5. a) De bergen beven voor Hem, wanneer Hij Zijnen voet daarop zet om gericht te houden (
Amos 8:8), en de heuvelen versmelten als was in de hitte (
Micha 1:4)en de aarde licht zich op en zinkt weer, is in golvende beweging voor Zijn aangezicht, wanneer zich Zijne heerlijkheid openbaart, om de goddelozen uit te roeien, en de wereld, en allen, die daarin wonen, beven, want zij gevoelen allen, dat Zijn onwederstaanbaar gericht hen allen moet nederwerpen.
a) Exodus 19:18. Psalm 18:8; 29:5, 6; 68:8; 97:4, 5; 114:4. Eveneens wordt ook in de Psalmen en door de andere Profeten de verschijning van den heiligen God ten gerichte onder het zinnebeeld van aardbeving en onweder geschilderd: deze zijn slechts "ene kleine proef, die de schepselen wel doet sidderen, maar tevens doet denken, dat God in Zijn gericht de wereld nog geheel anders kan laten beven. "
De gehele schepping geraakt onder Gods gerichten in een smartelijk oproer. Zij is geschapen met het oog op den mens, en door God met den mens tot ene onoplosbare eenheid zaamverbonden. Daarom is het land in het lijden des gerichts van de bewoners verenigd, en ook het schepsel verlangt uit den dienst van het nietige naar de openbaring der heerlijkheid van Gods kinderen, welke ook voor haar een land der belofte is. (Genesis 3. Romeinen 8. Jesaja 11:6.
Even als de door de zonde der Adams kinderen bevlekte aarde door het vernietigende zuiveringsbad van den zondvloed heen moest, zo moesten de plaatsen van Ninevé door de reinigende golven van het nieuwe Godsgericht.