Richteren 9:1-6
Hier wordt ons meegedeeld door welke kunstgrepen Abimelech zich macht verkreeg en tot grootheid kwam. Zijn moeder had hem misschien buitengewoon eerzuchtige gedachten ingeblazen, en de naam, die zijn vader hem gegeven had, waarin iets koninklijks was, kon er toe bijdragen om deze vonken te doen opvliegen, en nu hij zijn vader begraven had, zal zijn hoogmoedig hart met niets anders tevreden zijn, dan met hem op te volgen in de regering over Israël, in lijnrechte strijd met de wil van zijns vader, want die had verklaard, dat zijn zoon niet over hen zal heersen. Hij had geen roeping van God voor deze eer, zoals zijn vader haar gehad heeft, ook was er toen geen aanleiding voor een richter om Israël te verlossen, zoals toen zijn vader daartoe bevorderd werd, maar zijn eerzucht moest bevredigd worden, en dat is alles wat hij beoogt. Merk hier nu op:
I. Hoe listig hij de bloedverwanten van zijn moeder tot zijn belangen wist over te halen. Sichem was een stad in de stam van Efraïm, van grote vermaardheid Jozua had er zijn laatste vergadering gehouden, indien deze stad zich slechts voor hem wilde verklaren, dan zou dit, dacht hij, zeer te zijnen gunste wezen. Hij had er invloed in het geslacht van zijn moeder en door deze zijn bloedverwanten kon invloed geoefend worden op de voornaamste mannen van de stad. Het blijkt niet dat hij door iemand van hun als een man van verdienste werd beschouwd, die iets had om hem voor zo'n keus aan te bevelen, maar het voorstel kwam van hemzelf. Niemand zou aan zo iemand gedacht hebben als een koning, indien hij er niet zelf aan gedacht had. Zie hier:
1. Hoe hij hen tot die keuze heeft bepraat, vers 2, 3. Laaghartig liet hij het voorkomen, dat Gideon zeventig zonen had nagelaten, die veel invloed hadden, en dat deze van plan waren de macht, die hun vader gehad heeft, in hun handen te houden, en door hun gezamenlijke invloed over Israël te regeren. "Zou het nu niet beter voor u zijn", zegt hij, geen koning te hebben dan vele koningen, dan zoveel koningen te hebben? Staatszaken worden toch het best door een enkel persoon behandeld en bestuurd," vers 2. Wij hebben geen reden om te denken dat al de zonen van Gideon het minste idee hadden om over Israël te willen heersen, (zij waren van het gevoelen van hun vader, dat de Heere over hen zou heersen, en zij waren niet door Hem geroepen) maar hij geeft dit te kennen om de weg te banen voor zijn eigen bedoelingen. Zij, die zelf kwaad voorhebben, zijn het eerst gereed om te denken dat anderen kwaad in de zin hebben. Wat hem aangaat, hij herinnert hen slechts aan de betrekking waarin hij tot hen staat. "Verbum sapienti-Een woord aan de wijzen is genoeg", gedenkt ook, dat ik uw vlees en uw been ben. Het plan is verwonderlijk geslaagd. De magistraten van Sichem waren gestreeld door het denkbeeld, dat hun stad een koninklijke stad zou zijn, de hoofdstad van Israël, en daarom neigde hun hart zich naar Abimelech, want zij zeiden: Hij is onze broeder, en zijn bevordering zal ons voordelig wezen."
2. Hoe hij geld van hen ontving om de onkosten van zijn plan te bestrijden, vers 4. Zij gaven hem zeventig zilverlingen. Er wordt niet gezegd wat de waarde van deze zilverlingen was, zoveel sikkelen was minder, zoveel talenten was meer dan wij ons kunnen voorstellen, daarom wordt verondersteld dat ieder een gewicht had van een pond, maar zij gaven het hem uit het huis van Baäl- Berith, dat is: uit de openbare schatkist, die zij uit eerbied voor hun afgod in zijn tempel hadden geplaatst, om door hem beschermd te worden, of wel uit de offeranden, die aan deze afgod gebracht werden, welk geld, naar zij hoopten, hen te voorspoediger zou maken, omdat het aan hun god gewijd was. Hoe ongeschikt was hij om over Israël te heersen, daar hij toch waarschijnlijk niet instaat was hen te beschermen, die inplaats van afgoderij tegen te gaan en te straffen zich zo spoedig tot een loontrekker van een afgod heeft gemaakt!
