Richteren 13:8-14
Wij hebben hier een bericht van een tweede bezoek van de engel aan Manoach en zijn huisvrouw.
I. Manoach heeft er vurig om gebeden, vers 8. Het was niet dat hij geen geloof sloeg aan het verhaal, dat zijn vrouw hem had gedaan, hij wist dat zij een deugdzame vrouw was, en daarom vertrouwt het hart van haar man op haar. Hij wist dat zij hem niet zou willen bedriegen, en nog veel minder was hij, zoals Josephus hem onwaardig voorstelt, jaloers op zijn vrouw wegens haar gesprek met deze vreemdeling, maar
1. Hij houdt het voor waar, dat dit kind van de belofte hun ter bestemder tijd gegeven zal worden, en spreekt zonder aarzeling van het jongsken, dat geboren zal worden. Zo'n groot geloof werd niet gevonden, zelfs niet in Zacharias, een priester, die het priesterambt aan het altaar des Heeren bediende toen de engel hemzelf verscheen, als er in deze Daniet gevonden werd. Wat verborgen is voor de wijzen en verstandigen, die zich laten voorstaan op het nauwkeurige van hun onderzoek, wordt dikwijls geopenbaard aan kinderen, die Gods gaven weten te waarderen, en God op Zijn woord geloven. Zalig zijn zij die niet zullen gezien hebben, en nochtans, zoals Manoach hier zullen geloofd hebben.
2. Al zijn zorg gaat hierover: hoe te doen met het kind, dat geboren zal worden. Godvruchtige mensen zijn meer bezorgd omtrent hun plicht, meer begerig die te kennen, dan de gebeurtenissen te kennen, die hen betreffen, want het is onze plicht, aan God zijn de gebeurtenissen. Salomo speurde na, dat is, deed onderzoek naar het goed, dat de mensen zullen doen, niet naar het goed dat zij zullen hebben. Prediker 2:3.
3. Daarom bidt hij God om dezelfde gezegende bode nogmaals te zenden ten einde hem nadere instructies te geven betreffende hun leiding van deze nazireër, vrezende dat zijn vrouw, in haar blijdschap over deze belofte, misschien iets betreffende het gebod vergeten kon hebben, ten opzichte waarvan hij volkomen ingelicht wenste te worden, om in geen dwaling daarover te wezen. "Heere, dat toch de man Gods weer tot ons kome, want wij verlangen beter bekend met hem te worden." Zij, die van de hemel gehoord hebben, kunnen niets anders dan verlangen er meer van te horen, telkens en nogmaals de naam Gods te ontmoeten. Merk nu op: Hij gaat niet uit, noch zendt hij zijn dienaren uit, om naar deze man Gods te zoeken, neen, hoe zoekt hem op zijn knieën, bidt God hem te zenden, en, aldus zoekende, vindt hij hem. Wensen wij Gods boodschappers te hebben, de bedienaren van Zijn Evangelie, om ons een woord te brengen dat voor ons geschikt is, en tot onze onderwijzing? Bidt de Heere hen tot ons te zenden en ons te onderwijzen, Romeinen 15:30, 32.
II. God heeft zijn gebed genadig verhoord, vers 9. God verhoorde de stem van Manoach. God zal niet in gebreke blijven om, op de een of andere wijze, diegenen te leiden door Zijn raad, die oprecht verlangen hun plicht te kennen, en zich tot Hem wenden om onderwezen te worden, Psalm 25:8, 9.
1. Ook de tweede maal verschijnt de engel aan de vrouw als zij alleen is, waarschijnlijk bezig met de kudde te verzorgen of op een andere wijze bezig zijnde in het veld, waar zij zich teruggetrokken had. Eenzaamheid is dikwijls een goede gelegenheid om gemeenschap te oefenen met God, vrome mensen hebben zich nooit minder eenzaam gevoeld dan wanneer zij alleen waren, zo God dan met hen was.
