Nehemia 8:14-19
Wij hebben hier:
I. Dat het volk er zich opnieuw toe begaf om het woord te horen en te verstaan. Zij hadden het grootste deel van een dag doorgebracht met bidden en horen, en toch waren zij die nieuwe maand en sabbat zo weinig moe, dat zij, dat is hun oversten, de volgende dag-hoewel het toen geen feestdag was-zich weer tot Ezra verzamelden, om hem het woord te horen verklaren, vers 14, en zij vonden daar meer genot en voordeel in dan in enigerlei werelds genot of gewin. Als wij het woord van God recht verstaan en er door aangedaan worden, dan zullen wij, hoe meer wij er mee bekend worden, hoe meer verlangen er nog beter mee bekend te worden, zeggende: hoe zoet zijn Uwe redenen mijn gehemelte geweest! Zij, die de Schriften goed verstaan zullen verlangen ze nog beter te verstaan. Nu kwamen de priesters en Levieten zelf met de hoofden van de vaderen van het hele volk tot Ezra, die vorst van de Schriftuitleggers, om verstand te bekomen in de woorden der, of, zoals de kanttekening het heeft, opdat zij zouden onderwijzen in de woorden van de wet, zij kwamen om zelf onderricht te worden, ten einde bekwaam gemaakt te worden om anderen te kunnen onderwijzen.
Merk op:
1. Op de eerste dag heeft Ezra in zijn nederigheid hen als leraren met zich aan zijn rechter en zijn linkerhand gesteld, vers 5 en 8, maar nu zij zich door die proefneming meer dan ooit bewust waren geworden van hun eigen gebrek en van zijn uitnemendheid, hebben zij zich in hun ootmoed op de tweede dag aan Ezra's voeten gezet, om van hem te leren.
2. Zij, die anderen willen onderwijzen, moeten zelf onderricht ontvangen. Priesters en Levieten moeten eerst onderwezen worden, en dan moeten zij onderwijzen.
II. Des volks gerede gehoorzaamheid in een bijzondere omstandigheid, zodra zij op hun plicht hierin gewezen waren. Waarschijnlijk heeft Ezra naar de wijsheid Gods, die in zijn hand was, Ezra 7:25, toen zij zich op de tweede dag van de zevende maand tot hem wendden, om onderricht te worden in de wet, hun de wetten gelezen betreffende de feesten van die maand, en onder anderen die voor het Loofhuttenfeest, Leviticus 23:34, Deuteronomium 16:13. Leraren moeten niet alleen prediken wat waar en goed is, maar ook wat tijdig en geschikt is, ieder dagwerk schikken naar deszelfs dag.
Hier zien wij:
1. Hoe zij Gods gebod omtrent het Loofhuttenfeest vonden, vers 15, 16. Zij vonden een gebod desbetreffende in de wet. Zij, die naarstig de Schriften onderzoeken, zullen er dingen in geschreven vinden, die zij hadden vergeten of niet genoeg opgemerkt hadden. Dit Loofhuttenfeest was een gedachtenis aan hun wonen in tenten in de woestijn, een voorstelling van onze tabernakel toestand in deze wereld, en een type van de heilige blijdschap van de Evangelie kerk. De bekering van de heidenen tot het geloof van Christus is voorzegd onder het beeld van dit feest, Zacheria 14:16. Zij zullen komen "om te vieren het feest van de loofhutten," als hebbende hier geen blijvende stad. Dit feest moest in al hun steden worden uitgeroepen. Het volk moest zelf takken van bomen gaan halen, (die te Jeruzalem woonden, haalden ze van de Olijfberg), en loofhutten ervan maken, waarin zij moesten wonen, voorzover het weer het toeliet, en vrolijk zijn gedurende het feest.
2. Deze inzetting nauwkeurig waargenomen, vers 17, 18. Wij lezen en horen het woord op Gode welbehaaglijke wijze en met nut en voordeel voor onze ziel, als wij doen naardat er in geschreven is, en als wij de plichten, die wij veronachtzaamd hebben, weer ter harte nemen en getrouw volbrengen.
A. Zij namen de ceremonie waar, zij zaten in loofhutten, die de priesters en Levieten opgericht hadden in de voorhoven van de tempel, zij, die huizen hadden, zetten de loofhutten op de daken ervan, of in de voorhoven, en zij die deze geriefelijkheden niet hadden, zetten ze op de straat. Dit feest is gemeenlijk gevierd geworden, 2 Kronieken 5:3, Ezra 3:4, maar nooit met zoveel plechtigheid als nu, sedert de tijd van Jozua, toen zij pas in Kanaän gevestigd waren, gelijk zij er nu opnieuw in waren gevestigd. Die mens bemint zijn huis al te veel, die het niet van zich kan verkrijgen om het, in onderwerping hetzij aan een inzetting Gods, of aan een leiding van Zijn voorzienigheid, voor een wijle te verlaten.
B. Zij gaven acht op het wezen van de zaak, want anders zou de ceremonie, hoe betekenisvol zij ook was, voor hen van geen betekenis zijn geweest.
a. Zij deden het met blijdschap, met zeer grote blijdschap, zich verheugende in God en in Zijn goedertierenheid over hen. Al hun heilige feesten, maar inzonderheid dit feest, moesten met blijdschap gevierd worden hetgeen strekte tot eer van God en tot hun aanmoediging in Zijn dienst.
b. Zij hebben gedurende al de dagen van het feest het lezen en verklaren van het woord Gods bijgewoond, vers 19. Zij gebruikten hun ledige tijd voor dat goede werk, zulke ledige uren kunnen niet beter doorgebracht worden dan in het bestuderen van de Schrift. God had bevolen dat op dit Loofhuttenfeest de wet gelezen zou worden, eens in de zeven jaren. Of dit nu dat jaar van de vrijlating was, waarin die dienst gehouden moest worden, Deuteronomium 31:10, 11, blijkt niet, maar al de dagen van het feest brachten zij toch door met dat goede werk, en op de achtste dag was er een plechtige samenroeping, zoals God geboden had, waarop zij de plechtigheid op de twee en twintigsten dag van de maand eindigden. Toch zijn zij toen niet uiteen gegaan, want de vier en twintigste dag was bestemd om met vasten en bidden doorgebracht te worden. Heilige vreugde moet ons niet ongeschikt maken voor droefheid naar God, evenmin als Godvruchtige droefheid heilige blijdschap moet in de weg staan.