3. Welk krijgsvolk hij aanwierf, hij huurde ijdele en lichtvaardige mannen, die hem navolgden, het schuim en uitvaagsel van het land, geruïneerde personen, onbezonnen lieden, die een slecht levensgedrag leidden, geen anderen dan dezulken wilden hem erkennen, en zij waren het geschiktst om zijn doeleinden te dienen. Zoals de leider is, zo zijn zijn volgelingen.
II. Hoe wreedaardig hij de zonen van zijn vader uit de weg ruimde. Het eerste wat hij deed met het janhagel aan welks hoofd hij zich gesteld had, was al zijn broeders tegelijk om het leven te brengen, in het openbaar en in koelen bloede, zeventig mannen op een na, die ontkwam, allen gedood op een steen. Zie in deze bloedige tragedie:
1. De kracht van de eerzucht, hoe zij mensen in beesten verkeert, hoe zij door alle banden van natuurlijke genegenheid heenbreekt, het natuurlijke geweten verkracht, en het heiligste, dierbaarste en kostelijkste aan haar plannen opoffert. Het is vreemd, dat het ooit in een mensen hart zou opkomen, om zo wreed te zijn!
2. Het gevaar van een hoge geboorte. Dat zij de zonen waren van zo groot een man als Gideon was, heeft hen aldus aan gevaar blootgesteld, en Abimelech ijverzuchtig op hen gemaakt. Wij zien juist hetzelfde aantal zonen van Achab tegelijk omgebracht te Samaria, 2 Koningen 10:1-7. De grote heren hebben zich nooit veilig geacht, zolang er nog één van hun broeders niet gewurgd was. Laat niemand hen benijden, die van hoge afkomst zijn, of klagen over zijn eigen geringheid en onbekendheid. Hoe geringer, hoe veiliger.
De weg aldus gebaand zijnde van Abimelechs verkiezing, gingen de burgers van Sichem er nu toe over om hem tot koning te verkiezen vers 6. God werd niet geraadpleegd, of zij al of niet een koning hebben moesten, en nog veel minder wie het zijn zou. Hier is geen beraadslaging met de priester, of met hun broederen van een andere stad of stam, hoewel zij bedoelden, dat hij over Israël zou heersen, vers 22. Maar:
a. De Sichemieten doen alles, alsof zij het volk waren, en met hen de wijsheid moest sterven. Zij stonden hem bij in het vermoorden van zijn broeders, vers 4, en toen maakten zij hem koning De burgers van Sichem, dat is: de aanzienlijken, de voornaamste magistraten van de stad, en het huis van Millo, dat is: de raad, het volle huis, of huis van de volheid, zoals de betekenis is van het woord, zij, die in het raadhuis vergaderden (wij lezen dikwijls van het huis van Millo, of grote vergaderzaal, in Jeruzalem, of de stad Davids, 2 Samuël 5:9, 2 Koningen 12:20 ). Dezen vergaderden niet om Abimelech te vervolgen en te straffen voor deze barbaarse moord, zoals zij hadden behoren te doen, daar hij een van hun burgers was, maar om hem koning te maken. Pretium sceleris tulit hic diadema Zijn slechtheid werd beloond met een diadeem. Wat konden zij zich voorstellen van een koning, die het fondament zijns koninkrijks legde in bloed?
b. De overige Israëlieten waren dom genoeg om het onverschillig toe te zien, zij gaven zich geen moeite om aan zijn overweldiging paal en perk te zetten, de zonen van Gideon te beschermen, of hun dood te wreken, maar hebben zich gedwee aan de bloeddorstigen tiran onderworpen, als mensen, die, met hun Godsdienst, ook hun verstand verloren hebben en alle gevoel voor eer en vrijheid, gerechtigheid en dankbaarheid. Hoe krachtig waren hun vaderen opgetreden, om de dood te wreken van de bijvrouw van de Leviet, en toch zijn zij nu zo ontaard, dat zij geen poging doen om de dood van Gideons zonen te wreken! Het is hierom, dat hun ondankbaarheid ten laste wordt gelegd, Hoofdstuk 8:35. Zij deden geen weldadigheid bij den huize Jerubbaals.