Markus 7:1-23
Een groot doel van Christus' komst op aarde was, aan de ceremoniële wet, door God ingesteld, een einde te maken. Om hiervoor den weg te bereiden, begint Hij met de ceremoniële wet, door de mensen ingesteld en toegevoegd aan Gods wet. Hij ontheft Zijne discipelen van de verplichting om die te houden, en Hij doet dit hier ten volle bij gelegenheid van de ergernis, die de Farizeeën genomen hebben aan hun overtreding er van. Deze Farizeeën en schriftgeleerden, met wie Hij dit twistgesprek had, worden gezegd van Jeruzalem te zijn gekomen naar Galilea-meer dan dertig uren ver-om aldaar twist te zoeken met onzen Zaligmaker, want zij veronderstelden dat Hij aldaar het meest vermaard was en den grootsten invloed had. Indien zij van zo ver waren gekomen om door Hem onderwezen te worden, hun ijver zou prijzenswaardig geweest zijn, maar dien verren weg af te leggen alleen maar om Hem tegen te staan en den voortgang van Zijn evangelie te stuiten, dat was grote, verregaande boosheid. Het schijnt dat de schriftgeleerden en Farizeeën van Jeruzalem aanspraak maakten, niet slechts op meerderheid boven, maar ook op gezag over, de leraren in de provincie, en daarom hielden zij die visitatie, en zonden zij inquisitoiren onder hen, zoals zij die ook aan Johannes gezonden hebben, toen hij verscheen, Johannes 1:19. Nu kunnen wij hier opmerken:
I. Wat de inzetting der ouden was: zij legde aan ieder de verplichting op om de handen te wassen voordat zij aten, ene gewoonte van reinheid, waarin niets verkeerds is gelegen. Evenwel wie daar al te veel waarde aan hecht, verraadt een al te grote zorg voor het lichaam, dat uit de aarde is. Maar zij hechtten er ook Godsdienstige waarde aan, en wilden het niet als een zaak van ondergeschikt belang beschouwen. De mensen waren vrij om dit te doen of het te laten, doch zij traden met hun gezag tussenbeide, en geboden allen het te doen op straffe van uitbanning of excommunicatie. Dit hielden zij als ene inzetting der ouden. De papisten maken aanspraak op ijver voor het gezag en de oudheid van de kerk en hare canons, en spreken veel over conciliën en kerkvaders, terwijl dit niets is dan ijver om rijkdom, invloed en macht voor zich zelven te verkrijgen, en zo was dit ook met de Farizeeën. Wij hebben dus hier een bericht van een gewoonte en gebruik onder de Farizeeën en al de Joden, vers 3, 4.
1. Zij wassen de handen dikmaals. Zij wiesen ze pugmê. De critici maken veel moeite over dit woord, volgens sommigen wordt er het herhaalde van hun wassingen mede aangeduid-zoals in onze overzetting-anderen denken dat het betekent de moeite, die zij zich gaven om hun handen te wassen, zij wiesen ze met grote zorg, zij wiesen ze tot aan de pols (zeggen sommigen,) zij staken hun handen, als zij nat waren, in de hoogte, opdat het water tot aan de ellebogen zou aflopen.
2. Zij wiesen ze inzonderheid voor zij brood aten, dat is: voor zij zich nederzetten voor een plechtigen maaltijd, want dat was de regel, zij moesten zich stellig de handen wassen voor zij het brood aten, waarover zij om een zegen vroegen. Al wie het brood eet, waarover zij den zegen uitspreken: Geloofd zij Hij, die het brood uit de aarde doet voorkomen, moet daarvoor en daarna zich de handen wassen, want anders werd hij geacht verontreinigd te zijn.
3. Zij droegen zeer bijzonder zorg om, als zij van de markt kwamen, hun handen te wassen, of, volgens sommigen, als zij uit de rechtszaal kwamen, het betekent namelijk elke plaats, waar allerlei mensen samenkomen, en waar men mocht veronderstellen, dat ook heidenen en Joden, die volgens de wet verontreinigd waren door het een of ander, konden zijn, en door wie zij dus, in aanraking met hen komende, zichzelf verontreinigd achtten, zeggende: Houd u bij uzelven, naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij, Jesaja 65:5. De regel der rabbijnen was, zeggen zij, dat, zo zij des morgens voor alle andere dingen, die zij deden, hun handen ter dege wiesen, dit volstaan kon voor den gehelen dag, mits zij alleen bleven, maar als zij zich in gezelschap begaven, dus in aanraking kwamen met anderen, dan moesten zij bij hun terugkeer niet eten en niet bidden, voor zij zich de handen hadden gewassen. Zodoende verkregen de ouden den roep van heiligheid onder het volk, en oefenden zij gezag uit op hun geweten. Daaraan voegden zij nog toe het wassen der drinkbekers en kannen en koperen vaten, waarvan zij vermoedden dat zij door de heidenen gebruikt waren, of door personen, die verontreinigd waren, ja tot zelfs de tafels waarvan zij aten. Er waren vele gevallen, in welke door de wet van Mozes wassingen waren voorgeschreven, maar zij voegden daar nog aan toe, en zij drongen even sterk aan op het waarnemen van hun eigen voorschriften als van de instellingen Gods.
II. Op de manier van handelen van Christus' discipelen. Zij kenden de wet, en zij kenden het algemeen heersende gebruik, maar daaraan wilden zij zich niet gebonden rekenen. Zij aten brood met onreine, dat is: met ongewassen handen, vers 2. Het eten met ongewassen handen noemden zij eten met onreine handen. Zo weten de mensen hun bijgelovigheden op te houden, door aan alles wat met hen in tegenspraak is een wanluidenden naam te geven. De discipelen wisten waarschijnlijk wel, dat de Farizeeën het oog op hen hadden, maar toch wilden zij hun niet ter wille zijn door zich te onderwerpen aan hun inzettingen, maar gebruikten, evenals bij andere gelegenheden, hun vrijheid en aten brood met ongewassen handen, en hierin was hun gerechtigheid, hoezeer die ook minder scheen, in werkelijkheid toch overvloediger dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, Mattheus 5:20.
III. De ergernis, die dit verwekte bij de Farizeeën, zij berispten hen, vers 2. Zij laakten hen als onheilig, als mensen van een loszinnigen levenswandel, of liever: als mensen, die zich niet wilden onderwerpen aan de macht der kerk, om plechtigheden en kerkgebruiken voor te schrijven, en die dus opstandig, onrust stokend en scheur makend waren. Zij brachten een aanklacht tegen hen in bij hun Meester, verwachtende dat Hij hen in die vrijheid zou beteugelen en hun zou bevelen zich naar deze regelen te gedragen, want zij, die zo ingenomen zijn met hun eigen bedenksels en wetten, zullen zich meestal gaarne op Christus beroepen, alsof Hij hen steunen zal, en alsof Zijn gezag tussenbeide moet treden om hun wetten en verordeningen verplichtend te maken, en hen dus te bestraffen, die er zich niet aan onderwerpen. Zij vragen niet: Waarom doen uwe discipelen niet zoals wij doen? (hoewel dit het was wat zij bedoelden, daar zij zich zelven aan anderen ten maatstaf begeerden te stellen). Maar: Waarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting der ouden? vers 5. Het was gemakkelijk hierop te antwoorden dat zij, door de leer van Christus aan te nemen, verstandiger waren dan al hun leraars, ja verstandiger ook dan de ouden, Psalm 119:99, 100.
IV. Christus' rechtvaardiging van hen, waarin Hij:
1. Tegenover de Farizeeën het gezag betwist, waardoor die plechtigheid als ene wet werd opgelegd. Zij waren wel de geschiktste personen met wie hierover gesproken en gehandeld kon worden, daar zij er zozeer voor ijverden, maar tot de scharen sprak Hij hier niet over (gelijk blijkt uit Zijn roepen van de schare tot zich, vers 14) opdat Hij den schijn niet zou hebben van hen op te zetten tot ontevredenheid en ongehoorzaamheid aan hun regeerders, maar wèl heeft Hij de bestraffing gericht tegen de personen, wie dit aanging, want de regel is: Suum cuique -Ieder het zijne. a. Hij bestraft hen om hun geveinsdheid, waarmee zij voorwenden God te eren, terwijl dit toch in werkelijkheid hun oogmerk niet was in hun Godsdienstige verrichtingen, vers 6, 7. Zij eren Mij met de lippen. Zij wenden voor dat het tot eer van God is, dat zij deze dingen voorschrijven, teneinde zich te onderscheiden van de heidenen, maar in werkelijkheid houdt hun hart zich verre van God, en worden zij door niets geregeerd dan door eerzucht en begeerlijkheid. Zij wilden hierdoor beschouwd worden als mensen, die zich als een heilig volk den Heere, hun God, wilden wijden, terwijl dit in werkelijkheid zeer verre was van hun gedachten. In al hun Godsdienstige handelingen bleven zij aan het uitwendige hangen, en hun hart was er niet recht in voor God, en dit was God ijdellijk aanbidden, want zulk een schijnvroomheid kon Hem niet behagen en hun geen nut of voordeel aanbrengen.
