Numeri 6:22-27
1. Hier wordt aan de priesters geboden om, onder andere goede diensten, die zij te doen hadden, het volk plechtig te zegenen in de naam des Heeren, vers 23. Dit behoorde tot hun werk, Deuteronomium 21:5. Hiermede heeft God eer gelegd op de priesters, want het mindere wordt van het meerdere gezegend, en hiermede heeft Hij aan het volk een grote vertroosting geschonken, daar zij de priester beschouwden als Gods mond tot hen. Hoewel de priester door of uit zichzelf niet meer kon doen dan om een zegen te vragen of te bidden, heeft toch zijn gebed, daar hij door zijn ambt voorbidder was en dat deed in de naam van Hem, die de zegen gebiedt, een belofte medegebracht, en hij sprak de zegen uit, als gezaghebbende, met opgeheven handen, en zijn aangezicht tot het volk gericht. Dit nu was:
a. een type van Christus' boodschap in deze wereld, welke was "ons te" "zegenen," Handelingen 3:26, als de Hogepriester van onze belijdenis. Het laatste, wat Hij op aarde deed, was met opgeheven handen Zijn discipelen te zegenen, Lukas 24:50, 51. De geleerde bisschop Pearson merkt op als een overlevering van de Joden, dat de priesters alleen aan het einde van het morgenoffer het volk zegenden, niet na het avondoffer, om aan te tonen (zegt hij) dat in de laatste dagen de dagen van de Messias, die (als het ware) de avond zijn van de wereld, de zegen van de wet zou ophouden, en de zegen van Christus in de plaats er van zou komen.
b. Het was een voorbeeld voor Evangeliedienaren, de voorgangers in de vergaderingen, om hun plechtige vergaderingen op gelijke wijze te besluiten. Zij, die Gods mond zijn tot het volk om hen te onderwijzen en hun te gebieden, zijn ook Gods mond tot hen om hen te zegenen, en zij, die de wet ontvangen, zullen de zegen ontvangen. De Hebreeuwse geleerden waarschuwen het volk om niet te zeggen: "Wat baat de zegen van deze armen, eenvoudige priester?" "Want," zeggen zij, "het ontvangen van de zegen hangt af, niet van de priester, maar van de heilige, gezegende God."
2. Hun wordt hier bij hun andere gebeden een formulier van zegen voorgeschreven, en daar dit Gods gebod was betreffende de zegen, heeft Hij, opdat het niet de schijn zou hebben van iets van henzelf te wezen, hun zelfs de woorden in de mond gelegd, vers 24-26, waar wij hebben op te merken:
a. Dat de zegen geboden wordt over ieder afzonderlijk persoon: De Heere zegene u, het persoonlijk voornaamwoord staat in het enkelvoud. Ieder van hun moet zich bereiden om de zegen te ontvangen, en dan zullen zij er genoeg in vinden om iedereen gelukkig te maken. "Gezegend" zult gij zijn," Deuteronomium 28:3. Als wij de wet voor onszelf nemen, dan mogen wij de zegen voor onszelf nemen, alsof er onze namen in genoemd werden.
b. Dat er de naam JHWH driemaal wordt herhaald, en, zoals de taalgeleerden opmerken, telkens met een verschillend accent, of toonteken, in het oorspronkelijke. De Joden zelf denken, dat hier een verborgenheid in is gelegen, en wij weten wat die verborgenheid is, daar het Nieuwe Testament haar verklaard heeft, hetwelk ons leert de zegen te verwachten van "de genade van onze Heere Jezus Christus," "de liefde van God de Vader en de gemeenschap met de Heilige Geestes," ieder van welke Personen is JHWH, en toch zijn zij "niet drie Heeren, maar een enige Heere", 2 Corinthiërs 13:13.
c. Dat de gunst van God alles in alles is in de zegen, want die is de bron van alle goed. A. De Heere zegene u! Ons zegenen van God bestaat alleen daarin dat wij goed van Hem spreken, Zijn zegenen van ons is ons goed doen, en die Hij zegent, zijn waarlijk gezegend.
B. De Heere doe Zijn aangezicht over u lichten! Zinspelende op het schijnen van de zon over de aarde om haar te verlichten en te verwarmen en te verkwikken, en er het gelaat van te vernieuwen. "De Heere hebbe u lief, en doe u weten dat Hij u liefheeft." Wij kunnen niet gelukkig zijn, zo wij Gods liefde niet hebben, en wij kunnen niet anders dan gerust wezen, als wij weten, dat wij haar hebben.
C. De Heere verheffe Zijn aangezicht over u! Dat heeft dezelfde strekking als het vorige, en het schijnt een toespeling op het vriendelijk toelachen van een vader aan zijn kind, of van een man aan zijn vriend, in wie hij een welgevallen heeft. Indien God ons de verzekering geeft van Zijn bijzondere gunst en welbehagen in ons, dan zal dit "vreugde in" "ons hart geven," Psalm 4:7, 8.
De vruchten van deze gunst, doordie zegen tot ons gekomen, zijn bescherming, vergeving en vrede.
a. Bescherming tegen kwaad, vers 24. De Heere "behoede u," want Hij is het, die Israël behoedt, en "sluimert noch" "slaapt," Psalm 121:4. En alle gelovigen worden in de kracht "Gods bewaard".
b. Vergeving van zonde, vers 25. De Heere zij u genadig
c. Vrede, vers 26, waarin alles is opgesloten wat goed is, en ons volkomen gelukkig, zalig maakt.
God belooft hier de zegen te bekrachtigen en te bevestigen, vers 27. Alzo zullen zij Mijn naam op de kinderen Israëls leggen. God geeft hun verlof om gebruik te maken van Zijn naam bij het zegenen van het volk, en hen te zegenen als Zijn volk, naar Zijn naam genoemd. Dit behelsde al de zegeningen, die zij over hen konden uitspreken, om hen tot Gods bijzonder eigendom te stempelen, het volk van Zijn keuze en van Zijn liefde. Gods naam op hen was hun eer, hun vertroosting, hun veiligheid hun pleitgrond. Verlaat ons niet, wij zijn naar Uw naam genoemd. Er wordt bijgevoegd: en Ik zal hen zegenen. Goddelijke inzettingen gaan vergezeld van een Goddelijke zegen en die legt er kracht in. Wat Christus zegt van de vrede, is waar van de zegen: als Gods dienstknechten de zegen uitspreken: "Vrede zij deze vergadering", indien de kinderen van de vrede en de erfgenamen van de zegen daar zijn, dan zal de vrede, de zegen op hen rusten, Lukas 10:5, 6. Want, "aan alle plaats, waar Hij Zijns" "naams gedachtenis sticht, zal Hij tot Zijn volk komen, en hen zegenen."