Numeri 18:8-19
De dienst van de priesters wordt een krijg genoemd, en wie dient ooit in de krijg op eigen bezolding? Gelijk zij goed gebruikt werden, zo werden zij ook goed verzorgd en goed betaald. Niemand zal God om niet dienen. Alle gelovigen zijn geestelijke priesters, en God heeft beloofd voor hen te zorgen, zij "zullen de aarde bewonen en voorzeker gevoed worden" Psalm 37. 3, en "het goede wordt hun niet onthouden." De Godzaligheid heeft de belofte van het tegenwoordige leven. En uit deze overvloedige voorziening, die hier voor de priesters gemaakt is, leidt de apostel af, dat het de plicht is van de Christelijke gemeenten om haar leraren te onderhouden, zij, die steeds bij het altaar waren deelden met het altaar. Zo behoren ook zij, die het Evangelie verkondigen, van het Evangelie te leven, er goed en behoorlijk van te leven, 1 Corinthiërs 9:13, 14.
Merk nu op:
1. Dat een groot deel van de voorziening, die voor hen gemaakt was, voortkwam uit de offers, die zij zelf moesten offeren. Van bijna al de offers ontvingen zij de huiden, die zij mochten verkopen, en ook hadden zij een groot deel van de spijsoffers en de zondoffers enz. Zij, die de wacht van de offers hadden, hadden er ook het voordeel van, vers 8. Gods werk brengt zijn eigen loon mede. Zelfs in het houden van Gods geboden is een groot loon. Het tegenwoordig genot van de Godsdienst is een deel van loon ervan.
2. Dat er niet slechts een goede tafel voor hen gehouden werd, maar dat zij ook geld ontvingen voor de lossing van de eerstgeborenen, en die eerstelingen van vee, welke niet als offers geofferd mochten worden. Aldus was hun onderhoud in elk opzicht zo geregeld, dat zij niet ingewikkeld behoefden te zijn in de handelingen voor de leeftocht. Zij hadden geen landerijen in bezit, geen grond te bebouwen, geen wijngaarden te snoeien, geen kudden te weiden geen onroerende goederen te besturen, en toch hadden zij een ruimer inkomen dan wie ook. God heeft het aldus bevolen:
a. Opdat zij zich geheel en volkomen aan hun dienstwerk zouden kunnen wijden, er niet van afgeleid of in gestoord zouden worden door enigerlei wereldlijke zorg of aangelegenheid. De dienst des Evangelies vereist de gehele mens.
b. Opdat zij een voorbeeld zouden zijn van een leven door geloof, niet slechts in Gods voorzienigheid, maar in Zijn inzetting. Zij leefden van de hand in de tand, opdat zij zouden leren niet bezorgd te zijn voor de morgen, elke dag zal genoeg hebben aan de voorziening, die er voor gemaakt is, en zij hadden geen bezittingen na te laten aan hun kinderen, opdat zij hen door het geloof zouden overgeven aan de zorg van God, die hen hun levenlang had gevoed.
3. Een deel van hetgeen voorzien was voor hun tafel wordt gezegd een heiligheid van de heiligheden te zijn, vers 9, 10,. dat door de priesters zelf gegeten moest worden, en alleen in de voorhof van de tabernakel, maar andere emolumenten waren minder heilig, en daarvan mocht geheel hun gezin eten, mits zij rein waren vers 11-13. Zie Leviticus 22:10 en verv. Er is bevolen dat het beste van de olie en het beste van most en van koren als eerstelingen de Heere geofferd moesten worden, en de priesters gegeven, vers 12. Wij moeten God altijd dienen en eren met het beste dat wij hebben, want Hij is de beste, en verdient het beste, Hij is de eerste en daarom moet Hij de eerste rijpe vruchten hebben. Zij, die denken onkosten te sparen door God af te schepen met het uitschot, bedriegen slechts zichzelf, want God laat zich niet bespotten.
4. Dit alles wordt aan de priesters gegeven om der zalving wil, vers 8. Het was niet om de wille van hun verdienste boven andere Israëlieten, dat hun deze schatting betaald werd, dit zij hun bekend, maar zuiver en alleen om wille van het ambt, waartoe zij gezalfd waren. Aldus worden al de zegeningen, die aan des Heeren volk gegeven worden, hun gegeven om der zalving wil, die zij hebben ontvangen. Het wordt gezegd hun gegeven te zijn tot een eeuwige inzetting, vers 8, en het is een eeuwig zoutverbond, vers 19. Zolang het priesterschap zal duren, zolang zal dit er het onderhoud van zijn, opdat deze lamp niet zal uitgaan uit gebrek aan olie om haar brandende te houden. Zo is er ook voorziening gemaakt dat de Evangeliedienst in stand zal blijven totdat Christus komt, door een eeuwige inzetting. Zie, Ik ben met ulieden (dat is hun onderhoud) al de dagen tot de voleinding van de wereld. Dank zij de Verlosser, is dit het woord, dat Hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht.