Numeri 9:1-14
I. Wij hebben hier een order voor de plechtige viering van het pascha een jaar nadat zij uit Egypte waren getogen, en wel op de veertiende dag van de eerste maand van het tweede jaar, enige dagen voordat zij geteld werden want dat geschiedde in het begin van de tweede maand.
Merk op:
1. Dat God bijzondere orders gaf voor het vieren van dit pascha, anders zouden zij het (naar het schijnt) niet gevierd hebben, want bij de eerste instelling er van was bepaald, dat zij het zouden houden, als zij in het land van de belofte zouden gekomen zijn, Exodus 12:25. En voorzover blijkt, hebben zij daarna geen pascha gevierd vóór zij in Kanaän kwamen, Jozua 5:10. Het was reeds vroeg een aanduiding van de eindelijke afschaffing van de ceremoniëele inzettingen, dat de waarneming van sommigen er van zo spoedig nadat zij waren ingesteld, gedurende zovele jaren werd nagelaten. De inzetting van het Avondmaal des Heeren (dat in de plaats kwam van het pascha) werd in de eerste tijden van de Christelijke kerk niet aldus bij tussenpozen gevierd, of geheel terzijde gezet, ofschoon het toen voor de kerk een tijd was van grotere moeilijkheden en benauwdheid, dan Israël in de woestijn gekend heeft, ja meer: in tijden van vervolging werd het Avondmaal des Heeren meer dikwijls gevierd dan later. De Israëlieten in de woestijn konden hun bevrijding uit Egypte niet vergeten, hun tegenwoordige toestand moest er hen voortdurend aan herinneren. Al het gevaar daarvoor was toen zij in Kanaän kwamen, daar hadden zij het dus nodig om herinnerd te worden aan de rotssteen, waar zij uit gehouwen waren. Daar echter het eerste pascha zo in van de haast gevierd was, en eerder het wezen zelf dan het teken er van was, was het de wil van God dat zij, bij de terugkeer van het jaar, toen zij kalmer en rustiger waren en beter bekend met de wet Gods, het wederom zouden vieren, opdat hun kinderen de plechtigheid beter zouden begrijpen, en er de heugenis beter van zouden bewaren. Calvijn veronderstelt dat zij verplicht waren het nu te houden, en merkt het aan als een voorbeeld van hun zorgeloze onverschilligheid, dat zij het nodig hadden herinnerd te worden aan een inzetting, die zo kort tevoren verordineerd was.
2. Mozes brengt de orders, die hij ontvangen heeft, getrouwelijk over aan het volk, vers 4. Zo heeft Paulus aan de gemeenten overgeleverd wat hij betreffende het Evangeliepascha "van de Heere" "had ontvangen," 1 Corinthiërs 11:23. Magistraten moeten herinneraars zijn, en leraren moeten door vermaning of indachtigmaking, het gemoed van de mensen opwekken tot hetgeen goed is.
3. Het volk gehoorzaamde aan de orders, die hun gegeven waren, vers 5. Hoewel zij kort tevoren het feest van de inwijding hadden gehouden, Hoofdstuk 7, wensten zij daarom toch niet voor verontschuldigd gehouden te worden van dit feest te vieren. Buitengewone verrichtingen moeten de gewone diensten niet vervangen of verdringen. Zij hielden het pascha zelfs in de woestijn, en als wij ons in eenzame en ongevestigde toestand bevinden, moeten wij toch, als wij er de gelegenheid toe hebben, tot God naderen in heilige inzettingen, want daarin kunnen wij de lieflijkste gemeenschap en de beste rust vinden. Aldus wordt voor Gods Israël voorzien en gezorgd in een woestijn.
