Numeri 28:16-31
1. Hier is de bepaling voor de offers bij het pascha, niet van het voornaamste van die offers, namelijk het paaslam (daartoe zijn tevoren genoegzame instructies gegeven) maar die welke geofferd moesten worden op de zeven dagen van de ongezuurde broden, die er op volgden vers 17-25. De eerste en de laatste van die zeven dagen moesten als een sabbat geheiligd worden door een heilige rust en een heilige samenroeping, en gedurende elk van de zeven dagen moesten zij zeer vrijgevig zijn met hun offers, ten teken van hun grote en voortdurende dankbaarheid voor hun bevrijding uit Egypte, twee varren, een ram en zeven lammeren. Een Godvruchtige wandel in dankbaarheid voor "Christus, ons Pascha", die voor ons geofferd werd, wordt "het houden van dit feest genoemd", 1 Corinthiërs 5:8. Want het is niet genoeg dat wij de zuurdesem van de kwaadheid en van de boosheid uitzuiveren, maar wij moeten Gode opofferen een offerande des lofs, en hiermede voortgaan ten einde toe.
2. Evenzo werden de offers bepaald, die geofferd moesten worden op het pinksterfeest, hier de dag van de eerstelingen genoemd, vers 26. Op het feest van de ongezuurde broden offerden zij een garf van de eerstelingen van gerst, (die bij hen het eerst rijp was) aan de priester, Leviticus 23:10, als een inleiding tot hun oogst, maar nu, ongeveer zeven weken later, moesten zij een nieuw spijsoffer de Heere brengen bij het einde van de oogst in dankbaarheid aan God die hun de vriendelijke vruchten van de aarde niet slechts had gegeven maar ook voor hen bewaard had, zodat zij er te bestemder tijd het genot van konden hebben. Het was op dit feest "dat de Geest" "werd uitgestort", Handelingen 2:1 en verv. en duizenden op de prediking van de apostelen bekeerd werden, en aan Christus werden geofferd als een soort van eerstelingen van Zijn schepselen. Het offer, dat met de broden van de eerstelingen geofferd moest worden, was voorgeschreven in Leviticus 23:18. Maar bovendien en behalve de dagelijkse offers, moesten zij twee varren offeren, een ram en zeven lammeren, met een geitebok ten zondoffer, vers 27-30. Als God overvloedig voor ons zaait, dan verwacht Hij van ons een overvloedige oogst. Bisschop Patrick merkt op dat in dit hoofdstuk geen dankoffers worden voorgeschreven, die voornamelijk de offeraars ten goede kwamen en daarom meer aan henzelf werden overgelaten, maar brandoffers, die zuiver en alleen tot eer van God gebracht werden, en die Evangelische Godsvrucht voorstelden, door welke de ziel Gode geheel geofferd wordt in de vlammen van heilige liefde, en zondoffers, die typen waren van Christus' offerande van zichzelf, waardoor wij en onze dienst volmaakt en geheiligd worden.