Numeri 11:24-30
Wij hebben hier de vervulling van Gods woord aan Mozes, dat hij hulp zou hebben in de regering van Israël.
I. Hier is de zaak van deze zeventig raadsheren in het algemeen. Hoewel Mozes een weinig ontroerd was door het getier van het volk, was hij nu toch na zijn gemeenschapsoefening met God kalm, en was hij spoedig zichzelf weer. Naar hetgeen overeengekomen was,
1. Deed hij wat hem aangewezen was te doen, hij stelde de zeventig oudsten voor het aangezicht des Heeren rondom de tabernakel, vers 24, opdat zij daar zouden staan, bereid en gereed om de genade Gods te ontvangen, in de plaats waar Hij zich openbaarde, en opdat ook het volk getuige zou zijn van hun plechtige roeping. Zij, die gunst van God verwachten moeten zichzelf en hun diensten nederig de Heere aanbieden.
2. God bleef niet in gebreke het Zijne te doen. Hij zonderde af van de Geest, die op Mozes was, en legde Hem op de zeventig mannen, vers 25, waardoor zij, wier gaven en opvoeding hen met hun naasten gelijkgesteld hadden nu plotseling in staat gesteld werden om te zeggen en te doen wat buitengewoon was. Dit bewees dat zij zich onder Goddelijke ingeving bevonden. Zij profeteerden, en hielden de gehele dag-maar alleen op die dag naar sommigen denken- daarmee niet op. Zij spraken tot het volk van de dingen Gods, en legden misschien de wet uit, die zij kort tevoren hadden ontvangen, met bewonderenswaardige duidelijkheid en volledigheid, vaardigheid en juistheid van uitdrukking, zodat allen, die hen hoorden, konden zien en zeggen dat "God in waarheid onder hen is, " zie 1 Corinthiërs 14:24, 25. Zo werd, lang daarna, Saul voor de regering aangewezen door de gave van de profetie, die gedurende een dag en een nacht op hem gekomen is, 1 Samuël 10:6, 11. Toen Mozes Israël uit Egypte moest gaan leiden werd Aäron aangesteld om zijn profeet te wezen, Exodus 7:1, maar nu God hem tot ander werk had geroepen, had Mozes in zijn plaats zeventig profeten om hem bij te staan. Diegenen zijn het geschiktst om in Gods Israël te regeren, die wèl bekend zijn met Goddelijke zaken, en de gave hebben om te leren tot stichting.
II. Hier is de bijzondere zaak van twee hunner, Eldad en Medad, waarschijnlijk twee broeders.
1. Zij waren door Mozes benoemd om helpers te zijn in de regering, maar waren niet, zoals de anderen, uitgegaan tot de tabernakel vers 26. Calvijn maakt de gissing, dat de oproeping hun gezonden was, maar dat zij niet thuis waren toen zij kwam, zodat zij wel aangeschreven, maar niet geroepen waren. De meesten denken dat zij uit overmaat van bescheidenheid en nederigheid geweigerd hadden om tot de tabernakel te komen, daar zij zich van hun zwakheid en onwaardigheid bewust waren, en zo wensten zij voor verontschuldigd gehouden te worden om aan de regering te komen. Hun beginsel was hun tot lof, maar hun praktijk in het niet gehoorzamen van het bevel, was hun gebrek.
2. De Geest Gods vond hen in het leger waar zij zich tussen de vaten verstoken hadden, en daar profeteerden zij, dat is: zij beoefenden hun gave van bidden, prediken en God loven in de een of andere particuliere tent. De Geest Gods is niet gebonden aan de tabernakel, maar, "evenals de wind, blaast Hij waarheen Hij wil", Johannes 3:8."waar zouden wij heengaan voor die Geest?" Er was een bijzondere leiding van Gods voorzienigheid in, dat deze twee afwezig waren, want zo bleek het dat het inderdaad een Goddelijke Geest was, door welke deze ouderlingen gedreven werden, en dat het niet Mozes was, die hun die Geest gaf, maar God zelf. Zij hebben met bescheidenheid bevordering afgewezen, maar God legt hun die op, dringt hen er toe, ja zij hebben de eer, dat hun namen genoemd zijn welke eer de overigen niet hadden, want die zichzelf vernederen, zullen verhoogd worden, en diegenen zijn het meest geschikt voor de regering, wier eerzucht het minst er naar uitgaat.
3. Hiervan wordt aan Mozes kennis gegeven vers 27, Eldad en Medad profeteren in het leger. "Er is in die en die tent een conventikel, en Eldad en Medad prediken er, buiten het toezicht en het bestuur van Mozes, en buiten de gemeenschap met de andere oudsten." De persoon, die deze tijding bracht-wie hij ook moge geweest zijn-schijnt dit als een onregelmatigheid beschouwd te hebben.
