Numeri 14:11-19
I. Hier is het rechtvaardig vonnis, dat God uitsprak over Israël wegens hun murmureren en ongeloof, hetwelk, hoewel het later verzacht werd, toch toonde wat hun zonde verdiend had, en de eis van de beledigde gerechtigheid, en wat er geschied zou zijn, indien Mozes geen voorbede voor hen gedaan had. Wij kunnen veronderstellen dat Mozes, toen de heerlijkheid des Heeren verscheen in de tabernakel, dit beschouwde als een oproeping voor hem om er terstond heen te gaan, zoals hij bij een dergelijke gelegenheid, voordat de tabernakel opgericht was, op de berg ging Exodus 32:30. Zo heeft God, terwijl het volk Mozes zocht te smaden, hem openlijk geëerd als de man Zijns raads. Nu wordt ons hier meegedeeld wat God daar tot hem zei.
1. Hij toonde hem het grote kwaad van de zondevan het volk, vers 11. Wat tussen God en Israël voorviel ging door de hand van Mozes, als zij misnoegd waren op God, dan spraken zij er Mozes van, vers 2, als God misnoegd was op hen, dan zei ook Hij dit aan Mozes, aan Zijn knecht, de profeet, Zijn verborgenheid openbarende, Amos 3:7. Over twee dingen heeft God rechtvaardiglijk bij Mozes geklaagd:
A. Hun zonde. Zij tergen Mij, of, gelijk de velerlei betekenis is van het woord: zij, verwerpen, smaden, verachten Mij, want zij willen Mij niet geloven, dat was de bittere wortel die gal en alsem droeg. Het was hun ongeloof die deze dag tot "een dag van verzoeking" maakte in de woestijn, Hebreeën 3:8. Wantrouwen van God, van Zijn macht en Zijn belofte, is zelf een zeer grote terging en ligt op de bodem van veel andere tergingen. Ongeloof is een grote zonde, 1 Johannes 5:10.
B. Hun volharden er in. Hoelang zullen zij dat doen? De God des hemels houdt er rekening van hoelang de zondaren volharden in hun terging, en hoe langer zij het doen, hoe meer misnoegd Hij is. De verzwaringen van hun zonde bestonden:
a. In hun betrekking tot God. Dit volk, een bijzonder volk, een belijdend volk. Hoe nader de mensen zijn tot God in naam en belijdenis, hoe meer Hij getergd wordt door hun zonde, inzonderheid door hun ongeloof.
b. De ervaring, die zij hadden van Gods macht en goedheid door alle tekenen, die Hij in het midden van hen gedaan heeft en door welke men zou denken dat Hij hen krachtdadig verplicht heeft Hem te vertrouwen en te volgen. Hoe meer God voor ons gedaan heeft, hoe groter de terging is, als wij Hem wantrouwen.
2. Hij toonde hem het vonnis, dat de gerechtigheid dieswege over hen uitsprak, vers 12. "Wat blijft er nu anders over, dan dat Ik een voleinding met hen maak. Het zal spoedig gedaan zijn: Ik zal hen met pestilentie slaan niemand van hen overig laten, maar hun naam en geslacht uitdelgen, hen aldus verstoten, onterven, zodat Ik niet langer verdriet aan hen zal hebben. O wee! Ik zal Mij troosten over Mijn wederpartijders, Zij wensen te sterven, zo laat hen dan sterven en dat wortel noch tak van hen overblijve. Zulke rebellerende kinderen verdienen onterfd en verstoten te worden". En als nu gevraagd wordt: "Wat zal er dan worden van Gods verbond met Abraham?" dan is hier het antwoord: "Het zal bewaard worden in het geslacht van Mozes, Ik zal u tot een groter en sterker volk maken dan dit is." Aldus heeft God: a. Mozes op de proef willen stellen, om te zien, of hij voor Israël nog dezelfde genegenheid koesterde, als die hij bij een dergelijke gelegenheid te kennen heeft gegeven, door de voorkeur te geven aan hun belangen boven de bevordering van zijn eigen gezin en geslacht, en het is gebleken, dat Mozes nog door dezelfde geest was bezield, nog dezelfde liefde had voor het welzijn van het algemeen en het denkbeeld niet kon dragen om zijn eigen naam te verheffen op het verderf, de ondergang van de naam van Israël.
b. Wilde God ons leren, dat Hij niets verliest door de ondergang van de zondaren. Indien Adam en Eva onterfd en uitgedelgd waren, dan zou Hij een anderen Adam en een andere Eva hebben kunnen scheppen, en in hen Zijn genade hebben verheerlijkt, zoals Hij hier Zijn genade verheerlijkt zou hebben in Mozes, al ware Israël dan ook uitgeroeid geworden.
