Numeri 23:13-30
I. Hier worden voor de tweede maal, evenals tevoren, toebereidselen gemaakt om Israël te vervloeken.
1. Zij zijn hierbij van plaats veranderd, vers 13. Balak verbeeldde zich dat Bileam, omdat hij van de hoogte van de steenrotsen, vers 9, het volle gezicht had op Israëls leger, of zo ingenomen was met de schoonheid er van, dat hij hen niet wilde vervloeken, of zo verschrikt was door het ontzaglijke er van, dat hij het niet durfde, daarom wilde hij hem naar een andere plaats brengen, vanwaar hij slechts een gedeelte er van zien kon, een gedeelte, dat hem meer verachtelijk zou toeschijnen, en daarvoor hoopte hij dan tenminste, dat hij verlof zou krijgen om het te vervloeken, om dan aldus langzamerhand de overhand over hen te zullen verkrijgen, daar hij ongetwijfeld het plan had, om, zo hij hierin zijn doel bereikte, zijn aanval te richten op dat deel van Israëls leger, waarop Bileam nu het oog gericht had, en waarin hij de vuurballen van zijn vervloekingen zou werpen. Zie, hoe rusteloos en onvermoeid de vijanden van de kerk zijn in hun boosaardige pogingen om haar te verderven, zij laten geen middel onbeproefd om hun oogmerk te bereiken. O mochten wij toch even schrander en vastberaden zijn in het najagen van goede plannen ter ere Gods!
2. De offeranden worden herhaald, er worden nieuwe altaren gebouwd, en op ieder altaar een var en een ram geofferd, en Balak staat even ijverig en waakzaam bij zijn brandoffer als tevoren, vers 14, 15. Indien wij even ernstig begeerden om de zegen te verkrijgen als Balak om een vloek teweeg te brengen (als bedoeld over Israël, maar in werkelijkheid over zichzelf en zijn volk), dan zouden noch de onkosten, noch het werk van de Godsdienst ons te veel zijn.
3. Wederom wendt Bileam zich tot God, en God ontmoet hem voor de tweede maal, en legt hem een ander woord in de mond, niet om het vorige te herroepen, maar om het te bevestigen, vers 16, 17. Indien nu God niet tot Bileam zei: Zoek Mij tevergeefs, dan zal Hij dit nog veel minder tot het zaad Jakob's zeggen, die Hem gewis zullen vinden, niet alleen zoals Bileam, als hun onderrichter, maar als hun overvloedige beloner. Toen Bileam terugkeerde, was Balak ongeduldig om te vernemen met welke boodschap hij kwam: "Wat heeft de Heere gesproken?" Komt gij met betere tijding, met enige hoop om wel te zullen slagen? Dat moet ook onze vraag zijn, als wij komen om het woord Gods te horen? Jeremia 23:35.
II. Voor de tweede maal is de vloek, door de allesbesturende macht van God, in een zegen veranderd, en deze zegen is ruimer en krachtiger dan de vorige, en snijdt alle hoop af om hem te veranderen. Daar Balak zo ijverig was om te vragen wat de Heere heeft gesproken vers 17, richt Bileam zich nu in het bijzonder tot hem, vers 18. Sta op, Balak en hoor. Het was een boodschap van God, die hij hem had te brengen, en van Balak wordt geëist, of schoon hij een koning is:
1. Dat hij zal opletten, zal horen, met al de aandacht van zijn geest, opdat hem geen woord ontga.
2. Dat hij zal horen met eerbied, Sta op Balak, en hoor. Toen zijn opvolger Eglon een boodschap van God moest ontvangen, stond hij op van de stoel, Richteren 3:20.
