Romeinen 15:14-16
I. Hij prijst deze Christenen om de bestmogelijke eigenschappen. Hij begon zijn brief met hun lof, Hoofdstuk 1:8. Uw geloof wordt verkondigd door de gehele wereld, en nam daaruit aanleiding voor zijn volgend betoog. Nu, omdat hij hen hier en daar scherpelijk bestraft heeft, besluit hij met een dergelijken lof, om hen op te beuren en als goede vrienden te scheiden. Hij doet dat welsprekend. Het was geen staaltje van zinledige vleierij en grootspraak, maar het was een getrouwe erkenning van hun waarde en van de genade Gods in hen. Wij moeten ons steeds benaarstigen om in anderen op te merken en te prijzen hetgeen in hen voortreffelijk en prijzenswaardig is, dat is een gedeelte van de tegenwoordige vergelding van deugd en nuttigheid en het kan van dienst zijn om anderen tot heiligen naijver te verwekken. Het was een grote aanbeveling voor de Romeinen, dat zij geprezen werden door Paulus, een man van zoveel verstand en oprechtheid, te scherpzinnig om bedrogen te worden en te eerlijk om te vleien. Paulus was persoonlijk met deze Christenen niet bekend, en toch zegt hij verzekerd te zijn van hun voortreffelijkheid, ofschoon hij alles alleen uit mondelinge mededelingen wist. Wij moeten aan de ene zijde niet onnozel genoeg zijn om elk woord te geloven, maar aan den anderen kant moeten wij niet twijfelziek genoeg zijn om niets te geloven. Voornamelijk moeten wij bereid zijn om het goede omtrent anderen te geloven, in dat opzicht gelooft de liefde alle dingen en hoopt zij alle dingen en houdt er zich van overtuigd, indien er zoveel waarschijnlijkheid voor bestaat als hier het geval was. Het is veiliger te dwalen door te veel te geloven dan omgekeerd. Laat ons nu nagaan wat het was, waarover hij hen prees.
1. Dat zij waren vol van goedheid. Daarom was het zeer waarschijnlijk dat zij het door hem geschrevene goed zouden opnemen en het voor een bewijs van hartelijkheid houden. En dat niet alleen, maar dat zij er mede overeenstemmen zouden en het in praktijk brengen, met name hetgeen hij hun over eensgezindheid en het helen van hun onderlinge geschillen geschreven had. Een goede verstandhouding onder elkaar en goede wil jegens elkaar zou spoedig een eind aan allen twist maken.
2. Dat zij waren vervuld met alle kennis. Goedheid en kennis bijeengevoegd! Een zeer zeldzame en toch voortreffelijke vereniging, het hart en het hoofd van den nieuwen mens! Alle kennis, alle noodzakelijke kennis, alle kennis van de dingen, die tot hun eeuwigen vrede dienden.
3. Machtig om ook elkaar te vermanen. Bij deze gaven wordt nog een andere vereist, dat is de gave van zich te kunnen uiten. Zij, die goedheid en kennis hebben, moeten hetgeen zij bezitten mededelen ten nutte en ten zegen van anderen. Gij, die zo uitmunt in heerlijke gaven, zoudt kunnen menen dat gij van mij geen voorlichting nodig had. Het is een troost voor getrouwe dienaren hun werk vervangen te zien door de gaven en genaden hunner gemeenteleden. Hoe gaarne zouden dienaren hun vermaningen achterwege houden, indien de gemeenteleden gewillig en bekwaam waren om elkaar te vermanen! Gave de Heere dat al het volk profeten waren. Maar hetgeen ieders werk is, wordt spoedig niemands werk, en daarom:
II. Zuivert hij zich van de verdenking dat hij zich onnodig zou bemoeid hebben met zaken, die hem niet aangaan, vers 15. Merk op met hoeveel toegenegenheid hij hen aanspreekt: Mijne broeders! vers 14, en nog eens: broeders! vers 15. Hij bezat zelf en leerde anderen de kunst van behagen. Hij noemt hen allen zijne broeders, om hen daardoor de broederlijke liefde te leren. Waarschijnlijk schreef hij te meer op hoffelijke wijze aan hen, omdat zij Romeinse burgers waren, die in de omgeving van het hof leefden, beschaafder waren en zich voordeliger voordeden, en daarom was Paulus, die allen alles werd, geneigd om door de beschaafdheid van zijn stijl invloed ten goede op hen uit te oefenen. Hij erkent dat hij hun eensdeels te stoutelijker geschreven heeft, tolmêroteron apo meroes, op een wijze die zou kunnen doen denken aan hoogmoed en aanmatiging, waarom sommigen hem wellicht zouden beschuldigen dat hij te veel op zich nam, maar dan moesten zij in aanmerking nemen:
1. Dat hij het alleen gedaan had om hun de dingen te herinneren: u als wederom dit indachtig makende. Zulke nederige gedachten had Paulus van zich zelven, ofschoon hij zo uitmuntte in kennis, dat hij niet wenste het te doen voorkomen alsof hij hun iets gezegd had dat zij tevoren niet wisten, maar hun alleen in het geheugen teruggeroepen had hetgeen zij vroeger van anderen geleerd hadden. Evenzo deed Petrus, 2 Petrus 1:12, 3:1. De mensen verontschuldigen zich meermalen dat zij het woord niet komen horen, omdat de dienaar hun niets kan vertellen wat zij niet reeds weten. Indien dit zo is, dan hebben zij toch er behoefte aan het beter te weten en er aan herinnerd te worden.