II. De nederige voorbede, die Mozes voor hen deed. Hun zonde had een noodlottige scheur doen ontstaan in de muur van hun verdediging, door welke scheur of bres het verderf gewis binnengekomen zou zijn, indien Mozes door er zich in te stellen haar niet bijtijds geheeld had. Hier was hij een type van Christus, die voor Zijn vervolgers heeft gebeden, heeft gebeden voor hen, die Hem geweld deden, ons aldus van Zijn eigen voorschrift een voorbeeld nalatende, Mattheus 5:44.
1. Waar hij in zijn gebed om vraagt, is in een woord: Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk, vers 19. Dat is: "Breng niet over hen het verderf, dat zij verdienen." Dat was Christus' gebed voor hen, die Hem kruisigden: "Vader, vergeef hun." De vergeving van een nationale zonde, als zodanig, bestaat in het afwenden van de nationale straf, en dat is het waarom Mozes hier zo ernstig en vurig bidt.
2. De pleitgronden zijn vele, en zij worden krachtig aangevoerd.
A. De meeste nadruk legt hij op de pleitgrond, ontleend aan de heerlijkheid Gods, vers 13-16. Daarmee begint hij, en wel ietwat plotseling, naar aanleiding van het ontzettende woord: Ik zal hen verstoten. Heere, ( zegt hij) zo zullen het de Egyptenaars horen. Gods eer lag hem nader aan het hart dan zijn eigen belangen.
Merk op hoe hij deze zaak ordelijk voor God stelt. Hij voert aan:
a. Dat de ogen van Egypte en Kanaän op hen gericht waren, en grote verwachtingen omtrent hen gekoesterd werden. Het kon niet anders, of zij hebben gehoord, dat Gij, Heere, in het midden van dit volk zijt, vers 14. In de naburige landen weerklonk overal het bericht, dat dit volk de bijzondere zorg was van de hemel, zoals nooit enig ander volk op aarde dit geweest is.
b. Dat het zeer bekend zou worden, indien dit volk uitgedelgd werd. De Egyptenaars zullen het horen, vers 13, want zij hebben hun spionnen onder ons, en zij zullen het zeggen aan de inwoners van dat land, vers 14, want er was veel verkeer tussen Egypte en Kanaän hoewel niet langs de weg door de woestijn. indien een volk, waarover zo groot gerucht is uitgegaan, geheel verdaan wordt, zodat hun grote aanspraken op niets uitlopen, dan zal dit met zeer veel genoegen verteld worden te Gath, en verkondigd worden in de straten van Askelon, en welke uitlegging zal men er daar van geven? Het zal onmogelijk zijn om hen te doen begrijpen, dat dit een daad was van Gods gerechtigheid, en als zodanig, strekkende tot Gods eer en heerlijkheid, "onvernuftige mensen" "weten daar niet van", Psalm 92:7, maar zullen het toeschrijven aan het onvoldoende van Gods macht, en het aldus tot Zijn smaad aanwenden. vers 16 Hij slachtte hen in de woestijn, zullen zij zeggen, omdat Hij niet bij machte was hen in Kanaän te brengen, Zijn arm was verkort, en Zijn voorraad van wonderen uitgeput. Welaan, Heere, laat niet de ene eigenschap verheerlijkt worden ten koste van een andere, laat veeleer de barmhartigheid roemen tegen het oordeel, dan dat de almachtige kracht beschuldigd of gelaakt wordt." De beste pleitgronden in het gebed zijn die, welke ontleend zijn aan Gods eer, want die komen overeen met de eerste bede in het gebed onzes Heeren: Uw naam worde geheiligd, Werp de troon Uwer heerlijkheid niet neer. God pleit hierop bij zichzelf, Deuteronomium 32:27, "zo Ik de toorn des vijands niet schroomde." En wij moeten het gebruiken als een argument bij onszelf, om in alle dingen zo te wandelen, dat wij aan de vijanden geen oorzaak geven om de Heere te lasteren, 1 Timotheus 6:1. T
