat het een grote zonde is om trots te zijn op de zodanigen, en een grote dwaasheid om op hen te vertrouwen.
II. Van haar arme schoondochter, Ruth.
1. Haar toestand was zeer arm, wat een grote beproeving was voor het geloof en de standvastigheid van een jonge bekeerlinge. De Bethlehemieten zouden wel gedaan hebben indien zij Naomi en haar schoondochter eerst genodigd hadden in een goed huis, en dan in een ander. Het zou een grote steun zijn geweest voor een bejaarde weduwe, en een grote bemoediging voor een jonge bekeerlinge, maar, inplaats van de lekkernijen van Kanaän te genieten, hebben zij geen ander middel om aan het noodzakelijke voedsel te komen, dan door korenaren te lezen, want anders zouden zij, voorzoveel blijkt, van honger moeten sterven. God heeft de armen van deze wereld uitverkoren, en hoewel God hen verkoren heeft, zullen zij waarschijnlijk arm zijn, gewoonlijk zien de mensen hen voorbij.
2. Haar gedrag in deze toestand was zeer goed, vers 2. Zij zei tot Naomi, niet: "Laat mij nu weer naar het land van Moab gaan, want er is hier geen brood, hier is gebrek, maar in het huis mijns vaders is overvloed van brood", neen, zij heeft niet gedacht aan het vaderland van waar zij uitgegaan was, want anders had zij nu een goede gelegenheid om er toe weer te keren. De God Israëls zal haar God zijn, en al zou Hij haar doden, zal zij toch op Hem bebouwen en Hem nooit verlaten. Maar haar verzoek is: Laat mij toch in het veld gaan en van de aren oplezen. Zij, die van goede geboorte zijn en een goede opvoeding genoten hebben, weten niet in welke bekrompen omstandigheden zij nog komen kunnen, noch welk gering werk zij verplicht zullen zijn te verrichten om aan brood te komen, Klaagliederen 4:5. Wie in zulke treurige omstandigheden verkeert, gedenke aan Ruth, die een grootvoorbeeld is:
2-1. Van nederigheid. Toen zij door Gods voorzienigheid arm was gemaakt, heeft zij niet gezegd: "Aren op te lezen, dat eigenlijk niets anders is dan bedelen, schaam ik mij." Neen goedsmoeds buigt zij zich neer tot de geringheid van haar omstandigheden, en schikt er zich naar. Hooghartige lieden kunnen gemakkelijker verhongeren, dan zich buigen, Ruth behoorde niet tot hen. Zij zegt niet tot haar moeder dat zij niet gewoon is van kruimkens te leven. Hoewel zij er niet toe opgebracht is, is zij er toe naar beneden gebracht, en gevoelt er zich niet ongelukkig onder. Ja meer, het is haar eigen voorstel, niet het bevel harer moeder. Ootmoed is een van de schoonste sieraden van de jeugd, en is een van de beste tekenen ten goede. Vóór Ruths eer en verheffing was deze ootmoed. Let er op met wat nederigheid zij van zichzelve spreekt in haar verwachting van verlof om aren op te lezen: "Laat mij eren oprezen achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden." Zij zegt niet: "Ik zal gaan oplezen, en voorzeker zal niemand mij dit weigeren", maar: "Ik zal gaan oplezen in de hoop dat iemand het mij zal veroorloven." Arme mensen moeten om geen goedheid of gunst vragen, alsof men hun die verschuldigd was, maar haar nederig vragen als een onverdiende gunst al betreft het ook nog zo'n kleine zaak. het betaamt armen om smekingen te doen.
2-2. Van naarstigheid. Zij zegt niet tot haar schoonmoeder: "Laat mij nu bezoeken gaan afleggen bij de aanzienlijke vrouwen van de stad of gaan wandelen in het veld om frisse lucht in te ademen en vrolijk te zijn, ik kan niet de gehelen dag bij u zitten treuren." Neen, het is niet naar vermaak, maar naar werk, dat haar hart uitgaat. "Laat mij in het veld gaan en van de aren oplezen, en dat zal ons goed te stade komen." Zij was een van die deugdzame vrouwen, die het brood van de luiheid niet eten maar zich gaarne moeite willen geven. Dit is een voorbeeld voor jonge lieden: laat hen intijds leren werken, en wat hun hand vindt om te doen, doen met al hun macht. Een gezindheid tot naarstigheid voorspelt goeds voor deze wereld en voor de toekomende wereld. Heb de slaap niet lief, heb het vermaak niet lief, wees geen liefhebber van drentelen, maar van werk. Het is ook een voorbeeld voor arme mensen om te werken voor hun brood, en niet te bedelen om wat zij met werken kunnen verdienen. Wij moeten voor geen eerlijken arbeid terugdeinzen, al is het ook van geringer aard, "ergon ouden oneidos-Geen arbeid is schande." Zonde is iets, dat beneden ons is, maar niets waartoe Gods voorzienigheid ons roept moeten wij als beneden ons beschouwen.
2-3. Van achting voor haar schoonmoeder, hoewel deze slechts haar schoonmoeder was, en, hoewel zij, die door de dood van de wet haars mans vrij was geworden, gemakkelijk had kunnen denken, dat zij nu ook van de wet harer schoonmoeder vrij was geworden, geeft zij toch gehoorzaam en plichtmatig acht op haar. Zij wil niet gaan zonder haar schoonmoeder om verlof te vragen. Jonge mensen behoren deze eerbied te tonen aan ouders en voogden, het behoort tot de eer, die hun toekomt. Zij zei niet: "Moeder, zo gij met mij wilt gaan, dan zal ik aren gaan oplezen", maar: "Blijf gij tehuis en neem rust, ik zal uitgaan en mij moeite geven." Juniores ad labores-De jeugd behoort te werken. Laat jongelieden de ouden om raad vragen maar geen arbeid van hen vorderen.
2-4:Van steunen op Gods voorzienigheid, te kennen gegeven in dit gezegde: ik zal oplezen achter dien, in wiens ogen ik genade zal vinden. Zij weet niet welke weg zij gaan zal, noch naar wie te vragen maar zij zal vertrouwen op Gods voorzienigheid, om haar een vriend te verwekken, die haar goedheid zal betonen. Laat ons altijd goede gedachten koesteren van Gods voorzienigheid en geloven dat, zolang wij wèl doen, zij ons wèl doen zal.
En zij heeft welgedaan voor Ruth, want toen zij alleen uitging zonder gids of metgezel, om aren op te lezen, viel haar bij geval voor een deel des velds van Boaz, vers 3. Haar scheen het toe bij geval te zijn, zij wist niet van wie dit veld was, ook had zij geen reden om eerder naar dat veld te gaan dan naar een ander, en daarom wordt gezegd: het viel haar bij geval voor, maar Gods voorzienigheid heeft haar schreden naar dat veld geleid. God bestuurd met wijsheid kleine gebeurtenissen, en die, welke geheel toevallig schijnen, dienen Zijn eer en heerlijkheid en het welzijn van Zijn volk. Menige grote zaak is door een kleine wending tot stand gebracht, een wending die ons toevallig scheen, maar door Gods voorzienigheid met bedoeling aldus geleid werd.