Leviticus 4:13-21
Dit is de wet ter verzoening van de schuld van een nationale zonde door een zondoffer. Indien de oversten van het volk door een vergissing omtrent de wet hen hebben doen afdwalen, en de vergissing ontdekt werd, dan moest een offer gebracht worden, opdat geen toorn zou komen over de gehele vergadering. Merk op:
1. Dat het mogelijk is dat de kerk dwaalt, en dat haar oversten haar misleiden, op een verkeerde weg doen gaan. Hier wordt verondersteld dat de gehele vergadering kan zondigen en wel door onwetendheid, of afdwaling. God zal altijd een kerk op aarde hebben, maar Hij heeft nooit gezegd, dat zij onfeilbaar zal zijn, of volkomen vrij van bederf, aan deze zijde van de hemel.
2. Als voor de gehele vergadering een offer geofferd moest worden, dan moesten de oudsten hun handen op hun hoofd leggen, drie van hen tenminste, als vertegenwoordigers van het volk, en handelende voor hen. Wij onderstellen dat de zonde bestond in een gewoonte, of gebruik, door het merendeel van het volk aangenomen in de veronderstelling dat dit gebruik of die gewoonte geoorloofd was, terwijl dit later bij onderzoek bleek niet geval te wezen. In zulk een geval zou de algemeenheid van het gebruik, dat hun wellicht door de vaderen was overgeleverd, en de volksmening dat het wettig was, hen niet in zoverre van de zonde verontschuldigen, of zij moesten toch een offer brengen, om haar te verzoenen. Er zijn veel slechte gewoonten, en er is menig verkeerd spraakgebruik, waarvan men denkt dat er geen kwaad in steekt, en die toch schuld en toorn over het land kunnen brengen, en dus hebben de oudsten de plicht om ten opzichte daarvan verbetering of hervorming te doen plaatshebben, en God te bidden die zonden te vergeven, Joël 2:16.
3. Het bloed van dit zondoffer moest, evenals van het vorige, zevenmaal voor het aangezicht van de Heer gesprengd worden, vers 17. Het moest daar niet worden uitgestort, maar alleen gesprengd, want de reinigende kracht van het bloed van Christus was toen, en is nu nog, genoegzaam aangeduid en voorgesteld door besprenging, Jesaja 52:15. Het moest zeven maal gesprengd worden. Zeven is een getal van volkomenheid, omdat, toen God de wereld gemaakt had in zes dagen, Hij op den zevende heeft gerust, en zo betekende dit de volkomen voldoening, teweeggebracht door Christus en de volkomen reiniging van de zielen van de gelovigen hierdoor, zie Hebreeën 10:14. Het bloed moest ook op de hoornen van het reukaltaar gedaan worden, waarop gezinspeeld schijnt te zijn in Jeremia 17:1 waar van de zonde van Juda gezegd wordt, dat zij "gegraveerd is op de hoornen van hun altaren." Indien zij niet aflieten van hun zonden, dan heeft het doen van het bloed van hun zondoffers op de hoornen van hun altaren, inplaats van ze weg te nemen, die er als het ware op gegraveerd, de herinnering er van doende voortduren, als een getuigenis tegen hen. Er is ook een toespeling op in Openbaring 9:13, waar een stem wordt gehoord uit de vier hoornen van het gouden altaar, dat is: een antwoord van vrede wordt gegeven op de gebeden der heiligen, die welbehaaglijk zijn en overmogen krachtens het bloed van zondoffers gedaan op de hoornen van dat altaar, vergelijk Openbaring 8:3.
4. Als het offer gebracht is, wordt gezegd: de priester zal voor hen verzoening doen en het zal hun vergeven worden, vers 20. De belofte van vergeving is gegrond op de verzoening. Hier wordt dus gesproken van de vergeving van de zonden van de gehele vergadering, dat is: het afwenden van het nationaal oordeel, dat de zonde verdiende. Als kerken en koninkrijken gered worden van het verderf, is dit te danken aan de genoegdoening en de voorspraak van Christus.