B. Hij pleit op Gods uitroepen van Zijn naam bij Horeb, vers 17.18 vers 18.laat toch de kracht des Heeren groot worden, kracht wordt hier genomen voor vergevende genade, het is Zijn macht over Zijn eigen toorn. Als Hij hen verdelgt, zal Gods macht in twijfel worden getrokken, indien Hij hun verlossing voortzet en voleindigt, in weerwil van de ontstane moeilijkheden, niet slechts door de sterkte van hun vijanden, maar door hun eigen tergingen, dan zou dit de Goddelijke kracht grotelijks verheerlijken, wat kan Hij niet doen die zo zwak een volk tot overwinnaars kan maken, en zo onwaardig een volk gunstgenoten kan doen worden? Hoe meer gevaar er is dat anderen Gods macht smaden, hoe meer wij moeten begeren haar verheerlijkt te zien. Om aan deze bede kracht bij te zetten, verwijst hij naar het woord, dat God heeft gesproken: "De Heere is lankmoedig en" "groot van weldadigheid." Van Gods goedheid werd daar gesproken als van Zijn heerlijkheid, God had er in geroemd, Exodus 34:6, 7. Nu bidt hij hier dat Hij haar bij deze gelegenheid zal verheerlijken. Wij moeten onze aanmoediging in het gebed nemen uit het woord van God waarop Hij "ons heeft doen hopen," Psalm 119:49. "Heere, wees, en doe "naar dat Gij hebt gesproken, " "immers: hebt Gij gesproken, en zult Gij het niet doen?" Er zijn drie dingen, die God plechtig verklaard heeft, en die Mozes hier aangrijpt en gebruikt om aan zijn bede kracht bij te zetten.
a. De goedheid van Gods aard in het algemeen: Hij is lankmoedig, of traag tot toorn, en van grote barmhartigheid, niet spoedig getergd, maar teder en mededogend jegens overtreders.
b. Zijn bereidwilligheid inzonderheid om de zonde te vergeven, vergevende de ongerechtigheid en overtreding, zonden van allerlei soort.
c. Zijn onwil om tot het uiterste over te gaan, zelfs als Hij straft. Want in die zin kunnen de volgende woorden gelezen worden, Die in het bezoeken van de ongerechtigheid van de vaderen aan de kinderen niet geheel en al zal verwoesten. In het tweede gebod heeft God inderdaad gezegd, dat Hij aldus bezoeking zal doen, maar hier belooft Hij geen voleinding te zullen maken met de geslachten en zo is dit dan hier zeer toepasselijk, want Mozes kan niet bidden, dat God deze zonde in het geheel niet zal straffen, (het zou een al te grote aanmoediging zijn van rebellie, indien Hij er het teken van Zijn ongenoegen niet op plaatste) maar wel, dat Hij niet het gehele volk als een enig man zal doden, vers 15.
Hij vraagt niet dat zij niet getuchtigd zullen worden, maar wèl dat zij niet zullen worden verstoten. En dit uitroepen van Gods naam was te meer van pas voor zijn doel, omdat het gedaan werd bij gelegenheid van het vergeven van hun zonde van het maken van het gouden kalf. De zonde, waarin zij nu gevallen waren, was erg genoeg, maar het was toch geen afgoderij. C. Hij pleit op vroegere ervaring, vers 19. Vergeef toch de ongerechtigheid van dit volk naar de grootte Uwer goedertierenheid, en gelijk als Gij ze dit volk van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt. Dit scheen tot hun nadele te zijn, waarom zou hun nog vergeving geschonken worden, die reeds zo dikwijls vergeving hadden ontvangen, en toch al meer en meer in opstand kwamen, en door de zachtheid en het geduld huns Gods en de menigvuldige vergeving, die zij hadden ontvangen, verhard schenen, en aangemoedigd in hun rebellie? Onder de mensen zou het als onstaatkundig beschouwd worden, om in zulke omstandigheden acht te slaan op een verzoek van die aard, daar dit juist ten nadele van de verzoeker zou strekken, maar, evenals in andere dingen, zo zijn ook ten opzichte van vergeving van de zonde, Gods gedachten en wegen oneindig hoger dan de onze, Jesaja 55:9. Mozes beschouwt het als een goede pleitgrond: Heere, vergeef, zoals Gij vergeven hebt. Het zal thans evenmin als vroeger een smaad zijn voor Uwe gerechtigheid, en niet minder tot lof strekken van Uw genade, om nu te vergeven dan het er vroeger toe gestrekt heeft. "De kinderen" "Jakob's zijn niet verteerd," omdat wij te doen hebben met een God, "die" "niet verandert," Maleachi 3:6.