In zijn rede maakt Bileam Balak, tot diens uiterste smart en teleurstelling, bekend met twee dingen. A. Dat hij geen reden had te hopen Israël te zullen verderven, het zou doelloos zijn het te beproeven, en hij zou zichzelf misleiden zo hij het verwachtte, en dat wel om twee redenen:
a. Omdat God onveranderlijk is, vers 19. God is geen man, dat Hij liegen zou. De mensen veranderen van zin, van gedachten, en daarom breken zij hun woord, zij liegen, omdat zij berouw, spijt hebben. Maar God doet noch het een noch het ander. Hij verandert nooit van zin, en daarom herroept Hij nooit Zijn belofte. Bileam had erkend, vers 8, dat hij Gods raad niet kon veranderen, en daaruit leidt hij af, dat God zelf Zijn raad niet zou veranderen, zodanig is de onvolmaaktheid van de mens, en zodanig is de volmaaktheid van God. Het is onmogelijk dat God liege, Hebreeën 6:18. En als in de Schrift gezegd wordt dat het Hem berouwt, dan wordt hiermede generlei verandering van zin bedoeld maar slechts van weg of van wijze. Het is een grote waarheid, dat bij God geen verandering is of schaduw van omkering. Nu beroept hij zich hiervoor op Balak zelf: "Zou Hij het zeggen en niet doen?" het zeggen naar Zijn eigen bedoeling en voornemen, en het niet tot stand brengen in Zijn voorzienigheid, naar de raad van Zijn wil? Heeft Hij gesproken in Zijn woord, en zal Hij het niet bestendig maken? Kunnen wij anders van God denken, dan dat Hij onveranderlijk is en getrouw aan Zijn woord? Al Zijn raadsbesluiten zijn onveranderlijk, en al Zijn beloften onschendbaar. Hij past die algemene waarheid toe op het onderhavige geval, vers 20. Hij heeft gezegend, en ik kan het niet keren, dat is: "Ik kan er Hem niet toe brengen om het te keren." Israël was vanouds een gezegend volk, een zaad, dat de Heere had gezegend, de zegen van Abraham kwam op hen, zij zijn geboren onder de zegen van het verbond, en geboren tot de zegen van Kanaän, en daarom konden zij niet vervloekt worden, tenzij gij kunt veronderstellen dat de God van de eeuwige waarheid Zijn woord zal breken, ontrouw zal worden aan zichzelf, en aan Zijn volk.
b. Omdat Israël voor het ogenblik niet laakbaar is, vers 21. Niet alsof er geen ongerechtigheid was in Jakob, of dat God haar niet zag, maar:
Ten eerste. Er was niet zo'n mate van ongerechtigheid als waardoor God er toe gebracht zou worden hen te verlaten, hen prijs te geven aan het verderf. Hoe slecht zij ook waren, zo slecht waren zij niet.
Ten tweede. Er was geen afgoderij onder hen die in bijzondere zin ongerechtigheid en boosheid wordt genoemd. Sedert het gouden kalf hebben wij niets van die aard in Israël gevonden, en daarom wilde God, hoewel zij in andere opzichten tergend waren, hen toch niet verstoten. Bileam wist dat niets scheiding kon maken tussen hen en God dan de zonde, zolang God geen heersende zonde onder hen zag, wilde Hij geen verdervende vloek over hen doen komen, zolang zij dus in de gunst blijven bij God, wanhoopte hij er aan om hun ooit kwaad te kunnen doen. Zolang wij verre blijven van de zonde, blijven wij verre van kwaad. Sommigen geven een andere zin aan deze woorden zij lezen ze aldus: Hij heeft geen kwaad beproefd willen zien tegen Jakob, en Hij zal geen leed willen zien doen aan Israël, dat is: Hij heeft het niet toegelaten, en Hij zal het niet toelaten, Hij wil Israël niet zien geschaad of verongelijkt, maar zal hun recht doen en hun twistzaak twisten. God zal het niet dulden, dat aan Zijn kerk, Zijn volk, leed geschiedt, want wat hun aangedaan wordt, acht Hij zichzelf aangedaan, en zal er dienovereenkomstig rekenschap van vragen.
c. Omdat beider macht onweerstaanbaar was. Hij toont Balak aan, dat er met hen niet te strijden was, het was doelloos het te beproeven, want: Ten eerste. Gods tegenwoordigheid was onder hen. De Heere, zijn God, is met hen, op bijzondere wijze, en zal er niet toe gebracht worden van hen te wijken.
Ten tweede. Zij genoten de blijdschap van die tegenwoordigheid en zij juichten er in, het geklank des konings is bij hem. Zij juichen over hun vijanden, zeker van voorspoed en overwinning, voortdurend roemende in God als hun Koning en overwinnaar voor hen.
