Prediker 12:8-12
Salomo nadert hier tot het einde, het besluit, hij is er afkerig van om te scheiden voor hij zijn doel bereikt heeft, en bij zijn hoorders, zijn lezers, heeft overmocht, om alleen in God en in hun plicht jegens Hem de voldoening te zoeken, die zij nooit in het schepsel kunnen vinden.
I. Hij herhaalt zijn tekst, vers 8 :
1. Als hetgeen, waarvan hij de waarheid ten volle had aangetoond, en aldus handhaaft hij wat hij in deze leerrede gezegd heeft, en waarin hij zich aan zijn tekst gehouden heeft, en waarin zijn redenen en zijn toepassing volkomen ter zake waren.
2. Als hetgeen hij anderen en zichzelf wenste in te prenten, om het gereed bij de hand te hebben en er bij alle gelegenheden gebruik van te maken, wij zien het dagelijks bewezen, laat het dus dagelijks gebruikt worden, ijdelheid van de ijdelheden, het is al ijdelheid!
II. Wat hij over dit onderwerp door goddelijke leiding en ingeving geschreven heeft, beveelt hij aan in onze ernstige overweging. De woorden van dit boek zijn getrouw en onze aanneming waardig, want
1. Het zijn de woorden van een bekeerling een boeteling, die uit duurgekochte ervaring van de ijdelheid van de wereld kon spreken, en van de dwaasheid om er grote dingen van te verwachten. Hij was prediker, één die teruggebracht was van zijn afdwalingen, thuis was gebracht tot die God, van wie hij was afgevallen. IJdelheid der ijdelheden, zegt de boeteling. Alle ware boetelingen zijn overtuigd van de ijdelheid van de wereld, want zij bevinden dat zij niets doen kan, om hen te bevrijden van de last van de zonde, waarover zij klagen.
2. Het zijn de woorden van een wijze, van een man, die wijzer was dan iemand anders, begiftigd was met een buitengewone mate van wijsheid, er beroemd door was onder zijn naburen, die hem allen zochten om zijn wijsheid te horen, en daarom een bevoegd beoordelaar van deze zaak, hij was niet alleen wijs als vorst, maar wijs als prediker, en predikers hebben wijsheid nodig om zielen te winnen.
3. Hij was iemand, die er zich op toelegde om goed te doen en de wijsheid recht te gebruiken. Omdat hij zelf wijs was, maar wist dat hij zijn wijsheid niet voor zichzelf had, evenmin als hij haar van zichzelf had, leerde hij het volk nog de wetenschap, die hij nuttig had bevonden voor zichzelf, en die hij hoopte ook voor hen nuttig te zullen zijn. Het is het belang van vorsten dat hun volk goed onderwezen is in de godsdienst, en het is geen verkleining voor hen om zelf hen de goede kennis te leren, maar hun plicht is het om hen, wier ambt het is hen te onderwijzen, aan te moedigen en naar hun hart te spreken, 2 Kronieken 30:22. Laat het volk, het gewone volk, niet veracht worden, neen, zelfs niet door de wijste en grootste, hetzij als onwaardig, of als niet instaat om die goede kennis te leren, en zelfs zij, die wel onderwezen zijn, hebben het nodig om nog onderwezen te worden, opdat zij toenemen in kennis.
4. Hij gaf zich zeer veel moeite om goed te doen, bedoelende het volk wetenschap te leren: vergenoegde hij zich niet met hen slechts oppervlakkig te onderwijzen, daar zij toch maar geringe lieden waren, en hij een zeer wijs man was, maar in aanmerking van de hovaardij van de zielen, voor wie hij predikte, en de belangrijkheid van het onderwerp, waarover hij predikte, merkte hij op en onderzocht hetgeen hij las en hoorde van anderen opdat hij, zelf goed onderlegd zijnde, uit zijn schat nieuwe en oude dingen zou kunnen voortbrengen. Hij merkte op, dat is gaf goed acht op wat hij zelf sprak en schreef, en was er keurig en nauwkeurig in, al wat hij deed was doorwrocht.
a. Hij koos de nuttigste manier van te prediken, namelijk door spreuken of korte volzinnen, die gemakkelijker begrepen en onthouden konden worden dan lange en uitgewerkte pericopen.
b. Hij stelde zich niet tevreden met enige weinige spreuken of wijze gezegden om die telkens weer te herhalen, maar hij stelde vele spreuken in orde, een grote verscheidenheid van ernstige redenen ten einde bij elke gelegenheid iets te zeggen te hebben.
c. Hij gaf hun geen opmerkingen, die, om zo te zeggen, voor de hand lagen, vanzelf spraken, maar hij onderzocht en koos dezulken, die verrassend en ongewoon waren. Hij groef in de mijnen van de wetenschap, en raapte niet slechts op wat bovenaan lag.
d. Hij droeg zijn opmerkingen niet voor, zo maar op goed geluk, zoals zij hem voor de geest kwamen, maar stelde ze in orde, rangschikte ze, opdat zij in des te meer kracht en luister zouden verschijnen.
