Nehemia 7:1-4
God zegt van Zijn kerk, Jesaja 62:6. "Ik heb wachters op" "uw muren besteld." Dat is hier Nehemia's zorg, want dode muren, zonder levende wachters, zijn slechts een armzalige bescherming voor een stad.
1. Hij stelde de poortwachters, zangers en Levieten in hun plaats voor hun werk, het is bedoeld voor hun werk in het algemeen, hetwelk bestond in het bijwonen van en dienen in de tempeldienst, die toen enigermate veronachtzaamd was geweest, maar nu weer hersteld werd. Gods aanbidding is de bescherming van een plaats, en Zijn dienstknechten zijn, als zij getrouw hun plicht vervullen, de wachters op haar muren. Of, in het bijzonder: hij gebood hun zich gereed te houden tegen de tijd, dat de muren Gode gewijd zullen worden, om de dienst daarbij ordelijk en plechtig te verrichten, de wijding er van was hun sterkte. Datgene zal waarschijnlijk weldadig en voordelig voor ons zijn, hetwelk Gode gewijd is.
2. Hij stelde twee gouverneurs of consuls aan, aan wie hij de zorg voor de stad opdroeg, zij hadden in de openbare veiligheid en vrede te voorzien. De een was Hanani, zijn broeder, die tot hem was gekomen met de tijding van de ellende, die er te Jeruzalem heerste, hij was een man van beproefde trouw en liefde voor zijn vaderland. De ander was Hananja, die de overste was van de burg, want hij, die zich getrouw heeft betoond in het mindere, zal over het meerdere gezet worden. Van deze Hananja wordt gezegd, dat hij een man was van getrouwheid en Godvrezend boven velen, vers 2. Onder hen, die God in waarheid vrezen, zijn sommigen, die Hem grotelijks vrezen en anderen overtreffen in de uitdrukking dier vreze en in voorbeelden ervan, en zij zijn een dubbel deel waardig van de eer, die verschuldigd is aan hen, "die de Heere vrezen," Psalm 15:4. Er waren te Jeruzalem velen, die God vreesden, maar deze Godvruchtige man was uitnemender in ernstige vreze Gods dan iemand van hun. Zij, die God vrezen, moeten dit doen blijken door hun trouw aan alle mensen en in een algemeen nauwgezette levenswandel. Gods Jeruzalem zal dan waarschijnlijk bloeien, als diegenen er in regeren en er de zorg over hebben, die uitmunten in deugd, in Godsvrucht en trouw. Sommigen veronderstellen dat Nehemia toen op het punt was om naar het Perzische hof terug te keren, ten einde zijn lastbrief vernieuwd te krijgen, en dat hij aan deze twee waardige mannen het bestuur van de stad opdroeg in zijn afwezigheid. Goede landvoogden moeten wanneer en waar zij zelf niet kunnen handelen, zeer zorgzaam zijn in de keuze van hen, die zij als hun plaatsvervangers aanstellen.
3. Hij gaf orders omtrent het sluiten van de poorten, en het bewaken van de muren, vers 3, 4. Zie hier:
a. Wat toen de toestand van Jeruzalem geweest is. De stad was groot en ruim van omvang, de muren omsloten dezelfde ruimte als vroeger, maar veel van die ruimte lag woest want de huizen waren niet gebouwd, weinigen tenminste in vergelijking met wat vroeger geweest is, zodat Nehemia de stad in het geloof heeft ommuurd, en met het oog op de belofte van de vervulling van de stad, die God onlangs gedaan had door Zijn profeet, Zacheria 8:3 en verv. Hoewel het volk nu nog weinig talrijk was, geloofde hij toch dat het vermenigvuldigd zou worden, en daarom heeft hij de muur zo gebouwd, dat er plaats en ruimte voor hen was. Indien hij daar niet op gerekend had, hij zou gedacht kunnen hebben dat muren zonder een stad een even grote versmaadheid was als een stad zonder muren. b. Wat Nehemia's zorg er voor was. Hij gebood de bestuurders van de stad:
a.a. Om zelf iederen avond tegenwoordig te zijn bij het sluiten en grendelen van de stadspoorten, en er goed op toe te zien, want tevergeefs zouden zij een muur hebben, als zij op de poorten geen acht gaven.
b.b. Zorg te dragen dat zij niet vóór de morgenstond geopend werden, niet vóór zij konden zien dat alles rustig was.
c.c. Schildwachten op de muren te stellen, of ook elders, en wel op zoidanige geschikte afstand van elkaar, dat zij ingeval van het naderen van de vijand bijtijds de stad konden waarschuwen voor het gevaar, en als het hun beurt was om de wacht te houden dan moesten zij zich tegenover hun huis stellen, omdat men van hen kon veronderstellen dat zij zeer bijzonder zorgzaam en waakzaam zouden zijn. De openbare veiligheid hangt grotelijks af van ieders bijzondere zorg om zich en zijn gezin te behoeden tegen zonde, die ieders vijand, de gezamenlijke vijand, is. Het is ieders belang te waken, maar velen begrijpen hun eigen belang niet, daarom rust op de magistraten de plicht om wachters aan te stellen. En gelijk het volk nu onlangs had bevonden dat God met hen was in het bouwen (want anders hadden zij tevergeefs gebouwd), zo werd hun, nu de muur gebouwd was, ook ongetwijfeld te verstaan gegeven dat, "Zo de Heere de stad niet bewaart, de wachter" "tevergeefs waakt," Psalm 127:1.