Numeri 31:7-12
1. Hier is de aanval van dit kleine leger van de Israëlieten onder het bevel en de leiding van God op het land van Midian. Zij streden tegen de Midianieten. Waarschijnlijk hebben zij eerst hun manifest uitgevaardigd, waarin de redenen voor deze oorlog waren blootgelegd, en waarin zij hun de eis stelden, om de aanvoerders van het kwaad over te leveren aan de gerechtigheid, want dit is later de wet geworden, Deuteronomium 20:10, en in praktijk gebracht, Richteren 20:12, 13. Daar de Midianieten echter rechtvaardigden wat zij hadden gedaan, en de bedrijvers van het kwaad steunden en het voor hen opnamen, hebben de Israëlieten hen te vuur en te zwaard aangevallen, met al de Godvruchtige kloekmoedigheid, waarmee hun ijver voor God en hun volk hen had bezield.
2. Hun krijgsverrichtingen bij deze aanval.
a. Zij doodden al wat mannelijk was, vers 7, dat is, allen die zij ontmoetten zover zij gingen. Zij joegen die allen over de kling, en gaven geen kwartier. Dat zij echter niet al de mannen van dat volk hebben gedood is zeker want wij bevinden de Midianieten een machtig en geducht vijand van Israël in de dagen van Gideon, en zij waren de Midianieten van dit land, want zij worden gerekend met de kinderen van het oosten, Richteren 6:3.
b. Zij doodden de koningen van de Midianieten, dezelfden, die de oudsten van de Midianieten genoemd worden Hoofdstuk 22:4 en de geweldige Sihons, Jozua 13:21. Vijf van deze vorsten worden hier genoemd, een van hen was Zur, dezelfde Zur waarschijnlijk, die de vader was van Kozbi, Hoofdstuk 25:15.
c. Zij doodden ook Bileam. Er worden vele gissingen gemaakt omtrent de oorzaak, die Bileam toen onder de Midianieten heeft gebracht. Waarschijnlijk hebben de Midianieten, onderricht zijnde van het optrekken van dit leger van Israëlieten tegen hen, Bileam gehuurd om hen te komen helpen met zijn toverijen, opdat, zo hij niet tot hun gunste aanvallend kon te werk gaan door het leger Israëls te vervloeken, hij toch verdedigender wijs voor hen zou kunnen optreden door het land van Midian te zegenen. Wat nu ook de aanleiding moge geweest zijn van zijn tegenwoordigheid aldaar, het was Gods alles-besturende voorzienigheid, die hem er heen bracht, en de rechtvaardige wraak heeft er hem gevonden. Had hij zelf geloofd wat hij van de gelukkige staat van Israël gezegd heeft, hij zou zich niet bij Israëls vijanden gevoegd hebben, maar rechtvaardiglijk sterft hij de dood van de goddelozen, (hoewel hij voorgaf de dood van de rechtvaardigen te begeren) en daalt hij neer in de groeve met de onbesnedenen, die tegen de overtuiging van hun eigen consciëntie hebben gerebelleerd. De listen van de Midianieten waren hun door Bileam aan de hand gedaan, het was dus rechtvaardig dat hij met hen is omgekomen, Hosea 4:5. Nu is zijn dwaasheid voor allen openbaar geworden, die het lot van anderen heeft voorzegd maar zijn eigen lot niet heeft voorzien.
d. Zij namen de vrouwen en kinderen gevangen, vers 9.
e. Zij verbrandden hun steden en burchten vers 10, niet voornemens zijnde om die zelf te gaan bewonen, (dat land lag buiten hun lijn) maar aldus voorkomende dat zij die gevlucht waren er een schuilplaats in zouden vinden, en er zich opnieuw zouden vestigen. Sommigen verstaan het van hun afgodstempels, het was voegzaam, dat die mee begrepen zouden zijn in de wraak. f. Zij plunderden het land, voerden al het vee weg alsmede goederen van waarde, en zo keerden zij terug naar het leger Israëls, beladen met een rijken buit, vers 9, 11, 12., En zo werden zij, evenals toen zij uit Egypte kwamen, verrijkt met de buit van hun vijanden, en voorzien van kudden voor het goede land, waarin God hen bracht.