5. Wat hij te zeggen had, kleedde hij in op een wijze, die hij dacht het aangenaamst te zullen zijn. Hij zocht aangename woorden uit te vinden, vers 10. Hij droeg zorg dat een goed onderwerp niet bedorven zou worden door een slechte stijl en door de onsierlijkheid en ongepastheid van de uitdrukkingen. Leraren moeten er zich op toeleggen, niet om grote woorden of fraaie woorden te gebruiken, maar aangename woorden, dezulken die kans hebben om de mensen te behagen tot hun welzijn, tot hun stichting, 1 Corinthiers 10:33. Zij, die zielen willen winnen, moeten er zich op toeleggen om ze te winnen door woorden, die op de juiste manier gesproken worden.
6. Hetgeen hij tot onze onderrichting geschreven heeft is van ontwijfelbare zekerheid, en waar wij op aan kunnen. Het geschrevene is recht en oprecht, in overeenstemming met het wezenlijke gevoelen van de schrijver, woorden van de waarheid, de juiste voorstelling van de zaak zoals zij is. Diegenen zijn zeker niet te zullen verdwalen, die door deze woorden geleid en bestuurd worden. Welk goed zullen aangename woorden ons doen als zij niet recht zijn, geen woorden van de waarheid zijn? De meesten zijn voor zachte dingen, die hen vleien, veeleer dan voor rechte dingen, die hen besturen, Jesaja 30-10, maar voor hen, die zichzelf verslaan en hun eigen waar belang begrijpen, zullen woorden van de waarheid altijd aangename woorden zijn.
7. Wat hij en andere heilige mannen geschreven hebben, zal van groot nut en voordeel voor ons wezen, inzonderheid als het ons ingeprent wordt door de verklaring ervan, vers 11.
Merk hier op:
A. Een dubbel voordeel, dat uit goddelijke waarheden voor ons voortspruit, als zij recht toegepast en gebruikt worden. Zij zijn nuttig tot lering, tot weerlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is. Zij zijn van nut:
a. Om ons aan te sporen tot onze plicht, zij zijn als prikkelen voor de os, die de ploeg trekt, hem voorwaarts drijvende als hij traag is, en hem opwekkende om zijn tred te verhaasten. De waarheden Gods doorsteken of doorpriemen het hart des mensen, Handelingen 2:37 en brengen hen tot nadenken als zij beuzelen of achterlijk zijn, om zich dan met meer kracht toe te leggen op hun werk. Zolang onze goede genegenheden zo licht verflauwen en verkoelen, hebben wij behoefte aan deze prikkels.
b. Om ons aan te sporen tot volharding in onze plicht, zijn zij voor hen, die wankelen en onstandvastig zijn, gelijk spijkers om hen te bevestigen in het goede, zij zijn gelijk de prikkelen voor hen, die loom en traag zijn en achterwaarts gaan, en gelijk nagels voor hen, die onbestendig zijn en ter zijde afwijken, middelen om het hart vast te maken en goede besluiten te bevestigen, opdat wij niet los zijn van onze plicht en er nooit van afgetrokken worden, maar opdat hetgeen goed in ons is, als een spijker zij in een vaste plaats, Jesaja 22:23.
