Numeri 14:36-45
I. Hier is de plotselinge dood van de tien boze verspieders. Terwijl het vonnis over het volk werd uitgesproken, en voor het nog afgekondigd was, stierven zij door een plaag voor het aangezicht des Heeren, vers 36, 37. Nu wilde God:
1. Hiermede Zijn bijzonder misnoegen tonen tegen hen, die zondigden en Israël hebben doen zondigen.
a. Zij hebben zelf gezondigd, door een kwaad gerucht voort te brengen over dat land. Diegenen tergen God en verwekken Hem tot toorn, die de Godsdienst verkeerd voorstellen, er smaad op werpen, er vooroordelen tegen doen ontstaan in het hart van de mensen of aan hen, die dit zoeken te doen, aanleiding er toe te geven. Zij, die de dienst van God voorstellen als laag en verachtelijk, naargeestig en troosteloos, hard en onmogelijk, onnodig en onnut, brengen een kwaad gerucht voort van het goede land, verkeren de rechte wegen des Heeren, en maken Hem tot een leugenaar.
b. Zij deden Israël zondigen. Voorbedachtelijk hebben zij de gehele vergadering doen murmureren tegen God. Aanvoerders in de zonde kunnen verwachten onder bijzondere tekenen van Gods toorn te vallen, daar Hij streng met hen zal afrekenen voor het bloed van de zielen, dat aldus vergoten werd.
2. God heeft hiermede getoond, wat Hij aan de gehele vergadering had kunnen doen, en er een voorproef in gegeven van de voltrekking van het vonnis, dat nu over hen was uitgesproken. Hij, die aldus een van een stam heeft afgesneden, zou plotseling de gehele stam hebben kunnen uitroeien, en Hij zal het trapsgewijze doen. De opmerkelijke dood van openbare zondaren is een voorproef van het eindelijke verderf van de goddelozen, 2 Petrus 2:5, 6. Aldus wordt de toorn Gods geopenbaard opdat de zondaren zullen horen en vrezen.
II. De bijzondere bewaring van Kaleb en Jozua, vers 38. Zij bleven levend. Waarschijnlijk stonden al de twaalf verspieders bij elkaar, want de ogen van geheel Israël waren nu op hen gevestigd, en daarom wordt het opgemerkt als iets zeer merkwaardigs, iets dat op de gehele vergadering wel indruk moest maken, dat, toen de tien boze verspieders dood neervielen door de plaag, een boze, aanstekelijke ziekte, deze levend onder hen bleven staan, en gezond waren. Hiermede heeft God hun getuigenis bevestigd, en diegenen te schande gemaakt, die er van spraken hen te stenigen. Hij gaf hun tevens de verzekering, dat zij ook verder in de woestijn bewaard zullen blijven, als er duizenden zullen vallen aan hun rechterhand en hun linkerhand, Psalm 91:7. De dood mist nooit zijn doel, noch treft bij vergissing hen die bestemd zijn om te leven, al bevinden zij zich ook in het midden van hen, die sterven.
III. De bekendmaking van het vonnis aan geheel het volk, vers 39. Hij deelde hun het raadsbesluit mee, dat tegen hen was uitgegaan en dat niet herroepen kon worden: dat zij allen in de woestijn moeten sterven, en Kanaän voor het volgend geslacht bewaard zal blijven. Wij kunnen ons wel voorstellen, dat het een zeer grote teleurstelling was voor Mozes zelf, die er naar verlangde om in Kanaän te zijn, even goed als het hele volk, maar hij berustte, doch zij weenden en treurden zeer. De verzekering, die Mozes had, dat God door dit oordeel verheerlijkt zal worden, gaf hem voldoening, terwijl de bewustheid van hun eigen schuld, en dat zij zelf dit over zich gebracht hadden, hen kwelde. Zij hadden voor niets geweend, vers 1, en nu is hun reden gegeven om te wenen, zo rechtvaardig worden murmureerders tot rouwbedrijvenden gemaakt. Indien zij getreurd hadden om de zonde, toen zij er getrouw om bestraft waren, vers 9, dan zou het oordeel voorkomen zijn maar nu zij slechts treurden om het oordeel, kwam dit treuren te laat, en baatte het hen niet, "zij vonden geen plaats des berouws hoewel zij dezelve met tranen zochten," Hebreeën 12-17. Zulk treuren is er in de hel, maar de tranen zullen er de vlammen niet uitblussen, noch er de tong verkoelen.
