Prediker 6:7-10
De prediker toont hier nog verder de ijdelheid en dwaasheid aan om op werelds goed op te hopen, en er geluk van te verwachten.
1. Hoe hard wij ook werken in de wereld en wat wij er uit halen, wij kunnen er voor onszelf toch niet meer dan onderhoud van verkrijgen, vers 7. Al de arbeid van de mens is voor zijn mond, die het van hem vraagt, zich voor hem buigt, Spreuken 16:26, het is slechts voedsel en klederen, wat er meer is, hebben anderen, niet wij, het is alles voor de mond, spijzen zijn slechts voor de buik, en de buik is voor de spijzen, er is niets voor het hoofd en het hart, niets om de ziel te voeden en te verrijken. Een weinig is genoeg om ons naar behoren te onderhouden, en zeer veel ken niet meer doen dan dat.
2. Zij, die nog zoveel hebben, verlangen nog altijd naar meer, laat iemand nog zo hard werken voor zijn mond, nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.
a. De natuurlijke begeerten komen nog terug, zijn nog altijd dringend, een mens kan heden op een feestmaal onthaald worden, en morgen toch weer hongerig zijn.
b. Wereldse, zondige begeerten zijn onverzadiglijk, Hoofdstuk 5:10. Voor een wereldling is rijkdom als drank voor een waterzuchtige, die de dorst slechts doet toenemen. Sommigen lezen het gehele vers aldus: Al zou iemands arbeid ook geheel naar zijn genoegen uitvallen, al zou het zijn zoals hij het wil hebben, is toch aan zijn begeerte niet voldaan, hij zou nog iets meer willen.
c. De begeerten van de ziel vinden in de rijkdom van de wereld niets, dat haar voldoening geeft, de ziel is niet vervuld, zo luidt het oorspronkelijke. Toen God aan Israël hun begeerte gaf, zond hij een magerheid aan hun zielen, Psalm 106:15. Hij was een dwaas, die, toen zijn schuren vol waren, zei: Ziel, neem rust.
3. Een dwaas kan evenveel wereldlijk goed hebben en er evenveel van genieten als een wijze, en er misschien niet zo de kwelling van gevoelen: Wat heeft de wijze meer dan de zot? Hij heeft misschien niet zo'n goede bezitting, zo'n goed bedrijf, wordt niet tot zulke goede posten bevorderd als de dwaas. Ja gesteld eens dat zij gelijke bezittingen hebben, wat kan een wijze, een geleerde, een staatsman meer uit zijn bezitting halen dan hij voor zijn levensbehoeften nodig heeft? Maar dat kan een dwaas ook. Het kan een dwaas even goed gaan als een wijze, hij kan van zijn welvaart evenveel genot hebben, kan zich even goed kleden, en een even goed figuur slaan in het publiek als een wijze, zodat, indien er geen bijzondere genietingen en eer waren voor de geest, die de wijze meer heeft dan de zot, zij zouden ten opzichte van deze wereld aan elkaar gelijk zien.
4. Zelfs een arm man, die een zaak heeft bedachtzaam, ijverig en schrander is in het bestuur ervan, kan even goed en aangenaam door deze wereld komen als hij, die beladen is met een al te grote bezitting. Beschouw eens, ga eens na wat de arme minder heeft dan de rijke, als hij slechts weet te wandelen voor de levenden, zich behoorlijk weet te gedragen en zijn plicht te doen jegens allen, hoe door zijn arbeid een eerlijk stuk brood te verdienen, hoe zijn tijd goed te besteden en gebruik te maken van de gelegenheden, die zich aan hem voordoen. Wat heeft hij? Wel is hij meer bemind en meer geacht onder zijn naaste buren en heeft meer invloed, dan menig rijk man, die schraapzuchtig en hoogmoedig is. Wat heeft hij? Wel, hij heeft evenveel van het gerief, het aangename van dit leven, hij heeft voedsel en kleding, en is daarmee vergenoegd, en aldus is hij even waarlijk rijk, als hij die overvloed heeft.
