Nehemia 4:1-6
I. Hier is de boosaardige spot, het smalen van Sanballat en Tobia op de Joden omdat zij bezig waren de muur rondom Jeruzalem te bouwen. Weldra weerklonk het gehele land ervan, er kwam bericht van te Samaria, dat nest van vijanden van de Joden en van hun voorspoed, en hier wordt ons gezegd hoe zij de tijding ontvingen.
1. In hun hart. Zij ontstaken en werden zeer toornig wegens deze onderneming, vers 1. Het ergerde hen dat Nehemia kwam om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israëls, Hoofdst. 2:10, maar toen zij hoorden van deze grote onderneming voor hun welzijn, verloren zij alle geduld. Totnutoe hadden zij zich gevleid met de gedachte dat zolang Jeruzalem zonder muren was, zij het gemakkelijk konden overmeesteren zodra het hun zou behagen, maar als die stad bemuurd was, dan zal zij niet alleen tegen hen beschut zijn, maar langzamerhand geducht voor hen worden. De sterkte en veiligheid van de kerk zijn de kwelling en ergernis van haar vijanden.
2. In woord. Zij verachtten haar en maakten haar tot het onderwerp van hun spotternijen, waarin zij hun boosaardigheid genoegzaam aan de dag legden, maar er kwam goeds uit voort, want daar zij het beschouwden als een dwaze onderneming, die onder haar eigen zwaarte zou wegzinken, hebben zij niet gepoogd het te verhinderen voor het te laat was. Laat ons zien met welk een hoogmoed en boosaardigheid zij er in het openbaar de spot mee dreven. Sanballat spreekt met verachting van de werklieden: " Wat doen deze amechtige Joden?" vers 2. "Hoe zullen zij aan materialen komen? Zullen zij de stenen uit de stofhopen levend maken? En wat bedoelen zij met de haast, die zij maken? Denken zij dat het ommuren van een stad het werk is van een dag? Arme onnozelen! Zie eens hoe belachelijk zij zich maken!" Met niet minder minachting spreekt Tobia van het werk zelf. Ook hij heeft zijn kwinkslagen moet zijn geestigheid luchten, vers 3. Onheilige spotters vuren elkaar aan. Armzalig werk zegt hij, zal uit hun handen komen, zij zullen er zichzelf over schamen, zo daar een vos opkwame, niet met zijn slimheid, maar met zijn zwaarte, hij zou hun stenen muur wel verscheuren. Op menig goed werk is aldus door de hovaardige spotters met minachting neergezien.
II. Nehemia's nederig, Godvruchtig gebed tot God toen hem die minachtende taal ter ore kwam. Hij kreeg bericht van hetgeen zij gezegd hadden, waarschijnlijk hebben zij zelf hem een boodschap van die inhoud gezonden om hem te ontmoedigen, hopende hem door schimp en spot van zijn onderneming te doen afzien, maar hij heeft die dwazen niet naar hun dwaasheid geantwoord, hij heeft hun hun boosaardigheid niet verweten, maar zag door het gebed op tot God.
1. Hij bidt dat God zien zal op de smaad, die hun wordt aangedaan, vers 4, en hierin moeten wij hem navolgen. Hoor, o onze God! dat wij zeer veracht zijn. God volk is dikwijls een veracht volk geweest, overladen met smaad en minachting. God hoort, en zal horen, al de beledigingen, die hun worden aangedaan, en dat is hun vertroosting en een goede reden, waarom zij als doven moeten zijn, Psalm. 38:14, 16. "Gij zijt onze God, op wie wij ons" "beroepen, er is voor onze zaak niets meer nodig dan dat zij gehoord" "wordt."
2. Hij bidt God hun zaak hoog te houden en de smaad op hun vijanden zelf te doen wederkeren, vers 4, 5, en dit werd veeleer gesproken in de geest van de profetie dan in gebed, en moet niet nagevolgd worden door ons, aan wie Christus geleerd heeft te bidden voor hen, die ons geweld doen en ons vervolgen. Christus zelf bad voor hen, die Hem smaadden: Vader vergeef hun. Nehemia bidt hier: Dek hun ongerechtigheid niet toe. Zij, die smaad werpen over Gods volk, bereiden slechts eeuwige schande voor zichzelf. Het is een zonde, waarvan de zondaren slechts zelden genezen worden. Nehemia had ongetwijfeld reden te denken dat het hart van deze zondaren zó ontzettend verhard was, dat zij zich van die zonde nooit zouden bekeren, anders zou hij niet gebeden hebben, dat hun zonde niet uitgedelgd zou worden van voor Gods aangezicht. De reden, die hij er voor geeft, is niet: Zij hebben ons mishandeld, maar: Zij hebben U getergd, en dat wel tegenover de bouwlieden, aan wie zij waarschijnlijk een boosaardige boodschap gezonden hebben. Wij moeten toornen over de boosheid van de vervolgers, niet omdat zij ons schaadt, maar omdat zij God beledigt, en daarop kunnen wij onze verwachting gronden, dat God er zich tegen zal stellen, Psalm 74:18, 22.
III. Het krachtig voort werken van de bouwers niettegenstaande deze spot en smaad, vers 6. Zij maakten zulke goede vorderingen dat zij binnen weinig tijds de muur tot op halve hoogte gebouwd hadden, want het hart van het volk was om te werken, zij hadden er hun hart op gezet, en zij wilden het zien vorderen. Goed werk gaat goed voort als de mensen er hart voor hebben. De smaad van de vijanden moet ons eerder aansporen tot onze plicht dan er ons van wegdrijven.