Richteren 19:22-30
I. Hier is de grote goddeloosheid van de mannen van Gibea. Men zou zich niet kunnen voorstellen, dat het ooit zou opkomen in het hart van mannen, die het gebruik hebben van menselijk verstand, van Israëlieten, die het voorrecht hadden, dat hun een Goddelijke openbaring was geschonken, om zo'n slechtheid te bedrijven. "Heere, wat is de mens!" zei David, welk een gering schepsel is hij!" "Heere, wat is de mens!" zo kunnen wij zeggen bij het lezen van deze geschiedenis, "welk een laag schepsel is hij, als hij zich overgeeft aan de lusten en begeerten van zijn hart!
1. De zondaren worden hier Belialskinderen genoemd, dat is: mensen die zich niet wilden laten regeren, zich aan geen juk wilden onderwerpen. Kinderen des duivels, want hij is Belial, hem gelijkende en zich met hem verenigende in opstand tegen God en Zijn regering. Kinderen Benjamins, van wie Mozes gezegd had: "De beminde des Heeren, hij zal zeker bij Hem wonen," Deuteronomium 33:12, zijn zulke Belialskinderen geworden, dat een eerlijk man niet veilig onder hen kan overnachten.
2. De lijders waren een Leviet en zijn vrouw, en de vriendelijke man, die hun gastvrijheid verleende. Wij zijn vreemdelingen op aarde, en moeten er een vreemde behandeling verwachten. Er wordt gezegd dat zij hun hart vrolijk maakten, toen dit leed hun overkwam, vers 22. Als de vrolijkheid onschuldig was, dan leert het ons hoe weinig wij rekenen kunnen op het voortduren van onze genietingen op aarde, als wij veel genoegen hebben in onze vrienden, weten wij niet hoe nabij onze vijanden zijn, en als wij welvarend zijn in dit uur kunnen wij geheel niet zeker zijn dat wij het ook in het volgende uur zullen wezen. Indien de vrolijkheid zondig en overmatig was, zo laat het ons een waarschuwing zijn, om streng en nauwkeurig over onszelf te waken, opdat wij niet onmatig worden in het gebruik van geoorloofde dingen, en onze vrolijkheid niet overgaat in onbetamelijkheid, want "het laatste van die blijdschap is droefheid." God kan spoedig de toon veranderen van hen, wier hart vrolijk is, en hun lachen in treuren veranderen, en hun blijdschap in droefheid.
Laat ons zien, waarin de goddeloosheid van die Benjaminieten bestond.
A. Zij deden in de nacht een ruwe, onbeschaamde aanval op de woning van een eerlijk man, die niet slechts vreedzaam onder hen leefde, maar een goed huis hield, een zegen en een sieraad was voor hun stad. Zij omsingelden het huis tot grote schrik van hen, die er in waren, en klopten zo hard zij konden op de deur, vers 22. Het huis van een man is zijn kasteel, waarin hij veilig en rustig moet zijn, en waar wetten zijn, staat het onder de bijzondere bescherming er van. Maar er was geen koning in Israël om de rust te bewaren, en eerlijke lieden tegen de kinderen van het geweld te beveiligen.