5. Het genieten van wat wij hebben moet wel erkend worden meer redelijk te zijn, dan een gulzig grijpen naar meer, vers 9. Beter is het aanzien van de ogen, het beste gebruik makende van hetgeen er is, dan het wandelen van de begeerlijkheid, het onrustige wandelen van de ziel naar dingen, die op een afstand zijn, en het haken naar een verscheidenheid van denkbeeldige voldoeningen. Hij, die, al heeft hij ook nog zo weinig, altijd tevreden is, is veel gelukkiger dan hij, die altijd begeert, al heeft hij ook nog zoveel. Wij kunnen niet zeggen: Beter is het aanzien van de ogen, dan het vestigen van de begeerte op God en het rusten van de ziel in Hem. Het is beter te leven door geloof in toekomstige dingen dan te leven door het gevoel, dat alleen bij de tegenwoordige dingen vertoeft, maar beter is het aanzien van de ogen de het afzwerven van de begeerten naar de wereld en de dingen van de wereld, want niets is méér onzeker en méér onbevredigend. Dit wandelen van de begeerlijkheid is ijdelheid en kwelling van de geest, het is op zijn best genomen ijdelheid, indien het begeerde verkregen wordt, dan blijkt het niet te zijn wat wij er ons van voorstelden, maar gewoonlijk zal de wandelende begeerlijkheid teleurgesteld worden, en dan wordt zij kwelling van de geest.
6. Ons lot, hoe dit ook zij, is ons beschikt door de raad Gods, die niet veranderd kan worden, en daarom is het onze wijsheid om ons er mee te verzoenen en er blijmoedig in te berusten, vers 10. Wat geweest is, of, zoals sommigen het lezen, hetgeen is, en evenzo waarschijnlijk ook wat zijn zal, is alreeds genoemd, het is alreeds bepaald en vastgesteld in de voorwetenschap van God, en al onze zorg en moeite kunnen het niet anders maken dan het is, daarom is het dwaasheid te twisten met hetgeen zijn zal zoals het is, en wijsheid om van de nood een deugd te maken. Wij zullen hebben wat God behaagt, en laat dit dan ook ons behagen.
7. Waar wij ook toe mogen komen in de wereld, wat wij ook mogen bereiken, nog zijn wij slechts mensen, en de grootste bezittingen en de hoogste ereambten kunnen ons niet boven de gewone voorvallen van het menselijk leven plaatsen. Wat geweest is en is, dat bedrijvige dier, dat zo'n beweging en zo'n rumoer maakt in de wereld, is alreeds geroemd. Hij, die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn naam gegeven, en het is bekend, dat hij een mens is, dat is zijn naam, bij welke hij zichzelf moet kennen, en het is een verootmoedigende naam Genesis 5:2. Hij noemde hun naam Adam, en al de hunnen hebben dezelfde aard, dezelfde hoedanigheid rode aarde. Al zou een mens zich meester kunnen maken van al de schatten van koningen en landschappen, hij is toch nog slechts een mens, gering, veranderlijk en sterflijk, en ten allen tijde ken hij moeten delen in de rampen, die de mensen gemeen zijn. Het is voor rijke en aanzienlijke mensen goed om te weten en te bedenken, dat zij slechts mensen zijn, Psalm 9:21. Het is bekend dat zij slechts mensen zijn. Hoe zij dit nu ook willen beschouwen, laat hen, zoals de koning van Tyrus, hun hart stellen als Gods hart, toch zijn de Egyptenaren mensen en geen goden, en het is bekend dat zij dit zijn.
8. Hoe ver onze begeerlijkheden ook wandelen, en hoe wij er ons ook op toeleggen om er gelijke tred mee te houden, wij kunnen niet strijden met de goddelijke voorzienigheid, maar moeten ons onderwerpen aan haar beschikkingen, of wij willen of niet. Indien hij mens is, dan kan hij niet rechten met dien, die sterker is dan hij. Het is verwaandheid om Gods handelingen aan te klagen of te beschuldigen, Hem van dwaasheid of ongerechtigheid te beschuldigen, en het is ook volkomen doelloos om over Hem te klagen, want Hij is één van zin, wie zal Hem dan omwenden? Job 23:13. Elihu bevredigt Job door dit onbetwistbare beginsel, dat God meerder is dan een mens, Job 33:12, en daarom kan de mens niet met Hem rechten, noch Zijn oordelen weerstaan, als zij met een opdracht komen. Een mens kan ook door de grootste schatten zich niet beveiligen tegen ziekte en dood, maar heeft er zich aan te onderwerpen.