b. Hij bestraft hen, omdat zij de bedenksels en voorschriften der ouden en van hun oversten als Godsdienst aanmerkten, zij leren leringen, die geboden zijn der mensen. In plaats van bij het volk op de grote beginselen van den Godsdienst aan te dringen, legden zij hun de canons op van hun kerk, en oordeelden zij over het al of niet Jood zijn van de mensen, naar dat zij al of niet zich aan die kerkregelen onderwierpen, zonder er acht op te slaan of zij al of niet leefden in gehoorzaamheid aan Gods wetten. Wel is waar, er waren door de wet van Mozes verscheidene wassingen geboden, Hebreeën 9:10, die bedoeld waren om te wijzen op de innerlijke reiniging des harten van wereldse en vleselijke lusten, die God eist als volstrekt noodzakelijk voor onze gemeenschapsoefening met Hem, maar in plaats van te zorgen voor de substantie, het wezen, hebben zij verwaand en vermetel aan de ceremonie, die slechts de schaduw was, nog toegevoegd, en zo waren zij heel nauwgezet en zorgzaam in het wassen van drinkbekers en kannen. En let wel op: Hij voegt er bij: andere dergelijke dingen doet gij vele, vers 8. Bijgelovigheid is eindeloos. Als een menselijk bedenksel of instelling toegelaten wordt, al is zij ook nog zo onschuldig, zoals dit wassen der handen, zie, er komt ene bende, en er is ene deur geopend voor vele dergelijke dingen.
c. Hij bestraft hen omdat zij het gebod Gods nalieten, het voorbijzagen, er niet op aandrongen in hun prediking en in hun uitoefening van tucht de overtreding daarvan oogluikend toelieten, alsof die wet niet langer gold of van kracht was, vers 8. Het is het grote kwaad in die geboden van mensen, dat zij, die er voor ijveren, heel weinig ijver betonen voor de noodzakelijke plichten van den godsdienst, maar die gans gerust en tevreden kunnen laten veronachtzamen. Ja meer, zij verwierpen het gebod Gods, vers 9, Gij doet zeker Gods gebod wel teniet, en zelfs maakt gij Gods woord krachteloos door uwe inzetting, vers 13. Gods rechten en inzettingen lieten zij niet slechts veronachtzamen en beschouwen als wetten, die verouderd en afgeschaft zijn, maar zij hebben er hun eigen inzettingen voor in de plaats gesteld. Hun was opgedragen de wet te verklaren en op het verplichtende er van bij het volk aan te dringen, en onder voorwendsel nu van die macht te gebruiken, hebben zij de wet geschonden en er het verplichtende van opgeheven, door hun verklaring van den tekst, den tekst verdervende. Hij wijst hen op een bijzonder en sterk-sprekend voorbeeld hiervan. God heeft den kinderen geboden hun ouders te eren, niet slechts in de wet van Mozes, maar reeds vroeger door de wet der natuur, en wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven. Hieruit is gemakkelijk af te leiden dat, als de ouders arm zijn, het de plicht is der kinderen hen naar vermogen te ondersteunen, en indien de kinderen, die hun ouders vloeken, waard zijn te sterven, hoeveel te meer dan niet zij, die hen laten verhongeren. Zo iemand zich echter slechts in alle opzichten wil gedragen naar de inzetting der ouden, dan zullen zij wel een dienstig middel voor hem vinden om zich van die verplichting te ontslaan, vers 11. Indien zijne ouders arm zijn en hij wel de middelen heeft om hen te ondersteunen, maar er toch niet toe genegen is, zo laat hem zweren bij het korban, dat is: bij het goud van den tempel, en bij de gave op het altaar, dat zijne ouders geen voordeel van hem zullen hebben, dat hij hen niet wil ondersteunen, en, zo zij iets van hem vragen, zo laat hem hun dit zeggen en het is genoeg, alsof hij zich door de verplichting dier goddeloze