IV. De dwaze, vruchteloze poging van sommige Israëlieten om voorwaarts te gaan naar Kanaän, vers 40.
1. Zij stonden vroeg op, monsterden al hun krijgsmacht, verenigden zich tot een legercorps, en verzochten Mozes om hen aan te voeren tegen de vijand, en nu is er onder hen geen sprake meer van een hoofd op te werpen, om naar Egypte terug te keren. Zij belijden hun schuld. Wij hebben gezondigd, zij beloven verbetering: Zie, hier zijn wij, en wij zullen optrekken. Nu begeren zij het land, dat zij hadden versmaad, en stellen zij vertrouwen in de belofte, die zij gewantrouwd hadden. Zo zal God overwinnen als Hij oordeelt, en vroeg of laat de zondaren overtuigen van het kwaad van hun goddeloze daden en harde woorden, en hen noodzaken die woorden te herroepen. Maar hoewel God verheerlijkt werd door deze hun herroeping, hadden zij er toch geen nut of voordeel van, omdat zij te laat kwam. Het raadsbesluit was uitgegaan, de voleinding was besloten, zij hebben de Heere niet gezocht terwijl Hij te vinden was, en nu wilde Hij niet van hen gevonden worden. O! indien de mensen slechts even ernstig en ijverig er naar streefden om in de hemel te komen terwijl het nog hun dag van de genade is als zij het zijn zullen, wanneer die dag voorbij is, even zorgzaam wilden zijn om zich van olie te voorzien, terwijl de Bruidegom nog toeft, als zij het zijn zullen wanneer Hij komt, hoe wèl zou het dan met hen wezen!
2. Mozes wijst hun voorstel af, en verbiedt de expeditie, die zij beraamd hadden, vers 41-43. Trekt niet op.
a. Hij waarschuwt hen voor de zonde, die er in gelegen is, het is het bevel des Heeren overtreden, die hun uitdrukkelijk had geboden, om naar de Rode Zee terug te keren. Hetgeen plicht was op de rechte tijd er voor, kan op de verkeerde tijd zonde worden. Wel is waar was het gebod, waarvan hij spreekt, hun als straf gegeven, maar hij, die de wet niet gehoorzaamd heeft, is verplicht zich aan de straf voor ongehoorzaamheid te onderwerpen, want de Heere is onze Rechter, zowel als onze Wetgever.
b. Hij waarschuwt hen voor het gevaar: dat zal geen voorspoed hebben. Het is dwaasheid ons voorspoed te beloven op hetgeen wij tegen de wil van God ondernemen. De Kanaänieten zijn daar voor uw aangezicht, om u aan te vallen, en de Heere zal in het midden van u niet zijn om u te beschermen en voor u te strijden, ziet dus wèl toe dat gij niet geslagen wordt voor het aangezicht uwer vijanden. Zij, die buiten de weg zijn van hun plicht, zijn weg van onder Gods bescherming, en gaan dan voort op hun gevaar. Het is gevaarlijk te gaan waar wij niet kunnen verwachten dat God met ons zal gaan. Ja meer, duidelijk voorziet en voorzegt hij hun nederlaag, gij zult vallen door het zwaard van de Amalekieten en Kanaänieten (die door hun zwaard hadden moeten vallen), omdat gij u afgekeerd hebt van de Heere, van Zijn gebod en Zijn belofte, zo zal de Heere met u niet zijn. God zal gewis hen verlaten, die Hem verlaten, en zij, die door Hem verlaten zijn, staan bloot aan iedere ellende
3. Desniettemin gaan zij voort. Nooit was een volk zo verdorven, zo vast besloten om in alles in tegenheid te wandelen met God. God gebood hun te gaan, en zij wilden niet, Hij verbood hun te gaan, en zij wilden. Aldus is het bedenken van het vlees vijandschap tegen God. Zij poogden vermetel op de hoogte van de berg te klimmen, vers 44. Hierin:
a. Weerstonden zij het vonnis van de Goddelijke gerechtigheid, en wilden zij, in weerwil er van, voorwaarts gaan.
b. Minachtten zij de tekenen van Gods tegenwoordigheid, want zij wilden gaan, hoewel zij Mozes en de ark des verbonds achterlieten. Gods kracht hadden zij gewantrouwd, en nu hebben zij de vermetelheid om, zonder haar, in hun eigen kracht te gaan.
4. Dienovereenkomstig is de uitslag van hun onderneming, vers 45. De vijand had post gevat op de top van de berg, om die pas tegen de aanvallers te verdedigen, en van hun verkenners bericht ontvangen hebbende van hun nadering, deden zij een uitval tegen hen en versloegen hen, en waarschijnlijk zijn vele Israëlieten gedood. Nu begon reeds het vonnis ten uitvoer te worden gebracht, dat hun dode lichamen in de woestijn zullen vallen. Die zaak kan nooit goed eindigen, die begonnen is met zonde. Het middel om vrede te hebben met onze vrienden en voorspoed tegen vijanden is: God tot onze vriend te maken en ons te bewaren in Zijn liefde. Toen de joden, evenals deze hun voorouders, Christus' gerechtigheid hadden verworpen, hebben zij gepoogd hun eigen gerechtigheid op te richten, en de uitslag van hun pogen was ook aan die van hun voorouders gelijk, zij hebben gefaald.