Richteren 4:4-9
Het jaar van de verlosten is eindelijk gekomen, als Israël verlost zou worden uit de handen van Jabin, en hersteld in zijn vrijheid, waarvoor, naar wij kunnen veronderstellen, de noordelijke stammen, die het dichtst bij de verdrukker lagen en het meest van zijn woede hadden te lijden, zeer bijzonder tot God riepen. Om de verwoesting van de ellendigen en het kermen van de nooddruftiger zal God nu opstaan. Nu hebben wij hier:
I. De toebereiding van het volk voor hun bevrijding door de profetische leiding en regering van Debora, vers 4, 5. Haar naam betekent een bij, en zij beantwoordde aan haar naam door haar naarstigheid, schranderheid en grote nuttigheid voor het publiek, haar zoetheid en lieflijkheid voor haar vrienden, en haar scherpheid voor haar vijanden. Zij wordt gezegd de huisvrouw te zijn van Lappidoth. De naam van een man heeft gewoonlijk niet zo'n uitgang, daarom houden sommigen het voor de naam van een plaats, zij was een vrouw van Lappidoth. Anderen nemen het als een soortnaam, Lappidoth betekent lampen. De rabbijnen zeggen: zij had zich bezig gehouden met het maken van pitten voor de lampen van de tabernakel, en zich neergebogen hebbende tot deze geringe dienst voor God, is zij later aldus tot eer verhoogd. Of, zij was een vrouw van verlichting, of glans, luister, van zeer buitengewone gaven en verstand en die daardoor zeer voortreffelijk werd en tot hoog aanzien kwam. Omtrent haar wordt ons hier gezegd:
1. Dat zij innige kennis had van God. Zij was een profetes, één, die onderwezen was in Goddelijke kennis door de onmiddellijke ingeving van Gods Geest, en de gave van de wijsheid, waartoe zij door geen gewone weg was gekomen, zij hoorde de woorden Gods, en waarschijnlijk heeft zij de gezichten van de Almachtige gezien.
2. Dat zij geheel aan de dienst van Israël was toegewijd. Zij richtte Israël ten tijde, dat Jabin hen verdrukte, en wellicht heeft de verdrukker haar sneller toegelaten om dit te doen, omdat zij een vrouw was. Zij richtte, niet als een vorstin, door een burgerlijk gezag, dat haar verleend was, maar als een profetes, en als Gods mond tot hen, bestraffende hun verkeerdheden, inzonderheid die, welke betrekking hadden op de aanbidding Gods. Van alle kanten gingen de kinderen Israëls tot haar op ten gerichte, niet zozeer ter beslechting van geschillen tussen man en man, als wel om haar raad in te winnen met betrekking tot de hervorming van hetgeen verkeerd ging in dingen, die God en Godsdienst betroffen. Diegenen onder hen, die tevoren in het verborgen getreurd hadden over de goddeloosheid en afgoderij van hun naburen, maar niet wisten tot wie zich te wenden ter beteugeling er van, kwamen nu met hun klacht tot Debora, die hun door het zwaard van de Geest het oordeel Gods toonde velen terugbracht van hun verkeerde weg, en de magistraten in de verschillende districten opwekte en aanspoorde om de wet in werking te brengen. Er wordt gezegd dat zij woonde of, zoals sommigen het lezen, zat onder een palmboom, die altijd daarna de palmboom van Debora werd genoemd. Zij had of haar huis onder een boom, en dan was het wel een geringe, onaanzienlijke woning, die zich onder een boom kon verbergen, òf zij had haar rechtszetel in de open lucht, onder de schaduw van die boom, die een embleem was van het recht, dat zij, daar nederzittende, bedeelde hetwelk voorspoedig was en groeide in weerwil van alle tegenstand, zoals de palmboom groeit onder de druk. Josephus zegt dat de kinderen Israëls tot Debora kwamen om haar te vragen God voor hen te bidden, dat Hij hen verlossen zou uit de hand van Jabin. En Samuël wordt gezegd Israël op een bijzondere tijd te hebben gericht te Mizpa, dat is: hen te hebben teruggebracht tot God, toen zij hem bij een zelfde gelegenheid hetzelfde verzoek hebben gedaan, 1 Samuël 7:6, 8.