gelofte ontslagen had van de verplichting, die Gods heilige wet hem oplegt. Men zegt dat het een aloude canon is der rabbijnen: Dat geloften plaatshebben in zaken, geboden door de wet, zowel als in onverschillige dingen, zodat, wanneer iemand ene gelofte gedaan heeft, die niet gehouden kan worden zonder een gebod te overtreden, de gelofte bekrachtigd en het gebod overtreden moet worden. Zodanige leer wordt ook door de papisten geleerd, daar zij kinderen van alle verplichtingen jegens hun ouders ontheffen, als zij kloostergeloften hebben afgelegd en in de religie zijn getreden, zoals zij het noemen. En, voegt Hij er ten slotte bij: vele dergelijke dingen doet gij. Waar zullen de mensen ook ophouden, als zij eens begonnen zijn met hun inzettingen in de plaats te stellen van het woord Gods? Die grote ijveraars voor zodanige ceremoniën hebben eerst Gods geboden licht geacht in vergelijking met hun inzettingen, maar daarna hebben zij Gods geboden krachteloos gemaakt, als zij in den weg stonden aan hun inzettingen. Dit alles heeft Jesaja reeds van hen geprofeteerd, wat hij zei van de geveinsden van zijn tijd, was volkomen van toepassing op de schriftgeleerden en Farizeeën, vers 6. Als wij de goddeloosheid zien van den tegenwoordigen tijd, dan zouden wij niet uit wijsheid vragen, indien wij zeiden dat alle vorige dagen beter geweest zijn dan deze, Prediker 7:10. Ook de ergste geveinsden en boosdoeners hebben hun voorgangers gehad.
2. Hij onderwijst het volk betreffende het beginsel, waarop deze ceremonie gegrond was. Het was nodig dat dit deel Zijner rede in het openbaar gesproken zou worden, want het had betrekking op het dagelijks leven en was bestemd om een grote vergissing te herstellen, waarin het volk, geleid door hun oversten, vervallen was. Daarom riep Hij de ganse schare tot zich, vers 14, en zei hun: Hoort en verstaat. Het is voor het volk niet genoeg te horen, zij moeten ook verstaan wat zij horen. Als Christus de inzetting der ouden omtrent de wassing voor het gebruiken van spijze wil tenietdoen, dan tast Hij het denkbeeld aan, dat er de grondslag van was. Verdorven gewoonten worden het best afgeschaft door de bedorven meningen te verbeteren. De zaak, waaromtrent Hij hen nu wil inlichten, is verontreiniging, waardoor wij geschaad kunnen worden, vers 15. Hij zal hun aantonen, waardoor verontreiniging teweeggebracht wordt.
a. Niet door de spijze die wij eten, al is het ook, dat wij ze eten met ongewassen handen, dat komt slechts van buiten af, en gaat door den mens heen. Maar,
b. Het is door het uitbreken van het bederf, dat in ons hart is, dat onze geest en ons geweten verontreinigd worden, daardoor ontstaat schuld, en wij worden hatelijk in het oog van God door hetgeen uit ons voortkomt, onze boze gedachten en neigingen, onze woorden en onze daden, die verontreinigen ons, en die alleen. Waar wij dus voor hebben te zorgen is: ons hart te wassen van boosheid.
3. Hij geeft aan Zijne discipelen nog afzonderlijk ene verklaring van het onderricht, dat Hij aan het volk heeft gegeven. Toen Hij van de schare in huis was gekomen, vroegen Hem Zijne discipelen van de gelijkenis, vers 17, want hun scheen het ene gelijkenis toe. In antwoord nu op hun vraag:
a. Bestraft Hij hun stompzinnigheid. "Zijt ook gij alzo onwetend? Zijt ook gij traag van verstand, even stompzinnig als het volk, dat geen begrip heeft en dus niet kan verstaan, even stompzinnig als de Farizeeën, die niet willen verstaan? Zijt gij alzo onwetende?" Hij verwacht niet dat zij alles zullen verstaan, maar zijt gij zo zwak, dat gij dit niet verstaat?