B. Zij hadden een bijzondere wrok tegen de vreemdelingen, die zich in hun poorten bevonden, en slechts een nachtverblijf onder hen begeerden, tegen de wetten van de gastvrijheid in, die alle beschaafde volken heilig achten, en waarop de heer des huizes zich bij hen beriep, vers 23, naardien deze man in mijn huis gekomen is. Het zijn mensen van een laag en verachtelijk bestaan, die de hulpelozen willen vertreden, en iemand mishandelen omdat hij een vreemdeling is, van wie zij toch geen kwaad weten. C. Zij zijn voornemens om de Leviet op de vuilste en afschuwelijkste wijze (waaraan men niet zonder afschuw en verfoeiing denken kan) te mishandelen, daar zij misschien gezien hadden dat hij jong en welgemaakt was Breng hem uit, opdat wij hem bekennen. Wij zouden stellig gedacht hebben dat zij slechts bedoelden te vragen vanwaar hij kwam. Teneinde iets omtrent zijn aard en karakter te weten te komen, indien de goede heer des huizes, die hun bedoeling maar al te goed begreep, ons door zijn antwoord niet liet weten, dat zij de bevrediging op het oog hadden van die uiterst onnatuurlijke en erger dan dierlijke lust, die uitdrukkelijk door de wet van Mozes was verboden, en "een gruwel" genoemd wordt, Leviticus 18:22. Zij, die er aan schuldig zijn, worden in het Nieuwe Testament onder de ergste en snoodste van de zondaren gerangschikt, 1 Timotheus 1:10, en gezegd de zodanigen te zijn, die "het koninkrijk Gods niet zullen beërven," 1 Corinthiers 6:9. Dit nu was:
a. De zonde van Sodom en vandaar sodomie genoemd. De Dode Zee, die het blijvend gedenkteken was van Gods wraak over Sodom vanwege haar onreinheid, was een van de grenzen van Kanaän, en lag op niet vele mijlen afstands van Gibea. Wij kunnen onderstellen dat de mannen van Gibea haar dikwijls gezien hadden, en toch wilden zij er zich niet door laten waarschuwen, maar deden erger dan Sodom, Ezechiël 16:47, en zondigden "in de gelijkheid van hun overtreding." Wie zou verwacht hebben, zegt bisschop Hall, dat zo'n gruwel uit de lenden van Jakob zou voortkomen? De ergste heidenen waren, bij hen vergeleken, nog heiligen. Wat baatte het hun dat zij de ark Gods te Silo hadden, als zij Sodom hadden in hun straten, Gods wet in de snoertjes hunner klederen, maar de duivel in hun hart? Niets dan de hel kan een erger schouwspel voortbrengen, dan een verdorven Israëliet.
b. Dit was de straf hunner afgoderij, de zonde, waartoe zij het meest geneigd waren. Omdat "het hun niet goed gedacht heeft, God in erkentenis te houden, zo heeft God hen overgegeven in een verkeerden zin om te doen dingen, die niet betamen, door welke zij zichzelf onteerden, zoals zij door hun afgoderij Hem onteerd hadden, en de heerlijkheid des onverderflijken Gods veranderd hebben in de gelijkenis van iets dat verderflijk is" Romeinen 1:23, 28. Zie en bewonder in dit voorbeeld de lankmoedigheid Gods, waarom werden deze Belialskinderen niet, evenals de Sodomieten, met blindheid geslagen? Waarom regende het geen vuur en zwavel uit de hemel op hun stad? Het was omdat God het aan Israël wilde overlaten hen te straffen door het zwaard, en Zijn eigen straf over hen wilde bewaren voor de toekomende staat, waar zij, "die ander vlees nagaan, de straf des eeuwigen vuurs zullen ondergaan," Judas: 1:7.
D. Zij waren doof voor de bestraffingen en redeneringen van de goede heer des huizes die, naar wij kunnen onderstellen, wel bekend was met de geschiedenis van Lot en de Sodomieten, de mannen van deze stad de Sodomieten ziende navolgen, er zich toe begaf om Lot na te volgen, vers 23, 24. Vergelijk Genesis 19:6-8. Evenals Lot ging hij tot hen uit, sprak hen beleefd aan, noemde hen broeders, verzocht hun af te laten, pleitte op de bescherming van zijn huis, waaronder zijn gasten zich bevonden, en hield hun de grote goddeloosheid voor van hun voornemen. "Doet toch zo kwalijk niet." Hij noemt het een dwaasheid. Maar in een ding wilde hij al te veel Lots voorbeeld volgen, (gelijk wij maar al te licht in ons navolgen van Godvruchtige mensen, hen zelfs in hun verkeerdheden navolgen) door hun zijn dochter aan te bieden om met haar te doen wat zij wilden. Hij heeft het recht niet om aldus zijn dochter te prostitueren, en hij had dit kwaad niet moeten doen opdat er goed uit zou voortkomen. Maar dit zijn slechte voorstel kan ten dele verontschuldigd worden vanwege de grote angst, waarin hij verkeerde, zijn zorg voor zijn gasten, en zijn al te veel achtgeven op wat Lot in een gelijk geval gedaan heeft, inzonderheid wijl hij niet bevond dat de engelen die bij hem waren, hem er voor bestraft hebben. En misschien hoopte hij dat zijn melding maken hiervan als een meer natuurlijke bevrediging van hun lusten, hen terug zou gezonden hebben naar hun gewone hoeren. Maar zij wilden naar hem niet horen, vers 25. Hardnekkige lusten en begeerlijkheden zijn als de dove adder, die haar oor stopt, zij schroeien het geweten toe en maken het ongevoelig.