B. Een dubbele manier om goddelijke waarheden mee te delen.
a. Door de Schriften, als de blijvende regel, de woorden van de wijzen, van de profeten, die wijzen genoemd worden, Mattheus 23:34. Dezen hebben wij in zwart op wit, en wij hebben er ten allen tijde toegang toe, en wij kunnen ze gebruiken als prikkels en nagelen, door hen kunnen wij onszelf onderrichten, laat die slechts met scherpte en kracht tot de ziel komen, laat de indrukken ervan diep en duurzaam zijn dan zullen zij ons wijs maken tot zaligheid.
b. Door de bediening des Woords, de prediking. Om de woorden van de wijzen van meer nut en gewin voor ons te maken, is er bepaald dat zij ons ingeprent zullen worden door de meesters van de verzamelingen. Plechtige vergaderingen ter godsverering zijn een aloude goddelijke inzetting, bestemd tot eer van God en de stichting van Zijn kerk, en zijn niet alleen nuttig en dienstig, maar noodzakelijk voor deze doeleinden. Er moeten meesters zijn van de verzamelingen, die Christus' dienaren zijn, en als zodanig moeten zij erin voorgaan, om Gods mond te zijn bij het volk en hun mond te zijn bij God. Hun taak is het om de woorden van de wijzen vast bij ons te maken, ze als nagelen in ons hoofd te drijven, en daarvoor is het Woord Gods als een hamer, Jeremia 23:29.
8. Het geschrevene, dat ons aldus is aanbevolen, is van goddelijke oorsprong. Hoewel het door verscheidene handen tot ons komt, door vele wijzen en vele meesters van de verzamelingen is het toch gegeven door een en dezelfde Herder, de grote Herder Israëls, die Jozef als schapen leidde, Psalm 80:2. God is die enige Herder, wiens goede Geest de Schriften heeft ingegeven, en de meesters van de verzamelingen helpt om ze te verklaren en toe te passen. Deze woorden van de wijzen zijn de ware woorden van God, waarop wij onze ziel kunnen wagen, van die enige Herder moeten alle leraren ontvangen wat zij verkondigen, en naar het licht van het geschreven Woord behoren zij te spreken.
9. De heilige, door Gods Geest ingegeven Schriften zijn, indien wij er slechte gebruik van willen maken, genoegzaam om ons op de weg naar eeuwige gelukzaligheid te leiden en daarvoor behoeven wij ons niet te vermoeien met het onderzoek van andere geschriften, vers 12. En voorts er blijft nu niets meer over om u te zeggen dan dat van vele boeken te maken geen einde is.
a. Van vele boeken te schrijven. Indien wat ik geschreven heb u niet kan overtuigen van de ijdelheid van de wereld en de noodzakelijkheid om godsdienstig te zijn, dan zou u er niet van overtuigd worden, al schreef ik er nog zo veel. Indien het doel niet bereikt wordt door het gebruik van die boeken van de Schrift, waarmee God ons bevoorrecht en gezegend heeft, dan zouden wij dat doel niet bereiken, al hadden wij er tweemaal meer, ja al hadden wij er zovele dat de gehele wereld niet zou kunnen bevatten Johannes 21:25, en het vele bestuderen ervan zou ons slechts in verwarring brengen, en zou veeleer een vermoeiing zijn voor het vlees dan van enig nut en voordeel zijn voor de ziel. Wij hebben zoveel als God goed en geschikt oordeelde om ons te geven, en ons er geschikt voor oordeelde. En nog veel minder kan men verwachten dat op hen, die zich door deze niet willen laten raden en vermanen, andere geschriften een goeden invloed zouden uitoefenen. Laat de mensen nog zoveel boeken schrijven over de leiding van het menselijk leven, laat hen schrijven totdat zij zich door de veelvuldige studie vermoeid hebben, zij kunnen geen beter onderricht geven dan wij hebben in het woord van God. Of,
b. Van het kopen van vele boeken, ons meester ervan makende, en ons meester makende van hun inhoud door ze veelvuldig te bestuderen, toch zou het verlangen naar geleerdheid onbevredigd blijven, het zou een mens het beste vermaak en het schoonste talent, de beste beschaving, die in de wereld verkregen kunnen worden, geven, maar als wij er niet door gewaarschuwd worden voor de ijdelheid van de wereld en de menselijke geleerdheid onder andere dingen, en haar ongenoegzaamheid om ons zonder ware vroomheid gelukkig te maken, helaas, dan is er geen einde aan, en geen wezenlijk voordeel ervan, het zou het lichaam vermoeien, maar geen ware voldoening geven aan de ziel. De grote geleerde, Mr. Selden, onderschreef dit toen hij erkende, dat hij in al de boeken die hij gelezen had, nooit datgene gevonden heeft, waar hij zijn ziel op kon doen rusten, behalve wat hij gevonden had in de Heilige Schrift, inzonderheid in Titus 2:11, 12. Laat ons dus door deze vermaand en gewaarschuwd worden.