35. En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden terstond na hun aankomst, overeenkomstig het bevel van den koning van Perzië (
Hoofdstuk 7:17), den God Israël's brandoffers: twaalf varren voor gans Israël, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles werd geofferd ten brandoffer den HEERE 1), zodat niets daarvan tot offermaaltijd werd gebruikt.
1) Het zondoffer werd eerst gebracht tot verzoening der zonde van gans Israël, daarna het brandoffer, om daarmee gans Israël aan den dienst des Heren te heiligen. Aan de scheuring des rijks werd niet meer gedacht. Als één volk, bestaande uit 12 stammen, plaatst zich hier Abrahams nakroost voor den Heere God in Zijn heiligen tempel. 36. Daarna 1) gaven zij de wetten des konings zoals die in Hoofdstuk 7:21-24 zijn meegedeeld, aan des konings stadhouders of satrapen, onder welke Palestina stond, en aan de landvoogden, die het burgerlijk recht spraken aan deze zijde der rivier; en zij, de stadhouders zowel als de landvoogden, bevorderende belangen van het volk en van het huis Gods; 2) zij ondersteunden beiden, zover het bevel des konings hen daartoe verplichtte.
1) In Vers 35 hebben de 12 varren en de 12 bokken klaarblijkelijk betrekking op de 12 stammen van het volk. Aan dit getal hechtte men in het algemeen bij de grondvesting der nieuwe gemeente een groot gewicht, zoals dan ook in Vers 3-14 twaalf hoofden van vaderhuizen aan de spits der geslachten werden genoemd, opdat deze als een beeld der gemeente Israël's in 12 stammen erkend zouden worden. Deuteronomium 96 rammen zijn = 12 x 8; de 77 lammeren echter maken een veelvoud uit van zeven, het heilige bondsgetal..
2) Bij Vers 36 merken de "Wurtembergse Summariën het volgende op: De ambtenaren van koning Arthahsasta geven hier een goed voorbeeld aan alle ambtenaren, dat zij belang moeten stellen in het huis Gods en Zijn volk; dat zij den godsdienst moeten bevorderen en het volk des Heren beschermen en ondersteunen. Het zal dezen ambtenaren eenmaal op den jongsten dag verdraaglijker zijn dan velen ambtenaren bij de Christenen, die, ofschoon bewust zijnde, hoe zij zich omtrent God en Zijnen dienst moeten gedragen, hoe zij Zijne dienaren en Zijn volk moeten behandelen, dit zeer slecht in acht nemen, ja veel meer hun best doen om hen te onderdrukken (Mattheus 11:20)..
Het bovenstaande doet onze aandacht vestigen op de verlossing van zondaren van de geestelijke slavernij, en hun pelgrimsreis naar het hemelse Jeruzalem, onder de geleide en de bescherming van hunnen God en Zaligmaker. Zij, die lang de zonde en den satan gediend hebben, worden vermaand om hun gevangenschap te verlaten en dezen tocht aan te vangen. Moeilijkheden en gevaren wachten hen, maar de Heere zal met hen zijn op den weg, en hen geleiden en beschermen. Door Hem bewaard zullen de verlosten des Heren, wat hun ook moge tegenkomen, hun reis blijmoedig voortzetten en al juichende Sion binnentreden, waar eeuwige vreugde hun deel zal zijn..