Ten derde. Zij hadden de weldaad ervaren van Gods tegenwoordigheid onder hen, en van Zijn macht, die voor hen werd aangewend. Want God heeft hen uit Egypte uitgevoerd, vers 22. De macht, die dit gedaan heeft, kan nooit weerhouden, nooit weerstaan worden, en zo glorierijk begonnen zijnde, zal Hij ongetwijfeld ook glorierijk voleindigen
Ten vierde. Zolang Gods tegenwoordigheid onder hen was, hadden zij de kracht van een eenhoorn, waren zij in staat allen het hoofd te bieden, die tegen hen zijn. Zie Hoofdstuk 24:8. Zodanig is de sterkte, die de God Israëls geeft aan Zijn volk.
Hieruit leidt hij nu af dat het doelloos voor hem zou zijn om hun kwaad te veroorzaken, dat daartoe al zijn kunstenarijen tekort zouden schieten, vers 23.
1. Hij erkent zich verslagen. Waarlijk, er is geen toverij tegen Jakob, die iets tegen hem vermag. De vervloekingen van de hel zijn niet bestand tegen de zegeningen van de hemel. Niet alsof er zulke pogingen niet gedaan zouden worden, maar zij zullen gewis vruchteloos blijven. Sommigen merken op dat de naam Jakob een toestand van zwakheid en beproeving van de kerk aanduidt, terwijl de naam Israël een toestand aanduidt van voorspoed en vooruitgang, maar hetzij de kerk in een toestand verkeert van zwakheid of van kracht, haar vrienden weinigen of velen zijn, ondergeschikte oorzaken gunstig of ongunstig zijn, het komt alles op hetzelfde neer. Geen instrument, dat tegen haar bereid wordt, zal gelukken. God kan gemakkelijk alle raadslagen van de machten van de duisternis tegen de kerk doen mislukken, en ongetwijfeld zal Hij het, zodat zij niet zullen overwinnen om haar te verderven.
2. Hij voorziet dat dit in toekomende tijden herdacht zal worden.
A. Van deze tijd, dat is: van de tijd, waarin wij nu zijn, zal betreffende Jakob en Israël, en door Israël, gezegd worden wat God gewrocht heeft! Wat grote dingen God voor Zijn volk gedaan heeft! Het zal gezegd worden met verwondering, blijdschap en dankbaarheid en een tarten van de naburige volken om voorbeelden bij te brengen van een zelfde zorg van hun goden voor hen. De verijdeling van de aanslagen van de vijanden van de kerk moet tot eer van God in eeuwige gedachtenis worden gehouden. Niemand is er gelijk God. o Jeshurun! Naar hetgeen Bileam hier zegt betreffende de voortreffelijkheid van God boven al de goden van de heidenen, verwijst Mozes misschien, als hij zegt: "Hun rots is niet als onze Rots, onze vijanden mogen zelf oordelen," (NBG) Deuteronomium 32:31, en in het bijzonder Bileam. Balak heeft dus geen hoop om Israël te verderven maar:
B. Bileam toont hem, dat hij meer reden had om te vrezen door hen ten verderve gebracht te zullen worden, want waarschijnlijk zullen zij bloedig werk verrichten onder zijn naburen, en, mochten hij en zijn land ontkomen, dan was het niet, omdat hij te groot of te machtig voor hen was, maar omdat hij niet begrepen was in hun opdracht van de verdelging, vers 24. Zie, en sidder, het volk dat daar nu enige tijd in uw nabijheid gelegerd was, rust slechts voor een tijd als een neerliggende leeuw, maar weldra zal het zich verheffen als een oude leeuw, en zich niet neerleggen totdat het de roof gegeten en het bloed van de verslagenen gedronken zal hebben. Dit schijnt te wijzen op de overwinningen, die zij, naar hij voorzag, op de Kanaänieten zullen behalen, dat zij de wapens niet zullen neerleggen voor zij het land, dat nu voor hen lag, geheel zouden veroverd hebben. En als het huis van zijn buurman in brand staat, dan zal het zaak voor hem zijn om aan zijn eigen gevaar te denken.
