18. a) Daarom, omdat zo'n verlangen ons bezielde, hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal (
Filippenzen 4:16), de eerste maal van Berea uit, toen Silas nog bij mij was en in mijn voornemen deelde, de tweede maal toen ik mij alleen bevond en op Silasen Timotheüs wachtte (
Handelingen 17:10,
16); maar de Satan heeft ons belet, zodat wij ons voornemen niet hebben volvoerd.
a) Romeinen 1:13; 15:22
De apostel komt weer terug tot zichzelf om een tweede beschuldiging af te wijzen, alsof hij zich niet meer om hen had bekommerd, sinds hij weer verwijderd was van de snel overreedde en overgehaalde Thessalonicensen (Vers 3). Zoals ons dus de beide eerste afdelingen (Hoofdstuk 1:2-2:16 een levendig beeld voorstellen van Paulus' werk in Thessalonika en van de stichting van de gemeente daar, zo doet het nu deze derde afdeling over de manier, waarop de stichter van de gemeente in de sinds voorbij gegane tijdruimte voor hen bezorgd en werkzaam geweest is. De apostel verklaart nu de lezers dadelijk dat hij ze niet alleen niet vergeten heeft, maar met smarte het gescheiden zijn van hen ervaren heeft. Als hij vervolgens het verlangen om hen weer te zien op zo'n sterke manier uitdrukt, als hij dat aan het slot van Vers 17 doet, vertoont zich zijn liefde tot de gemeente evenals die van een bruidegom tot zijn bruid. Daaruit vloeide tot tweemaal toe het besluit voort om naar Thessalonika terug te keren, maar de satan heeft het volvoeren daarvan verhinderd. Deze komt in de Schrift voor als op drievoudige manier werkzaam: 1) als verzoeker en verleider; 2) als aanklager; 3) als verderver. Wat het eerste aangaat, is hij de eerste en voortgaande bewerker van de zonde bij de mensen. Als aanklager probeert hij de zonde, die gepleegd is, met leugenachtig overdrijven voor de goddelijke Rechter te brengen en ook voor onze inwendige rechter, het geweten, zo zwaar mogelijk voor te stellen, om zo de zondaar inwendig te boeien, moedeloos te maken en alle tegenstand tegen de zonde te verlammen. Als verderver werkt hij, in zo verre hij als vorst van de gevallen wereld alle machten van het fysieke en morele kwaad tegen de zaligheid, het rijk van God en voor het kwaad, dat in laatste instantie de eeuwige verdoemenis is, in beweging brengt. In de beide eerste opzichten is hij leugenaar, in het laatste en voor zover dit als doel ook aan de beide eerste ten grondslag ligt, in alle drie, moordenaar (Johannes 8:44). Bij Judas is ten eerste zijn verleiders-, vervolgens zijn aanklagers-werk gelukt; vandaar was diens einde wanhoop en zelfmoord, waardoor hij aan het verderf ten prooi werd. Waarin nu op onze plaats het beletten bestond, dat de Satan de apostel bij zijn voornemen om naar Thessalonika te gaan, in de weg legde, weten wij niet; in elk geval heeft dat niet bestaan in overladen zijn met bezigheden of iets dergelijks, maar in iets kwaads, of van de kant van de Thessalonicensen of van Paulus. In het eerste geval zou men moeten denken aan de vijanden van het Evangelie te Thessalonika, wier haat de apostel, als hij daarheen was gekomen, lagen gelegd had; in het tweede geval òf aan bestrijdingen in de gemeente, waarin Paulus zich sinds bevond, die hem een heengaan van daar onmogelijk maakten, òf misschien liever aan ziekte van de apostel (vgl. Hoofdstuk 3:7), in het bijzonder aan de engel van de satan in 2 Corinthiërs 12:7, die hem met vuisten sloeg. Het is zeer wel mogelijk dat beide redenen samenwerkten, toen Paulus voor de eerste maal, toen hij reeds weer van Berea naar Thessalonika wilde terugkeren, door de Joden te Thessalonika daarin werd verhinderd.