E. Zij kregen de vrouw van de Leviet in hun midden en mishandelden haar tot zij ervan stierf, vers 25. Zij sloegen geen acht op het aanbod van de oude man om hun zijn dochter prijs te geven, hetzij omdat zij niet mooi was, of omdat zij haar kenden als een vrouw van grote waardigheid en ingetogenheid, maar toen de Leviet hun zijn bijwijf bracht, voerden zij haar met geweld naar de plaats, bestemd voor de volvoering hunner gruweldaad. In zijn verhaal van deze geschiedenis stelt Josephus haar voor als de persoon, waarop zij het gemunt hadden toen zij het huis omsingelden en zegt niets van hun schurkachtige bedoeling met de Leviet zelf. Zij zagen haar, zegt hij, in de straat, toen zij in de stad kwamen en waren getroffen door haar schoonheid, en hoewel zij met haar man verzoend was, zag zij er misschien toch niet uit als iemand van grote zedigheid, velen brengen onheil van die aard over zichzelf door hun loszinnige houding en gedrag, een kleine vonk kan een groot vuur aansteken. Men zou denken dat de Leviet hen gevolgd was, om te zien wat er van zijn vrouw zou worden, maar waarschijnlijk durfde hij niet uit vrees dat zij hem kwaad zouden doen. In het treurig einde van deze vrouw kunnen wij de rechtvaardige hand Gods zien, haar straffende voor haar vroegere onreinheid, toen zij hoereerde en van haar man wegtoog, vers 2. Hoewel haar vader haar gesteund had, en haar man haar vergiffenis had geschonken, en haar misdaad, nu de twist geëindigd was, was vergelen heeft God haar tegen haar gedacht, toen Hij die goddeloze mannen toeliet haar zo ellendig te mishandelen, en, hoe onrechtvaardig zij ook waren, de Heere was er rechtvaardig in. Hare straf beantwoordde aan haar zonde, "culpa libido fuit, poena libido uit vleselijke lust was haar zonde, en vleselijke lust was haar straf." Volgens de wet van Mozes had zij voor haar overspel ter dood gebracht moeten worden, zij ontkwam aan die straf van de mensen, maar de wraak vervolgde haar, want er was wel geen koning in Israël, maar er was toch een God in Israël, een God, die recht doet op de aarde. Wij moeten het niet voldoende achten om verzoend te zijn met de mensen, die wij door onze zonden hebben verongelijkt of benadeeld, maar door bekering en geloof verzoend worden met God, die niet ziet zoals de mensen zien, en de zonde niet zo richt echt als de mensen haar achten. De gerechtigheid Gods in deze zaak vermindert of verzacht in geen enkel opzicht de gruwelijke boosheid van de mannen van Gibea, niets kon meer barbaars en onmenselijk zijn.
