Richteren 20:26-48
Wij hebben hier een volledig bericht van de volkomen overwinning, die de Israëlieten over de Benjaminieten in de derden veldslag hebben behaald, de rechtvaardige zaak heeft eindelijk gezegevierd, toen de leiders hun vorige misslagen hadden hersteld, want als een goede zaak lijdt is dit dikwijls aan een slecht bestuur of beheer te wijten. Merk dan op, hoe de overwinning werd behaald, en hoe zij werd voortgezet.
I. Hoe de overwinning werd behaald. Bij het vorig treffen met de vijand hadden zij al te veel gesteund op het goede hunner zaak, en hun meerderheid in aantal. Het is waar dat zij beide recht en kracht aan hun zijde hadden, en dat waren grote voordelen. Maar zij vertrouwden er al te veel op, zodat zij die plichten veronachtzaamden, waarop zij zich nu bij dit derde treffen, toen zij hun dwaling hadden ingezien, toelegden.
1. Zij waren tevoren zo overtuigd van het rechtmatige hunner zaak, dat zij het nodeloos achtten God om Zijn tegenwoordigheid en zegen te vragen, zij geloofden dat het-om zo te zeggen-vanzelf sprak, dat zij die zouden hebben, ja dat God hun Zijn gunst verschuldigd was, en haar hun naar gerechtigheid niet kon onthouden, daar het ter verdediging van de deugd was, dat zij de wapens hadden opgevat.
Maar nadat God hun getoond had, dat Hij onder generlei verplichting was om voorspoed te geven op hun onderneming, dat Hij hen niet nodig had noch aan hen gebonden was, dat zij Hem meer verplicht weren voor de eer van dienaren van Zijn gerechtigheid te zijn, dan Hij hun verplicht was voor hun dienst, hebben zij Hem nederig om voorspoed gebeden.
Tevoren hadden zij Gods orakel alleen gevraagd: Wie zal onder ons het eerst optrekken? Maar nu smeekten zij om Zijn gunst, vastten en baden, en offerden brandofferen en dankofferen, vers 26, om verzoening te doen over-de zonde, en bekentenis te doen van hun afhankelijkheid van God en als een uitdrukking van hun begeerte naar Hem.
Wij kunnen niet verwachten dat God met ons zal zijn, tenzij wij Hem aldus op de door Hem verordineerden weg zoeken. En toen zij in die geestesgezindheid waren, en aldus de Heere zochten, toen heeft Hij hun niets slechts bevolen om voor de derde maal tegen de Benjaminieten op te trekken, maar hun de overwinning beloofd: Morgen zal Ik hem in uw hand geven, vers 28.
2. Zij waren tevoren zo vol van vertrouwen op hun grote sterkte, dat zij het onnodig vonden om enigerlei list te gebruiken, een achterlage te leggen, niet twijfelende of zij zouden hen zuiver en alleen door een sterke hand meester worden, maar nu zagen zij dat het nodig was ook beleid te gebruiken, alsof zij met een vijand te doen hadden, die hen overtrof in aantal.
Dientengevolge legden zij achterlagen, vers 29, en bereikten hun doel, zoals hun vaderen voor Ai gedaan hadden, Jozua 8. Krijgslisten van die aard zullen hoogstwaarschijnlijk gelukken na een voorafgaande nederlaag, die de vijand trots en opgeblazen maakt, en de voorgewende vlucht minder verdacht doet zijn. De wijze, waarop die krijgslist werd aangewend, wordt hier zeer uitvoerig beschreven. De verzekering, die God hun had gegeven van voorspoed op de krijgsverrichting van die dag, heeft, inplaats van hen nalatig of overmoedig te maken, alle hoofden en handen aan het werk gezet om tot stand te brengen wat God beloofd had.
Let op de methode, die zij volgden: het hoofdleger stond, evenals tevoren, tegenover Gibea, en rukte voorwaarts naar de poorten, vers 30.
De Benjaminieten, wier hoofdleger nu in Gibea lag, deden een uitval op hen, en vielen hen aan met grote dapperheid, de belegeraars keerden zich om, trokken zich in allerijl terug, alsof hun op het gezicht van de Benjaminieten de moed begaf, en in hun verwaandheid en hoogmoed wilden deze gaarne geloven dat hun vorig succes hen zo geducht had gemaakt.
Op die voorgewende vlucht leden de Israëlieten enig verlies, dertig mannen ongeveer werden in hun achterhoede gedood, vers 31, 39. Maar toen de Benjaminieten allen buiten de stad gelokt waren, trok de achterlage er terstond binnen, vers 37, gaf een signaal aan het hoofdleger, vers 38,40 dat toen onmiddellijk terugkeerde, vers 41, terwijl naar het schijnt terzelfder tijd een sterke afdeling krijgsvolk, die te Baäl-Timor had postgevat, hen overviel, zodat de Benjaminieten geheel omsingeld waren, hetgeen hen in de grootste ontsteltenis bracht, een besef van schuld deed hun nu de moed verliezen, en hoe hoger hun verwachting gespannen was zoveel smartelijker was nu hun beschaming.
In het eerst was de strijd zwaar, vers 34. De Benjaminieten vochten met verwoedheid, maar toen zij de strik zagen, waarin zij gevallen waren dachten zij dat een paar voeten (zoals wij zeggen) twee paar handen waard was en trachtten zij zo goed zij konden op de weg van de woestijn te komen, vers 42. Maar tevergeefs, de strijd kleefde hen aan, en om hun ongeluk te voltooien, hebben zij, die uit de steden Israëls kwamen, om naar de uitslag van de strijd te zien, zich bij de vervolgers gevoegd, en geholpen om hen te doden. Ieders hand was tegen hen.
Merk op in deze geschiedenis:
a. Dat de Benjaminieten in het begin van de veldslag dachten, dat zij de overwinning zouden behalen. Zij zijn voor ons aangezicht geslagen, vers 32, 39. God laat soms toe dat de goddelozen zich verheffen in hun voorspoed, opdat hun val zoveel vreeslijker zijn zal. Zie hoe kort hun vreugde is, hun triomferen slechts een ogenblik duurt. Die zich aangordt roeme niet, behalve als hij reden heeft te roemen in God.
b. Het kwaad ging hen treffen en zij wisten het niet, vers 34, maar, vers 41, toen het te laat was om het te voorkomen zagen zij dat het kwaad hen treffen zou. Welk kwaad ons te eniger tijd genaakt, weten wij niet, maar hoe minder het gevreesd wordt, hoe smartelijker het treft, de zondaars willen zich niet laten bewegen om te zien dat het kwaad hun genaakt, maar hoe schrikkelijk zal het zijn als het komt en er geen ontkomen aan is. 1 Thessalonicenzen 5:3 h.
c. Hoewel de mannen van Israël zich met zoveel dapperheid en beleid gedragen hebben in deze veldslag, wordt toch de overwinning aan God toegeschreven, vers 35. De Heere sloeg Benjamin voor Israëls aangezicht. Zijn was de krijg, en Zijn was de voorspoed. d. Zij vertraden Benjamin gemakkelijk, toen God tegen hem streed, vers 43. Het is gemakkelijk hen te vertreden, die God tot hun vijand gemaakt hebben, Maleachi 4:3.
II. Hoe de overwinning voortgezet werd en gebruikt in een militaire strafoefening aan deze zondaars tegen hun eigen ziel.
1. Gibea zelf, het nest van de ongebondenheid, werd in de eerste plaats verwoest. De achterlage, die bij verrassing in de stad kwam, trok recht door, dat is: verspreidde zich in verschillende delen er van hetgeen hun gemakkelijk viel nu al de krijgslieden naar buiten getrokken waren, en haar achteloos zonder bescherming hadden gelaten, en zij sloegen allen, die zij vonden, zelfs de vrouwen en kinderen met de scherpte des zwaards, vers 37, en steken de stad in brand, vers 40. De zonde brengt verderf over de steden.
2. Het heir op het veld werd volkomen geslagen en gedood, achttien duizend strijdbare mannen lagen daar dood uitgestrekt, vers 44.
3. Zij, die van het slagveld ontkwamen, werden vervolgd, en gedood op hun vlucht, tot een getal van zeven duizend. Het is tevergeefs om de Goddelijke wraak te willen ontvluchten. Het kwaad vervolgt de zondaars, en zal hen achterhalen.
4. Zelfs zij, die tehuis bleven, waren in het verderf besloten. Zij lieten hun zwaard eeuwiglijk verteren, niet bedenkende dat het in het laatste bitterheid zal zijn, zoals lang daarna Abner zei, waarschijnlijk met het oog op deze geschiedenis, toen hij aan het hoofd was van een leger van Benjaminieten, 2 Samuël 2:25,26. Zij doodden alles wat ademde, en staken alle steden in brand, vers 48 Zodat voorzoveel blijkt, van de gehelen stam van Benjamin slechts zes honderd man in het leven bleven die een toevlucht hadden gezocht op de rotssteen van Rimmon, waar zij vier maanden bleven, vers 47.
a. Het is moeilijk deze strengheid te rechtvaardigen, daar zij Israëls daad was. De gehele stam van Benjamin was schuldig, maar moeten zij daarom als de Kanaänieten behandeld worden? Dat het gedaan werd in de hitte van de krijg-dat dit de manier was om overwinningen voort te zetten, waaraan Israëls zwaard gewoon was-dat de Israëlieten ten uiterste verbitterd waren op de Benjaminieten wegens de slachting, die zij in de twee vorige veldslagen onder hen hadden aangericht-zal slechts weinig de wreedheid van deze strafvoltrekking kunnen verontschuldigen. Het is waar, zij hadden gezworen dat wie niet ter vergadering tot de Heere te Mizpa zou opkomen, gedood zou worden, Hoofdstuk 21:5, maar indien deze eed al te rechtvaardigen was, dan strekte hij zich toch alleen uit tot de krijgslieden, de overigen werden er niet verwacht. Maar:
b. Het is gemakkelijk er de hand Gods in te rechtvaardigen. Benjamin had tegen Hem gezondigd, en God had gedreigd dat zij, indien zij Hem vergaten, "vergaan zouden gelijk de heidenen, die de Heere voor hun aangezicht verdaan heeft", Deuteronomium 8:20. Het is ook gemakkelijk om het te gebruiken als waarschuwing tegen het begin van de zonde, zij is als een, die het water opening geeft, daarom: verlaat haar eer zij zich vermengt, want wij weten niet wat er het einde van zijn zal. Het eeuwig verderf van de zielen zal erger zijn en meer schrikkelijk dan al die verwoesting van een stam. Van deze zaak van Gibea wordt tweemaal door de profeet Hosea gesproken als het begin van het bederf van Israël, en een voorbeeld van alles wat volgde, Hosea 9:9. "Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea" en Hosea 10:9. "Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd", en er wordt bijgevoegd dat "de strijd te Gibea tegen de kinderen van de verkeerdheid hen niet" -dat is: niet dadelijk-"zal aangrijpen".