Jozua 8:1-2
Israël was zeer gelukkig zo'n bevelhebber te bezitten als Jozua was, maar Jozua was nog meer gelukkig zo'n leider te hebben als God zelf was. Als er een moeilijkheid ontstond, dan behoefde hij geen krijgsraad te beleggen, wie God zo nabij was, niet slechts om op zijn vragen te antwoorden, maar om ze te voorkomen. Jozua scheen nu ten einde raad te wezen hij was nog rauwelijks bekomen van de ontsteltenis, welke door Achans beroering over hem gekomen was, en hij kon er niet zonder vrezen en beven aan denken om voorwaarts te gaan, uit vrees dat er nog een Achan in het leger zou zijn. Toen sprak God tot hem, hetzij, evenals tevoren, in een visioen, Hoofdstuk 5, als een krijgsman met een uitgetogen zwaard, of door de borstlap des gerichts. Als wij getrouw en oprecht de zonde, deze gevloekte zaak, die scheiding maakt tussen God en ons hebben weggedaan, dan en niet eerder kunnen wij verwachten van God te horen tot onze vertroosting, en als Hij ons leidt en bestuurt in onze Christelijken arbeid en strijd, dan is dit een goed bewijs, dat Hij met ons verzoend is. Let hier op:
I. Hoe God Jozua aanmoedigt om voort te gaan. "Vrees niet en ontzet u niet", vers 1. Dit geeft te kennen dat de zonde van Achan met de gevolgen er van een zeer grote ontmoediging is geweest voor Jozua, en zijn hart schier heeft doen bezwijken. Bederf in de kerk verslapt de handen en slaat de moed terneer van haar voorgangers en helpers, veel meer dan tegenstand van buiten, verraderlijke Israëlieten zijn meer te vrezen dan boosaardige Kanaänieten. Maar God zegt aan Jozua niet verslagen te zijn, dezelfde macht, die Israël er voor bewaart om door zijn vijanden verslagen en verdaan te worden, zal hen er ook voor bewaren om zichzelf in het verderf te storten. Om hem te bemoedigen:
1. Verzekert Hij hem wèl te zullen slagen tegen Ai. Hij zegt hem, dat die plaats geheel de zijne is, in zijn handen zal overgegeven worden, maar hij moet haar aannemen als Gods gave: Ik heb haar in uw hand gegeven, waardoor hem beide het recht er op en de bezitting er van verzekerd worden, en het zijn plicht is om van beide Gode de eer te geven, Psalm 44:4.
2. Vergunt Hij het volk van de buit voor henzelf te nemen. Hier was de buit niet, zoals die van Jericho, aan God gewijd, en daarom was er geen gevaar dat zij hier de overtreding zullen begaan, die zij daar begaan hadden.
Merk op: Achan, die naar de verboden buit greep, verloor met die buit nog zijn leven en alles wat hij had, maar de overigen van het volk, die nauwgezet zich onthouden hadden van het verbannene te nemen, werden spoedig beloond voor hun gehoorzaamheid met de buit van Ai, het middel om het genot te hebben van hetgeen God ons toestaat, is af te laten van hetgeen Hij ons verbiedt. Niemand zal iets verliezen door zelfverloochening, laat God eerst hebben wat Hem toekomt, dan zal alles ons rein en zeker wezen, 1 Koningen 17:13 . God heeft hen niet naar grote en goede steden en huizen vol van alle goed gebracht, om hen te tantaliseren met het gezicht van hetgeen zij niet mochten aanraken, maar de eerstelingen van Jericho ontvangen hebbende, mochten zij de roof van Ai en van al de steden, die hun voortaan in handen zullen vallen, voor zichzelf nemen.
II. De aanwijzing, die Hij hem geeft voor zijn aanval op Ai. Dat moet niet zo'n werk van tijd wezen als de aanval op Jericho geweest is, want dat zou de strijd te lang gerekt hebben, aan hen, die zeven dagen geduldig op Jericho gewacht hebben, zal Ai in één dag gegeven worden. Die stad moest hun ook niet door een wonder in handen komen, zuiver en alleen door de werking Gods, nu moeten hun eigen moed en beleid in het werk worden gesteld. God voor hen hebbende zien werken, moeten zij nu zelf hun krachten inspannen. God zegt hem:
1. Al het volk mee te nemen, opdat zij toeschouwers zijn van de krijgsverrichting, en delen zullen in de roof. Hiermede gaf God hem stilzwijgend een bestraffing wegens zijn zenden van zo klein een bende naar Ai bij zijn eerste poging om die stad te vermeesteren, Hoofdstuk 7:4.
2. Een achterlage te stellen tegen de stad. Dit was een methode van strijd voeren, waaraan Jozua toen niet gedacht zou hebben, indien God haar hem niet had voorgeschreven, en hoewel wij thans geen leiding en bestuur moeten verwachten, zoals hier, door visioenen, stemmen en orakelen, moet toch erkend worden dat wanneer zij, aan wie de zorg voor het openbare welzijn is toevertrouwd, wijze maatregelen nemen, God ze hun in het hart heeft gegeven, Hij, die de landman onderricht van de wijze, onderricht voorzeker ook de staatsman en de veldheer.