II. Er worden instructies gegeven betreffende hen, die ceremoniëel onrein waren, toen zij het pascha zouden eten. De wet op het pascha verplichtte iedere Israëliet om er van te eten, maar door enige later volgende wetten was het hun, die enigerlei ceremoniëele onreinheid hadden opgedaan, verboden om van de heilige dingen te eten. Zij, wier hart en geweten verontreinigd zijn door zonde, zijn ten enenmale ongeschikt om gemeenschap te oefenen met God, en zij kunnen met geen ware vertroosting komen tot de inzetting van het Evangeliepascha, voordat zij gereinigd zijn door oprecht berouw en geloof. En het is wel een treurig dilemma waarin zij zich bevinden, want als zij niet tot de heilige inzettingen komen, maken zij zich schuldig aan minachting er van, en als zij komen in hun onreinheid, dan zijn zij schuldig aan ontheiliging er van. Daarom moeten zij zich wassen en rondom Gods altaar gaan.
1. Zie hier nu wat er gebeurde, toen dit pascha gehouden zou worden. Er waren lieden, die over het dode lichaam van een mens onrein waren, vers 6, en zij moesten zeven dagen onder die ontreiniging zijn, Hoofdstuk 19:11, en gedurende die tijd mochten zij niet van de heilige dingen eten, Leviticus 7:20. Dit was niet hun schuld, maar hun ongeluk, sommige personen moeten wel dode lichamen aanraken, om die van voor hun ogen te begraven, en daarom konden zij zoveel geruster met hun klacht tot Mozes komen.
2. Hoe die lieden zich toen tot Mozes gewend hebben, vers 7. De mensen zullen wijs handelen, als zij in moeilijke gevallen ten opzichte van zonde en plicht hun leraren raadplegen, die God over hen gesteld heeft, om "uit hun mond de wet te zoeken," Maleachi 2:7. Van deze middelen moeten wij gebruik maken ingevolge van ons gebed tot God om ons op de rechte weg te leiden.
Merk op met wat droefheid deze mensen klagen, dat zij verhinderd zijn om de offeranden des Heeren te offeren. Zij hebben niet geklaagd over de wet, alsof zij onrechtvaardig was, maar zij treurden om hun ongeluk, omdat zij nu juist op deze tijd onder het bedwang er van waren, en zij wensen dat er een middel gevonden mocht worden tot hun verlichting. Het is heerlijk en zielverkwikkend om de mensen te zien hongeren en dorsten naar Gods inzettingen en hen te horen klagen over hetgeen hen verhindert er van te genieten. Het moet ons een smart zijn, als wij door de een of andere omstandigheid teruggehouden worden om ons offer te brengen in de plechtigheden van een sabbat of van een sacrament, zoals het dit voor David geweest is, toen hij van het altaar was verbannen Psalm 42:2,3.
3. De beraadslaging van Mozes om tot een oplossing te komen van deze zaak. Hier scheen de wet er tegen, en hoewel het regel is, dat de laatste wet de vorige moet verklaren, had hij toch medelijden met deze Israëlieten, die aldus van het voorrecht werden verstoken om het pascha te houden, en daarom nam hij tijd om God te vragen ten einde Zijn wil te kennen omtrent deze zaak, vers 8. Blijft staande, dat ik hore wat de Heere u gebieden zal. Hieraan moeten leraren een voorbeeld nemen als zij gewetenszaken hebben te behandelen.
a. Zij moeten niet snel en roekeloos beslissen, maar tijd nemen om na te denken, opdat elke omstandigheid van het geval behoorlijk overwogen worde, de zaak in het rechte licht worde beschouwd, en geestelijke dingen met geestelijke dingen worden vergeleken.
