Numeri 15:22-29
Wij hebben hier de wetten betreffende offeranden voor zonden van afdwaling. De Joden verstaan het van afgoderij of valse eredienst uit dwaling van hun leraren. Het hier onderstelde geval is: dat gij niet zult gedaan hebben alle deze geboden, vers 22, 23. Indien zij tekort zijn gekomen in hun dankoffers, ze niet overeenkomstig de wet hadden gebracht, dan moeten zij een offer brengen ter verzoening, ja al zou het nalaten er van ook door vergeten of vergissen zijn geweest. Indien zij tekort kwamen in een deel van de ceremonie, dan moesten zij dit vergoeden door het waarnemen van een ander deel er van, hetgeen naar de aard was van een wet ter herstelling.
1. Het hier onderstelde geval is een nationale zonde, begaan door onwetendheid of afdwaling, en door de algemeen heersende dwaling gebruikelijk geworden, vers 24, de vergadering, dat is: het gehele volk, want aldus wordt het verklaard in vers 25 de gehele vergadering van de kinderen Israels. De waar te nemen plechtigheden waren zo talrijk en van zo verschillende aard, dat men licht kan veronderstellen, dat sommige er van langzamerhand vergeten zullen worden, en alzo in onbruik komen, zoals inzonderheid die betreffende het hefoffer van hun deeg. Indien het nu na verloop van tijd door het raadplegen van de wet zou blijken, dat deze of een andere bepaling algemeen veronachtzaamd is geworden, dan moest voor de gehele vergadering een offer gebracht worden, en dan zal de dwaling of het verzuim worden vergeven, vers 25, 26, niet met een nationaal oordeel worden gestraft, zoals zij verdiend had. Het offer naar de wijze verwijst duidelijk naar een vorige wet of inzetting, waarvan deze de herhaling is, en dezelfde stier die daar een zondoffer genoemd wordt, Leviticus 4:13, 21, wordt hier een brandoffer genoemd, vers 24, omdat hij geheel verbrand werd, niet op het altaar, maar buiten het leger. En hier is nog de bijvoeging van een geitebok ten zondoffer. Overeenkomstig deze wet bevinden wij, dat Hizkia verzoening gedaan heeft voor de dwalingen van de regering van zijn vader door zeven stieren, zeven rammen, zeven lammeren, en zeven geitenbokken, die hij offerde als een zondoffer voor het koninkrijk en voor het heiligdom en voor Juda, 2 Kronieken 29:21, en voor geheel Israël, vers 24. En hetzelfde zien wij gedaan na de terugkeer uit de ballingschap, Ezra 8:35.
2. Evenzo wordt het geval ondersteld van een particulier persoon. Indien een ziel door afdwaling gezondigd zal hebben, vers 27, door enig deel van zijn plicht te verzuimen, dan moet hij zijn offer brengen, naar het bepaald was, Leviticus 4:27 en verv. Aldus zal verzoening gedaan worden over de dwalende ziel, als zij gezondigd heeft door afdwaling, vers 28.
Merk op:
Voor zonden, die door afdwaling bedreven zijn, moet verzoening gedaan worden, want hoewel dwaling of onwetendheid in zekere mate tot verontschuldiging strekt, zal zij toch hen niet rechtvaardigen, die huns Heeren wil gekend hebben, maar niet hebben gedaan. David bidt om gereinigd te worden van zijn verborgen afdwalingen, dat is: van de zonden, waarvan hij zich niet bewust was, de afdwalingen, die hij niet verstond, Psalm 19:13. Zonden, bedreven door onwetendheid of dwaling, zullen vergeven worden door Christus, het grote Zoenoffer, die, toen Hij zich eenmaal opgeofferd heeft aan het kruis, de bedoeling van Zijn offer scheen verklaard te hebben in dat gebed: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En Paulus schijnt te verwijzen naar deze wet betreffende zonden in onwetendheid bedreven, 1 Timotheus 1:13 T. Mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb in mijn ongelovigheid. En het had een gunstig aanzien voor de heidenen, dat deze wet om verzoening te doen voor zonden door onwetendheid of afdwaling bedreven, uitdrukkelijk uitgestrekt wordt tot hen, die vreemdelingen waren, vers 29, maar verondersteld werden proselieten van de gerechtigheid te zijn. Aldus komt de zegen Abrahams over de heidenen.