b. Hij verklaart hun deze waarheid, opdat zij haar eerst zouden begrijpen en haar dan zouden geloven, want het blijkbare er van sprong in het oog. Sommige waarheden bewijzen zich zelven, als zij slechts duidelijk verklaard en dan goed begrepen worden. Als wij den geestelijken aard verstaan van God en van Zijne wet en wat het is, dat Hem smaadt en beledigt en ons ongeschikt maakt om gemeenschap met Hem te oefenen, dan zullen wij spoedig bemerken dat hetgeen wij eten en drinken ons niet kan verontreinigen, waardoor een Godsdienstige wassing nodig zou zijn. Het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, ondergaat de spijsvertering, allerlei afscheidingen hebben plaats, die de natuur aanwijst, en wat er ontreinigends in is, wordt uitgeworpen uit het lichaam. De spijzen zijn voor den buik, en de buik is voor de spijzen, maar God zal beide dezen en die tenietdoen. Maar het is hetgeen voortkomt uit het hart, het verdorven hart, dat ons ontreinigt. Gelijk volgens de ceremoniële wet bijna alles, wat uit den mens komt, hem verontreinigt, Leviticus 15:2, Deuteronomium 23:13, zo is hetgeen uit den geest, het hart, van den mens voortkomt, wat hem voor God verontreinigt en een Godsdienstige wassing nodig maakt, vers 21. Van binnen, uit het hart der mensen, waarvan zij de goedheid zo roemen, en dat zij als het beste in zich beschouwen, daaruit komt voort hetgeen verontreinigt, van dáár komt al het kwaad. Gelijk een verdorven fontein bedorven water doet uitstromen, zo komen uit een verdorven hart verdorven redeneringen, verdorven neigingen en lusten, en al die boze woorden en werken, die er door worden voortgebracht. Evenals in Mattheus worden verschillende bijzonderheden genoemd, dáár hadden wij er ene, die wij hier niet hebben, namelijk valse getuigenissen, maar hier worden er zeven genoemd, die gevoegd moeten worden bij die wij dáár hadden. Ten eerste. Gierigheden, of onmatige begeerte naar meer van den rijkdom der wereld en de voldoening der zinnen, het voortdurend geroep van: Geef, geef. Vandaar dat wij lezen van het hart geoefend te hebben in gierigheid, 2 Petrus 2:14. Ten tweede, Boosheden, kwaadaardigheid, haat, onwil, ene begeerte om schade of nadeel toe te brengen, en een vermaak in het kwaad dat gesticht is. Ten derde. Bedrog, hetwelk bedekte of vermomde boosheid is, om haar door het bedekte des te zekerder te kunnen werken.
Ten vierde. Ontuchtigheid. De onreinheid en het zot geklap, die door den apostel worden veroordeeld, de ogen vol overspel, die niet ophouden van zondigen. Ten vijfde. Een boos oog, een afgunstig oog, en een begerig oog, dat aan anderen het goede misgunt, dat wij hun geven of voor hen doen. Spreuken 23:6, of dat verdrietig is, over het goede dat zij doen of genieten. Ten zesde. Hovaardij, huperêphania, ons in onze eigen schatting verheffende boven anderen, en met minachting neerziende op anderen. Ten zevende. Onverstand, aphrosunê, onvoorzichtigheid, onnadenkendheid. Sommigen verslaan dit inzonderheid van ijdel roemen, dat de apostel Paulus dwaasheid noemt, 2 Corinthiërs 11:1, 19, omdat dit hier saamgevoegd is met hoogmoed. Ik houd het echter veeleer voor die roekeloosheid in spreken en handelen, die de oorzaak is van zoveel kwaad. Kwade gedachten worden het eerst genoemd, als de bron van al ons bedrijven van kwaad, en onnadenkendheid wordt het laatst genoemd, als de oorzaak van ons nalaten van hetgeen goed is. Van dit alles besluit Hij, vers 23 :
1. Dat zij voortkomen van binnen, van de verdorven natuur, het vleselijk-gezinde hart, den bozen schat in het hart. Met recht wordt gezegd, dat het binnenste enkel verderving is, dat moet wel, indien dat alles voorkomt van binnen. 2. Dat zij den mens ontreinigen. Zij maken den mens ongeschikt voor gemeenschapsoefening met God, zij bevlekken het geweten en zo zij niet gedood en uitgeroeid worden, zullen zij de mensen buitensluiten van het nieuwe Jeruzalem, waarin niets onreins zal binnenkomen.