2. Dat hij het deed als de apostel der heidenen. Het was vervulling van zijne bediening.
Om de genade (dat is: het apostelschap, Hoofdstuk 1:5) die mij van God gegeven is, om te zijn een dienaar van Jezus Christus onder de heidenen, vers 16. Paulus achtte het een grote gunst en een eer, die God hem gegeven had, dat hij in deze bediening gesteld was, Hoofdstuk 1:13. Welnu, omdat hem deze genade gegeven was, gaf hij zich in die mate aan de heidenen, opdat hij die genade niet tevergeefs van God mocht ontvangen hebben. Christus ontving om te kunnen geven, en dat deed Paulus ook, indien wij talenten hebben mogen wij ze niet begraven. Betrekkingen en bedieningen moeten met plichtgevoel vervuld worden. Het is goed voor de dienaren, indien zij dikwijls herinnerd worden aan de genade, die God hun gegeven heeft.
Minister verbi es, hoc age -was Perkins' zinspreuk. Gij zijt dienaar des Woords, geef er u geheel aan. Paulus was een dienaar. Merk hier op:
A. Wiens dienaar hij was, een dienaar van Jezus Christus, 1 Corinthiërs 4:1. Hij is onze Meester, wij zijn Zijn eigendom en Hem dienen wij.
B. Voor wie: onder de heidenen. Daartoe had God hem aangesteld, Handelingen 22:21. Zo waren Petrus en hij samen overeengekomen, Galaten 2:7-9. Deze Romeinen waren heidenen. "Welnu", zegt hij, "ik steun niet op u, ook zoek ik geen heerschappij over u, ik ben er toe aangesteld, indien gij mij voor hard en hoogmoedig houdt: mijn aanstelling is mijn waarborg, en moet mij rechtvaardigen.
C. Wat hij bediende: het Evangelie van God, hiëroergoenta to evangelion, het bedienende als een heilig ding (dat betekent het woord) uitoefenende de bediening van een Christelijken priester, geestelijker en daarom voortreffelijker dan de Levitische priesterschap.
D. Met welk doel: opdat de offerande (of het offeren) van de heidenen aangenaam worde, dat God de heerlijkheid moge ontvangen, die Zijnen naam toekomt door de bekering der heidenen. Paulus gaf zich zelven alzo opdat hij Gode iets mocht brengen, dat Hem aangenaam was. Merk op hoe de bekering der heidenen hier genoemd wordt: de offerande der heidenen, zij is prosphora toon ethnoon, het offeren der heidenen. In deze woorden worden de heidenen beschouwd op een van deze beide wijzen:
a. Als de priesters, die de offerande van gebed en lofverheffing en andere godsdienstige handelingen offeren. Langen tijd waren de Joden een heilig volk geweest, een koninkrijk van priesters, maar nu waren de heidenen Gode tot priesters gemaakt, Openbaring 5:10, door hun bekering tot het Christelijk geloof aan den dienst van God geheiligd, opdat het Schriftwoord zou vervuld worden: Aan alle plaats zal Mijnen naam reukwerk toegebracht worden en een rein spijsoffer, Maleachi 1:11. Van de bekeerde heidenen wordt gezegd dat zij nabij geworden zijn, Efeze 2:13, de uitdrukking voor priesters gebruikt.
b. De heidenen zijn zelf de offerande, die door Paulus aan God gebracht wordt in den naam van Christus, een levende, heilige, Gode welbehaaglijke offerande, Gode aangenaam, Hoofdstuk 12:1. Een geheiligde ziel wordt aan God geofferd in de vlammen der liefde op Christus als het altaar. Paulus vergaderde zielen door zijne prediking, niet om ze voor zich zelven te houden, maar om ze Gode op te offeren. Zie hier ik en de kinderen, die mij God gegeven heeft. En dat is een aangename offerande, geheiligd door den Heiligen Geest. Gene offeranden zijn Gode aangenaam, dan die geheiligd zijn, ongeheiligde dingen kunnen nooit den heiligen God behagen.