b. Zij moeten Gods mond om raad vragen, en niet beslissen naar de neiging hun eigen zin of genegenheid maar onpartijdig, naar de wil en de bedoeling Gods, en naar hun beste weten. Wij hebben niet zo'n orakel als Mozes had om het te kunnen raadplegen, maar moeten tot de wet en de getuigenis gaan, en spreken overeenkomstig die regel, en als wij in moeilijke gevallen de tijd nemen om de zaak in het bijzonder tot God te brengen door een ootmoedig, gelovig gebed, dan hebben wij reden te hopen dat de Geest, die beloofd is om ons in alle waarheid te leiden, ons instaat zal stellen om anderen op de goede en rechte weg te leiden. 4. De aanwijzingen, die God gaf voor dit en andere gelijksoortige gevallen, ter verklaring van de wet op het pascha. Dit onaangename voorval bracht goede wetten teweeg. Aan hen die ceremoniëel onrein waren als het pascha gegeten moest worden, werd vergund om het een maand later te eten, als zij rein zullen zijn, en dit werd evenzo vergund aan hen, die op reis, op een verre weg zijn, vers 10,11. Hieruit zien wij dat wij, als wij tot de Heere naderen in plechtige inzettingen, zo wel rein als kalm en rustig moeten wezen. En tevens zien wij dat hetgeen ons ter verontschuldiging kan strekken, om een plicht gedurende enigen tijd uit te stellen, ons niet zal rechtvaardigen als wij hem geheel verwaarlozen en nalaten. Wie in onenigheid is met zijn broeder, kan zijn gave daar laten voor het altaar, terwijl hij heengaat om zich met zijn broeder te verzoenen, maar als hij het zijne daarvoor gedaan heeft hetzij de verzoening tot stand gekomen is of niet, dan moet hij "komen om zijn gave te offeren," Mattheus 5:23, 24. Dit bijkomende pascha moest gevierd worden op dezelfde dag van de maand als het eerste, omdat de inzetting was ter gedachtenis van hun bevrijding op die dag van de maand. Eenmaal bevinden wij dat de gehele vergadering het pascha gehouden heeft op de veertienden dag van de tweede maand namelijk in de tijd van Hizkia, 2 Kronieken 30:15, hetgeen wellicht kan dienen om er een verklaring van te geven dat sommigen werden toegelaten om er van te eten, die niet rein waren, indien het pascha algemeen gehouden was in de eerste maand, dan zouden zij de onreinen hebben kunnen doen wachten om het in de tweede maand te houden, daar het echter algemeen in de tweede maand gehouden werd waren zij niet gemachtigd om het in de derde maand te eten, veeleer dus dan het in het geheel niet te eten werden zij toegelaten, hoewel zij niet rein waren naar de reinheid des heiligdoms, vers 18, 19.
b. Als het pascha in de tweede maand gevierd werd, dan moesten zij het nauwkeurig naar alle inzettingen houden, vers 12. Zij moesten niet denken dat, wijl het hun vergund was om het op een andere tijd te houden, ook wel iets van de plechtigheden achterwege mocht blijven, neen, als wij niet kunnen wat wij zouden willen in de dienst van God, dan moeten wij toch het uiterste doen van wat wij kunnen.
c. Deze vergunning in een geval van noodzakelijkheid moet toch niemand steunen in hun verzuim van het pascha op de gezette tijd te houden, als zo'n geval van noodzakelijkheid niet aanwezig was vers 13. Als iemand niet onbevoegd is om het pascha op de bestemde tijd te eten, en hij laat het na, op grond-naar hij waant- van de vrijheid, die door deze wet toegestaan wordt dan beledigt hij God, goddelooslijk misbruik makende van Zijn goedheid, dan zal hij gewis zijn zonde dragen en uit zijn volken uitgeroeid worden. Evenals zij, die tegen hun zin en gemoed genoodzaakt zijn van Gods inzettingen weg te blijven, gerust de gunst van Gods genade kunnen verwachten onder hun beproeving, zo kunnen zij, die door hun eigen keus wegblijven met volle recht de tekenen verwachten van Gods toorn over hun zonde. Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten.
Er wordt ook een bepaling bijgevoegd ten gunste van vreemdelingen, vers 14. Hoewel het van de vreemdeling, die zich met hen wilde verenigen om het pascha te eten, geëist werd, dat hij besneden zou zijn als een proseliet van hun Godsdienst, Exodus 12:48, 49, was toch deze vriendelijke toelating van hen, die geen geboren Israëlieten waren, om het pascha te eten, een aanduiding van de gunst, die door Christus voor de arme heidenen was weggelegd. Gelijk er toen een wet was, zo zal er in de dagen van de Messias een Evangelie zijn, voor de vreemdeling en voor de inboorling, want "want onder elk volk," "is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig," en dit was een waarheid voordat Petrus haar vernomen heeft, Handelingen 10:34, 35.