Wat was nu het gevolg van deze teleurstelling?
a. Balak en Bileam waren nu beide de zaak moede.
Ten eerste. Balak wil nu gaarne zijn bezweerder het zwijgen zien opgelegd. Daar hij niet kan zeggen wat hij wil dat hij zeggen zal, wenst hij dat hij in het geheel niets zegt, "gij zult hen in het geheel niet vloeken noch zegenen, vers 25. Indien gij hen niet kunt vloeken, dan smeek ik u hen tenminste niet te zegenen. Indien gij mijn krijgsmacht niet kunt steunen en bemoedigen, zo sta haar tenminste niet tegen, en ontmoedig haar niet." God kan hen, die van Hem afwijken, moede maken in de veelheid van hun raadslagen, Jesaja 47:13, 57:10.
Ten tweede. Bileam is nog bereid te bekennen dat hij overwonnen is, en beroept zich op hetgeen hij gezegd had aan het begin van deze onderneming, Hoofdstuk 22:38. Het woord, dat God in mijn mond leggen zal, dat zal ik spreken.
Dat toont:
Ten eerste. In het algemeen, dat de weg van de mens niet in hemzelf is, er zijn veel raadslagen in het hart van de mensen, maar Gods raad zal bestaan.
Ten tweede. a. In het bijzonder: dat evenals geen instrument, dat tegen de kerk bereid wordt, zal gelukken, zo zal God iedere tong, die in het gericht tegen haar opstaat, verdoemen, Jesaja 54:17.
b. Toch besluiten zij om nog een poging te doen. Zij vinden het een schande om zich gewonnen te geven, en daarom gaan zij voort met hun plan, al zal het dan ook nog verder op hun beschaming uitlopen.
En nu gaan zij voor deze derde maal:
Ten eerste. Van plaats veranderen. Balak is er ten laatste van overtuigd, dat het de schuld niet is van Bileam, die hij eerst wel gelaakt had, maar dat hij zich werkelijk onder Goddelijk bedwang bevond, en daarom hoopt hij hem nu naar een plaats te brengen, waar God hem eindelijk zou toelaten hen te vervloeken, vers 27. Waarschijnlijk waren hij en Bileam te meer aangemoedigd om hun poging te hernieuwen, omdat God aan Bileam de tweede maal had veroorloofd te gaan, hoewel Hij het hem de eerste maal had verboden, omdat zij toen door herhaalde pogingen hun doel bereikt hadden, hopen zij ook ditmaal te zullen slagen. En zo is het dat terwijl het vonnis over de zondaren niet spoedig voltrokken wordt, hun hart vol in hen is om kwaad te doen. De plaats, waar hij hem nu heen bracht, was de hoogte van Peor, de hoogste bergtop van dat land, waar Baäl waarschijnlijk werd aangebeden, en die vandaar Baäl- Peor genoemd werd. Hij koos die plaats in de hoop hetzij omdat het, naar hij zich inbeeldde, de woonstede was van Baäl, de god van de Moabieten, Jehovah, de God van Israël, daar niet wilde, of niet kon komen om de volvoering van hun voornemen te verhinderen, of wel omdat die plaats welgevallig was aan zijn god, zij ook de Heere welgevallig zou wezen, en Hij dus in een vriendelijke stemming gebracht zou worden. Zulk een ijdele waan hebben dwaze mensen van God, en zo ijdel zijn hun overleggingen aangaande Hem. Zo hebben de Syriërs zich verbeeld, dat de Heere wel de God is van de bergen, maar niet van de dalen 1 Koningen 20:28, K alsof Hij machtiger was in de ene plaats dan in de andere plaats.
Ten tweede. Zij herhalen hun offerande, zeven varren en zeven rammen op zeven altaren, vers 29, 30. Zo gaan zij voort met hun kostbare offers al hadden zij ook geen belofte om er hun hoop op succes op te bouwen. Laat ons dan die de belofte hebben, dat Hij op het einde het gezicht zal voortbrengen en niet liegen, niet ontmoedigd worden door vertraging of uitstel, maar volharden in gebed en niet vertragen, Lukas 18:1.