II. Hoe van deze goddeloosheid aan al de stammen Israëls kennis werd gegeven. De arme mishandelde vrouw begaf zich naar het verblijf van haar echtgenoot zodra het aanbrekende daglicht de Belialskinderen noodzaakte haar te laten gaan (want deze werken van de duisternis haten en vrezen het daglicht) vers 25. Zij viel neer aan de deur met haar handen op de drempel, vergeving vragende (als het ware) voor haar vroegere zonde, en in die houding van een boetvaardige, met haar mond in het stof, stierf zij. Daar vond hij haar, vers 26,27, dacht dat zij sliep, of wel overstelpt was van smart en schaamte om wat haar wedervaren was, maar weldra bemerkte hij dat zij dood was, vers 28. Hij hief haar dood lichaam op dat, naar wij kunnen onderstellen, overal de tekenen droeg van de handen, de slagen en andere mishandelingen, die haar aangedaan waren. In die droeve omstandigheid liet hij zijn voornemen varen om naar Silo te gaan maar begaf zich regelrecht naar zijn huis. Hij, die uitging in de hoop van blijde en gelukkig te zullen terugkeren, kwam treurig en mistroostig in zijn woning, zat neer, en dacht: "Is dit een onrecht, dat voorbijgezien mag worden?" Hij kan niet om vuur van de hemel roepen om de mannen van Gibea te verteren zoals de engelen gedaan hebben, die op dezelfde wijze door de Sodomieten beledigd waren. Er was geen koning in Israël, noch (voorzoveel blijkt) een sanhedrin of grote raad, om er zich op te beroepen, of om recht aan te vragen. Pinehas is hogepriester, maar hij houdt zich ijverig bezig met de zaken van het heiligdom en zal geen rechter of scheidsman willen zijn, er blijft hem dus niets andere over dan een beroep op het volk, laat de gemeenschap rechtspreken. Hoewel zij geen geregelde algemene vergadering hadden van al de stammen, heeft toch iedere stam waarschijnlijk wel een bijeenkomst gehad van zijn hoofden. En nu zendt hij door bijzondere boden aan ieder van de stammen in hun bijeenkomst een bericht van het onrecht dat hem geschied was, met al de verzwarende omstandigheden, en met een deel van het dode lichaam van zijn vrouw, vers 29, zowel om de waarheid van het bericht te bevestigen, als om er zoveel dieper indruk door teweeg te brengen. Hij verdeelde het in twaalf delen, overeenkomstig de beenderen, zoals de lezing is van sommigen, dat is: naar de gewrichten, aan elke stam een zendende, zelfs aan die van Benjamin, in de hoop dat sommigen onder hen bewogen zouden worden, om zich met de anderen te verenigen in het straffen van zo groot een misdaad, en dat wel met te meer ijver, omdat zij begaan werd door lieden van hun eigen stam. Het scheen wel heel barbaars om aldus een dood lichaam te verminken, dat reeds zo gruwelijk onteerd was, en tenminste een eerlijke begrafenis had moeten hebben. Maar de leviet bedoelde hiermede:
1. Hun barbaarse behandeling van zijn vrouw te doen zien, voor wie het beter geweest zou zijn als zij haar aldus in stukken hadden gesneden, dan haar te behandelen zoals zij gedaan hadden.
2. Uitdrukking te geven aan zijn eigen diepe smart en verontwaardiging, en die ook bij hen op te wekken.
En het had de gewenste uitwerking. Allen, die de stukken van het dode lichaam zagen en vernamen hoe de zaak gelegen was, hebben er hetzelfde gevoelen over te kennen gegeven.
A. Dat de mannen van Gibea zich aan een ontzettende misdaad hebben schuldig gemaakt zoals nog nooit in Israël was voorgekomen, vers 30. Het was een samengestelde misdaad, bezwaard door allerlei gruwelijke omstandigheden. Zij waren niet zo dwaas om deze zonde gering te achten, of om er zich met een grap af te maken.
B. Dat een algemene vergadering van heel Israël samengeroepen moest worden, om te beraadslagen wat er gedaan moest worden om deze goddeloosheid te straffen, en een dam op te werpen tegen deze dreigende overstroming van losbandigheid, opdat de toorn Gods niet over het gehele volk zou worden ontstoken. Het is geen gewoon voorval, en daarom wekken zij elkaar op om bij deze gelegenheid samen te komen. en hun hart daarop te stellen, raad te geven en te spreken. Wij hebben hier de drie grote regels, waarnaar zij, die in de raad zitten, te werk moeten gaan bij iedere moeilijke zaak.
a. Laat ieder tot zichzelf inkeren bij zichzelf de zaak onpartijdig en ten volle nagaan, er met ernst en kalmte over denken, zonder vooroordeel jegens welke partij het ook zij, eer hij er over spreekt.
b. Laat hen haar vrij bespreken, laat ieder de raad inwinnen van zijn vriend, zijn mening te weten komen, met de redenen, die hij er voor heeft, en die dan overwegen. c. Laat daarna ieder zijn gevoelen uitspreken, en naar de inspraak van zijn geweten zijn stem uitbrengen. In de veelheid van zulke raadslieden is behoud.