Een krijgsknecht van Jezus Christus moet nooit vergeten dat hij met het Evangelie van Christus tegenover de vorst van de wereld gelegerd is. Ook als men ergens in goede staat is, kan men er op rekenen dat Satan niet rustig zal blijven. Toen bij het overhandigen van de Augsburgse Confessie de keizer en vele groten in de wereld zoveel betere gedachten over het Evangelie kregen en uitspraken, begonnen velen van de aanwezigen te Augsburg te veel daarop te bouwen; de goede Luther schreef hun echter terug: "Ik geloof alle goeds van de keizer, maar of hij zoveel duizend aanhitsingen tegen het Evangelie zal kunnen weerstaan, dat is een andere vraag. "
Dit en misschien meer soortgelijks schrijft hij de satan toe, omdat, zoals hij zegt, wij niet met vlees en bloed, maar met de boze geesten te strijden hebben. Willen wij het werk van de Heere werken, dan kunnen wij er zeker van zijn dat de hinderpalen, die ons in de weg gesteld worden, van de satan afkomstig zijn. En mocht toch die gedachte zich diep prenten in het gemoed van alle kinderen van God, dat de satan bestendig op niets anders bedacht is dan om de opbouw van de gemeente te belemmeren en te verstoren, dan zouden wij ons ijveriger aangorden tot verzet en het onderhouden van de zuivere leer, waarvan gindse vijand ons zo aanhoudend probeert te beroven, zou ons meer ter harte gaan.
Van het eerste uur af dat het goede met het kwaad in aanraking is gekomen, heeft het zich immer bevestigd op geestelijk gebied, dat satan ons tegenstaat. Van alle kanten langs de hele lijn van de verdediging, in de voorhoede zowel als in de achterhoede, bij de dageraad of ter middernacht staat satan ons in de weg. Werken wij in het veld, hij probeert het ploeuzer neer te werpen; willen wij God dienen in lijden of in de strijd, overal hindert satan ons. Hij werkt ons tegen, wanneer wij tot Jezus willen gaan. Hete strijd hadden wij tegen satan te voeren, toen wij een eerste blik op het kruis wierpen en het leven ontvingen. Nu wij behouden zijn, tracht hij onze heiligmaking in de weg te staan. U zou zichzelf geluk kunnen wensen met de hoop van tot hiertoe standvastig gewandeld te hebben en zeggen: Niemand kan mijn oprechtheid betwijfelen. Wacht u voor het roemen, want dan zal uw deugd op de proef gesteld woorden. Satan zal juist zijn pijlen richten tegen die deugd, waar u het meest voor bekend staat. Bent u tot hiertoe een vast gelovige geweest, dan zal uw geloof eerlang aangevallen worden; bent u zachtmoedig geweest als Mozes, verwacht dat u in verzoeking zult komen om onbedachtzaam met uw lippen te spreken. De vogels zullen in uw rijpste vruchten pikken, het wilde zwijn zal zijn slagtanden in uw besten wijngaard slaan. Satan zal ons zeker in onze ernstigste gebeden hinderlijk zijn. Hij berispt onze bescheidenheid en het vragen verzwakt ons geloof, ten einde wij, als het mogelijk was, de zegeningen zouden derven. Ook is satan niet minder ijverig in het belemmeren van onze Christelijke werkzaamheden. Nooit is er een godsdienstige opwekking, of er is ook een vernieuwing van tegenstand. Zodra Ezra en Nehemia beginnen te bouwen, staan Sanballat en Tobia op om het hen te beletten. Wat dan? Wij worden niet verschrikt omdat satan ons tegenwerkt, want het is een teken, dat wij voor de Heere zijn en Zijn werk verrichten. In Zijn kracht zullen wij overwinnen en over onze vijanden zegevieren.