II. Het plan gevormd tot hun bevrijding toen de kinderen Israëls tot haar kwamen voor het gericht, vonden zij verlossing bij haar. Zo zullen zij, die bij God genade zoeken, genade en vrede hebben genade en vertroosting, genade en ere. Zij zelf was niet geschikt om in eigen persoon een leger aan te voeren, daar zij een vrouw was, maar zij benoemde er iemand toe, die wel geschikt was, Barak van Nafthali, die zich waarschijnlijk reeds onderscheiden had in enige schermutselingen met de krijgsmacht van de verdrukker, daar hij in zijn nabijheid woonde, (want Hazor en Haroseth lagen in het lot van die stam) en daardoor had hij vermaardheid en invloed onder zijn volk verkregen. Wij kunnen veronderstellen dat deze kloekmoedige man reeds geworsteld had om het juk van de verdrukking af te schudden, maar hij kon zijn doel niet tot stand brengen vóór hij zijn opdracht en instructies van Debora had ontvangen. Hij kon niets doen zonder haar hoofd, en zij kon niets doen zonder zijn handen, maar beide tezamen vormden een volkomen verlosser, en hebben een volkomen verlossing tot stand gebracht. De grootsten en besten zijn in zichzelf niet genoegzaam, maar hebben elkaar nodig.
1. Op Gods bevel en aanwijzing beveelt zij Barak een leger op de been te brengen en Jabins krijgsmacht slag te leveren, die onder het bevel stond van Sisera, vers 6, 7. Barak had misschien een grote onderneming bedacht tegen de gezamenlijke vijand, een vonk van edelmoedig vuur gloorde in zijn borst, en graag zou hij iets van gewicht willen doen voor zijn volk en de steden van zijn God. Maar er zijn twee dingen, die hem ontmoedigen.
A. Hij had een opdracht, een aanstelling nodig, om krijgsvolk aan te werven, deze geeft Debora hem hier onder het grootzegel van de hemel dat zij, als profetes, gemachtigd was er aan te hechten. "Heeft de Heere, de God Israëls, het niet geboden? Ja, voorzeker heeft Hij het, neem er mijn woord voor." Sommigen denken dat zij dit bedoelt als een beroep op Baraks eigen hart. "Heeft God niet door een stille toefluistering aan uzelf u Zijn bedoeling te kennen gegeven om u te gebruiken als een werktuig in Zijn hand om Israël te verlossen? Hebt gij niet zo'n drang gevoeld in uw eigen hart?" Indien dit zo is, dan bevestigt de geest van de profetie in Debora de krijgsgeest in Barak. Ga heen en trek op de berg Thabor.
a. Zij wees hem aan hoe groot het getal van de manschappen moest wezen, die hij bijeen moest brengen: tien duizend, en laat hem niet vrezen dat dit te weinig zal zijn, als God hem gezegd heeft dat hij door hen Israël zal verlossen.
b. Vanwaar hij hen bijeen moest brengen: alleen uit zijn eigen stam en die van Zebulon, die het naastbij lag, deze twee gewesten zullen hem van een voldoend leger voorzien, hij behoeft niet te wachten op anderen van elders. Eindelijk. Zij zegt hem waar zijn plaats van bijeenkomst moest wezen: op de berg Thabor, in zijn eigen nabijheid.
B. Als hij een leger bijeen had, dan wist hij nog niet hoe aan de gelegenheid te komen om met de vijand slaags te raken, die wellicht de slag zou weigeren of ontwijken, daar hij gehoord had dat de Israëlieten, zo zij slechts de moed hadden de vijand het hoofd te bieden, zelden voorspoed misten. "Welnu", zegt Debora, in de naam van God, "Ik zal Sisera en zijn leger tot u trekken." Zij verzekert hem dat door een geregelder veldslag de zaak beslist zal worden en dat de veldslag niet van lange duur zei zijn.