2. In allerijl gaat zij haar man roepen, nadat zij ongetwijfeld deze gezegenden bode nederig gebeden heeft om te blijven, totdat zij met haar man terugkwam, vers 10, 11. Zij verlangde niet van hem om met haar naar haar echtgenoot te gaan, maar wil haar echtgenoot halen om tot hem te komen. Zij, die God willen ontmoeten, moeten heengaan naar de plaats waar het Hem behaagt zich te openbaren. "0", zegt zij, in verrukking van blijdschap, "o mijn geliefde, uw gebed is verhoord, ginds is de man Gods, hij is gekomen om ons nog een bezoek te brengen, dewelke op die dag tot mij kwam, of, zoals sommigen de tekst lezen die op deze dag tot mij kwam, want het is waarschijnlijk, dat beide bezoeken op dezelfde dag plaatshadden, en ook op dezelfde plaats, en dat zij hem verwachtte, toen hij voor de tweede maal kwam. De man Gods wil zeer gaarne, dat zij haar echtgenoot zal roepen, Johannes 16. Zij, die zelf bekend zijn geworden met de dingen Gods, moeten anderen uitnodigen om er ook kennis mee te maken, Johannes 1:45, 46. Manoach is er niet misnoegd om dat de engel nu niet bij dit tweede bezoek aan hemzelf verschenen is, maar gaat bereidwillig zijn vrouw na tot de man Gods. Om vergoeding te doen, als het ware, voor de eerste noodlottigen misstap, toen Eva er bij Adam op aandrong om te doen wat kwaad was, en hij haar maar al te gemakkelijk toegaf, moeten echtgenoten elkaar opwekken het goede lief te hebben en te volgen, en zo de vrouw hierin wil voorgaan, moet de man dat niet minder voor zich achten, om haar te volgen in hetgeen deugdzaam en prijzenswaardig is.
3. Manoach, tot de engel gekomen zijnde, en door hem overtuigd geworden zijnde dat hij dezelfde was, die aan zijn vrouw was verschenen:
A. Heet in alle ootmoed de belofte welkom, vers 12. Nu, dat uw woorden komen. Dit was de taal, niet slechts van zijn begeerte, maar van zijn geloof, evenals van de gezegende moedermaagd, Lukas 1:38, "Mij geschiede naar uw woord. Heere, ik houd mij aan hetgeen Gij mij gezegd hebt, en reken er op, dat Uwe woorden komen."
B. Verzoekt dat de gegeven voorschriften herhaald mogen worden: Wat zullen wij dat jongsken doen? De bevelen, de voorschriften, waren aan zijn vrouw gegeven, maar hij acht het zijn plicht haar bij te staan in de zorgvuldige besturing en behandeling van dit beloofde zaad, want de uiterste zorg van beide ouders en hun verenigde pogingen zijn nog weinig genoeg, om aangewend te worden ter leiding en besturing van kinderen, die aan God gewijd zijn en voor Hem opgevoed moeten worden. Laat niet de een het op de ander schuiven, maar laat beiden hun best doen. In de vraag van Manoach valt op te merken:
a. In het algemeen dat, wanneer het God behaagt ons een zegen te schenken, het onze grote zorg moet wezen, om hem wèl te besteden, hem goed en naar behoren te gebruiken, omdat hij dan alleen een wezenlijke zegen is, als hij goed wordt aangewend. God heeft ons een lichaam, een ziel, bezittingen gegeven, wat zullen wij er mee doen, teneinde te beantwoorden aan de bedoeling van de Gever, en er goede rekenschap van te kunnen geven?
b. In het bijzonder. Zij, aan wie God kinderen heeft gegeven, hebben zeer zorgzaam te zijn in hun behandeling van hen, in hetgeen zij met hen doen, opdat zij de dwaasheid uitdrijven, die in hun hart gebonden is, en hun gemoed en hun manieren vormen en hen de eerste beginselen leren naar de eis van hun weg. Godvrezende ouders zullen hiervoor om de hulp Gods bidden. Heere, leer ons hoe met onze kinderen te handelen, opdat zij nazireërs mogen zijn en levende offeranden aan U."
4. De engel herhaalt de bevelen, die hij tevoren gegeven had, vers 13, 14. Van alles, dat ik verboden heb, zal zij zich wachten, en al wat ik haar geboden heb, zal zij onderhouden. Er is voor een goede leiding, zowel van onszelf als van onze kinderen, zeer veel omzichtigheid nodig, en zeer veel nauwkeurig opmerken. Hoed u, en neem waar, wacht u niet alleen van wijn en sterke drank te drinken, maar ook van iets onreins te eten, of iets dat van de wijnstok komt. Zij, die wensen zich rein te bewaren, moeten zich verre houden van alles, dat naar zonde zweemt of er toe leiden kan. Toen zij zwanger was van een nazireër, moest zij niets onreins eten, zo moeten zij, in wie Christus een gestalte heeft verkregen, zich zorgvuldig reinigen van alle besmettingen des vleses en des geestes en niets doen, dat voor de nieuwe mens schadelijk kan wezen.