4. Jozua stelt voor hun het zwijgen op te leggen, vers 28. Mijn heer Mozes, verbied hen. Het is waarschijnlijk dat Jozua zelf een van de zeventigen was, hetgeen hem des te meer voor de eer van hun orde doet ijveren. Hij achtte het een bewezen zaak, dat zij niet onder een noodzakelijke aandrift van de Geest waren, want de geesten van de profeten zijn de profeten onderworpen, en daarom wilde hij dat zij of in het geheel niet zouden profeteren, of naar de tabernakel zouden komen, en in overeenstemming met de overigen zouden profeteren. Hij wenst niet dat zij gestraft zullen worden voor hetgeen zij gedaan hadden, maar er slechts voor het vervolg van teruggehouden zullen worden. Dit voorstel deed hij uit een goed beginsel, niet uit persoonlijker afkeer van Eldad en Medad, maar uit oprechte ijver voor hetgeen hij als de eenheid van de kerk beschouwde en uit bezorgdheid voor de eer van God en Mozes.
5. Mozes verwerpt het voorstel en bestraft hem, die het gedaan heeft, vers 29. "Zijt gij voor mij ijverende? Gij weet niet van welke geest gij zijt." Hoewel Jozua Mozes' bijzondere vriend en vertrouweling was, en hij dit gezegd had uit eerbied voor Mozes, wiens eer hij niet gaarne zag tanen door de roeping van deze oudsten, bestraft Mozes hem toch, en in hem allen, die van zo'n geest zijn.
a. Wij moeten ons niet in stilte bedroeven en bekommeren om de gaven en de bruikbaarheid van anderen. Het was het gebrek van de discipelen van Johannes, dat zij Christus Zijn eer benijdden, omdat zij die van hun meester in de schaduw stelde, Johannes 3:26 en verv.
b. Wij moeten ons niet tot toorn laten vervoeren door de zwakheid en gebreken van anderen. Gesteld dat Eldad en Medad zich schuldig maakten aan een onregelmatigheid, dan was toch Jozua al te spoedig in toorn tegen hen ontstoken. Onze ijver moet altijd getemperd worden door de zachtmoedigheid van de wijsheid, de gerechtigheid Gods heeft de toorn van de mensen niet nodig, Jakobus 1:20.
c. Wij moeten niet de beste en nuttigste mensen tot partijhoofden maken. Paulus wilde niet dat gebruik gemaakt zou worden van zijn naam om een partij in bescherming te nemen, 1 Corinthiërs 1:12, 13.
d. Wij moeten niet haastig zijn, om diegenen te veroordelen en tot zwijgen te brengen, die met ons in gevoelen verschillen, alsof zij Christus niet volgen, omdat zij "Hem niet met ons volgen," Markus 9:38. Zullen wij hen verwerpen, die door Christus zijn aangenomen? Of iemand weerhouden van goed te doen, omdat hij niet in alle opzichten met ons van één gevoelen is? Mozes was van een andere geest, het is zó ver van hem om deze twee tot zwijgen te brengen en de Geest in hen uit te blussen, dat hij wenst dat al het volk des Heeren profeten waren, dat is, dat Hij Zijn Geest op hen legde. Niet dat hij wilde, dat mensen zich tot profeten zullen opwerpen, die er niet toe bevoegd en bekwaam zijn, of dat hij verwachtte dat de Geest van de profetie aldus algemeen zou gemaakt worden, maar aldus drukt hij zijn liefde en eerbied uit voor al het volk des Heeren, zijn welgevallen in de gaven van anderen, en toonde hij hoe verre het van hem was, om misnoegd te zijn wegens Eldads en Medads profeteren buiten zijn toezicht. Van zo'n voortreffelijken geest was ook Paulus die zich verheugde dat Christus gepredikt werd, al was het ook door hen, die hiermede meenden "aan zijn banden verdrukking toe te brengen," Filippenzen 1:16. Het behoort ons te verblijden, dat God gediend en verheerlijkt wordt, dat er goed wordt gedaan, al is het ook dat onze roem of vermaardheid, of de roem van ons systeem er minder door wordt.
6. De oudsten, die nu geordend waren, traden terstond in dienst, vers 30, nadat hun roeping genoegzaam bewezen was door hun profeteren gingen zij met Mozes in het leger en legden zich toe op de zaken. De gave ontvangen hebbende, bedienden zij dezelve als goede uitdelers van de menigerlei genade Gods, en nu verblijdde Mozes er zich in, dat er zovelen waren, om met hem te delen in de arbeid en de eer. En:
a. Laat Mozes' getuigenis geloofd worden door hen, die zo gaarne aan de regering willen zijn, namelijk dat de regering een last is. Zij is een last van zorg en moeite en verdriet voor hen, die er de plichten nauwgezet van willen vervullen, en voor hen, die dit niet doen, zal zij een nog zwaarder last blijken te wezen in de dag des oordeels, wanneer zij onder het oordeel zullen vallen van de onnutte dienstknecht, die zijn talent begraven heeft.
b. Laat Mozes' voorbeeld gevolgd worden door hen, die aan de regering zijn, laat hen de raad en bijstand van anderen niet versmaden, maar begeren, en er dankbaar voor zijn, niet wensende wijsheid en macht voor zich te monopoliseren. In de veelheid van de raadslieden is behoudenis.