2 Koningen 12:17-21
Toen Joas van God was afgevallen, en zowel een afgodendienaar als een vervolger was geworden, ging de hand des Heeren tegen hem uit, en het laatste van hem was erger dan het eerste.
1. Zijn rijkdom en zijn eer waren een gemakkelijke prooi voor zijn naburen. Hazaël, na Israël gekastijd te hebben, Hoofdstuk 10:32 bedreigde ook Juda en Jeruzalem. Hij had Gath, een sterke stad, ingenomen, vers 17, en wilde vandaar met zijn krijgsmacht oprukken tegen Jeruzalem, de koninklijke stad, de heilige stad, maar welker schaduw vanwege haar zondigheid van haar was geweken. Joas had noch de moed, noch de kracht om hem het hoofd te bieden, maar gaf hem al de geheiligde dingen en al het goud, dat in zijn schatkist en in de schatten van de tempel gevonden werd, vers 18, om hem te bewegen naar een andere zijde op te rukken. Misschien zou dit verontschuldigd kunnen worden als zorg voor de openbare veiligheid en omdat het beter was het goud van de tempel af te staan, dan de tempel zelf aan gevaar bloot te stellen maar:
a. Zo hij God niet had verlaten en Zijn bescherming had verbeurd, dan zou hij niet in die uiterste nood zijn gekomen, maar Hazaël tot de aftocht hebben kunnen noodzaken.
b. Hij verkleinde zich, en stelde zich zeer laag aan, verloor de eer van een vorst, een krijgsman en ook van een Israëliet, door de geheiligde dingen te vervreemden.
c. Hij heeft zich en zijn rijk verarmd. En:
d. Hij heeft Hazaël uitgelokt om terug te komen, nu hij zonder slag of stoot zo'n rijke buit verkregen heeft. En die uitwerking heeft het ook gehad, want in het volgende jaar trok het leger van Syrië op tegen Jeruzalem, vernietigde de vorsten van het volk en plunderde de stad, 2 Kronieken 24:23, 24.
2. Zijn leven werd een gemakkelijke prooi voor zijn knechten. Zij maakten een verbintenis tegen hem en doodden hem, vers 20, 21. Zij beoogden niet het koninkrijk in bezit te nemen, want zij hebben er zich niet tegen verzet dat zijn zoon hem opvolgde, maar zij wilden wraak aan hem oefenen voor door hem bedreven kwaad, en in de Kronieken wordt ons meegedeeld dat zijn vermoorden van de profeet, de zoon van Jojada, er de aanleiding toe was. Hoe onrechtvaardig zij hierin nu ook waren-aan hun was de wraak niet, en aan hun was het niet te vergelden-God was er rechtvaardig in, en dit was niet de enige keer, dat Hij zelfs aan koningen heeft doen weten dat het op hun gevaar was, zo zij Zijn gezalfden aanraakten en Zijn profeten kwaad deden, en dat, als Hij komt om de bloedstortingen te zoeken, het bloed van profeten de rekening zeer hoog zal maken. Aldus viel Joas, die begon in de geest en eindigde in het vlees. God stelt gewoonlijk tekenen van Zijn ongenoegen op afvalligen, zelfs in dit leven, want van alle zondaren zijn zij het, die het meest de Heere smaden.