a. Door melding te maken van de macht van de vijand, Sisera, een vermaard krijgsoverste stoutmoedig en ervaren, zijn wagens, zijn ijzeren wagens en zijn menigte van soldaten, verplicht zij Barak zich te versterken met de grootste vastberadenheid, want de vijand, die hij moest tegentreden, was zeer geducht. Het is goed het ergste te weten, teneinde er ons op voor te bereiden. Maar:
b. Door zelf de plaats te bepalen, waar Sisera zijn leger zou bijeentrekken, hetgeen hem een hulp kon zijn om zijn geloof te bevestigen, als het ogenblik van de strijd was gekomen. Het was, zoals men zegt, een toevallige zaak en die afhankelijk was van Sisera's eigen wil maar als hij later zien zal, dat zij juist uitviel zoals Debora voorzegd had, dan kon hij hieruit afleiden, dat zij ook in het overige van hetgeen zij gezegd had, onder Goddelijke voorlichting had gesproken, hetgeen hem grotelijks zal bemoedigen, inzonderheid omdat zij hem hiermede een uitdrukkelijke belofte gaf van voorspoed. Ik zal (dat is: God, in wiens naam ik spreek, zal) hem in uw hand geven. Als hij dan zien zal, hoe zij tegen hem optrekken overeenkomstig Debora's woord, dan kan hij vertrouwen dat hij hen ook overeenkomstig haar woord spoedig voor zijn aangezicht zal zien vallen.
Merk op: God trekt hen tot hem alleen om hen in zijn hand over te leveren. Toen Sisera zijn krijgsmacht samentrok, bedoelde hij het verderf van Israël, maar God "heeft hen vergaderd als garven tot de dorsvloer' tot hun eigen verderf, Micha 4:11, 12. "Vergezelt u tezamen, gij volken, doch wordt verbroken," Jesaja 8:9, Zie Openbaring 19:17, 18.
2. Op Baraks verzoek belooft zij met hem naar het slagveld te gaan.
A. Barak dringt zeer aan op de noodzakelijkheid van haar tegenwoordigheid, die meer voor hem zijn zou dan een krijgsraad, vers 8. "Indien gij met mij trekken zult om mij te besturen en te raden, en mij in elk moeilijk geval Gods wil te kennen te geven, zo zal ik heentrekken van ganser harte, en de ijzeren wagens niet vrezen, maar andere niet." Sommigen zien hier de taal in van een zwak geloof, hij kon haar woord niet geloven of zij moest zelf bij hem zijn, in pand, als het ware, voor de vervulling. Zij schijnt echter veeleer voort te komen uit een overtuiging van de noodzakelijkheid van Gods tegenwoordigheid en voortdurende leiding, en daarvan achtte hij Debora's tegenwoordigheid het onderpand te wezen, daarom heeft hij er zo ernstig en dringend om gevraagd. "Indien gij niet met mij trekken zult ten teken dat God met mij is zo doe mij van hier niet optrekken." Niets zei groter voldoening voor hem wezen, dan de profetes bij zich te hebben om de soldaten aan te moediger, en bij alle gelegenheden als een orakel te worden geraadpleegd.
B. Debora beloofde met hem te zullen gaan, vers 9. Moeite noch gevaar zal haar afschrikken om het uiterste te doen van wat haar betaamt ten diepste van haar land. Zij wilde hem niet zenden, waar zij zelf niet heen wilde gaan. Zij, die in de naam van God anderen tot hun plicht roepen, moeten ten volle bereid zijn hen er in bij te staan. Debora was het zwakkere vat, maar zij had een krachtiger geloof. Maar hoewel zij er in toestemt om met Barak op te trekken, als hij er op aandringt, geeft zij hem toch een wenk, die wèl geschikt is om een krijgsman te bewegen er niet op aan te dringen. De eer zal niet voor u zijn op de weg, die gij wandelt (zij is zo overtuigd van zijn welslagen, dat zij zijn heengaan ten strijde slechts een wandeling noemt) die eer zal niet zó voor u zijn als wanneer gij alleen waart uitgetogen, want de Heere zal Sisera verkopen (het is nu zijn beurt om verkocht te worden, zoals Israël het geweest is, vers 2, bij wijze van vergelding, of weerwraak) in de hand van een vrouw, dat is:
a. De wereld zou de overwinning toeschrijven aan de hand van Debora, dat zou hijzelf kunnen voorzien.
b. God zou (om zijn zwakheid te bestraffen) de overwinning voltooien door de hand van Jael, hetgeen zijn roem wel enigszins zou verduisteren. Maar Barak stelt hoger prijs op de voldoening van zijn eigen gemoed, de goeden uitslag van zijn onderneming, dan op zijn eer of roem, en daarom wil hij volstrekt niet afzien van zijn verzoek. Hij durft niet strijden, of hij moet Debora naast zich hebben om hem te besturen en voor hem te bidden. Daarom bleef zij met mannenmoed bij haar woord, deze edele heldin maakte zich op en toog met Barak.