Mattheus 8:28-34
Wij hebben hier het verhaal van het uitwerpen der duivelen door Christus uit twee bezetenen. Het doel van dit hoofdstuk is de Goddelijke macht van Christus te tonen door voorbeelden van Zijne heerschappij over lichaamskwalen, die voor ons onoverwinnelijk zijn, over winden en golven, die nog onbedwingbaarder zijn voor ons, en eindelijk, over duivelen, die meer dan alle andere dingen voor ons te duchten zijn. Christus heeft niet slechts "alle macht in hemel en op aarde" en alle afgronden, Hij heeft ook de sleutelen der hel. "De overheden en machten zijn Hem onderworpen", zelfs in Zijn staat van vernedering, als een onderpand van hetgeen Hem te wachten staat bij Zijn' ingang in de heerlijkheid. Efeze 1:21, Hij heeft ze "uitgetogen", Colossenzen 2:15. Algemeen werd opgemerkt, dat Christus "de boze geesten uitwierp met den woorde", vers 16, hier hebben wij er een bijzonder voorbeeld van, waarin sommige omstandigheden merkwaardiger zijn dan de overigen. Dit wonder werd gewrocht in het land der Gergesenen, sommigen denken, dat die een overblijfsel waren van de oude Girgasieten. Deuteronomium 7:1. Hoewel Christus in de eerste plaats gezonden was "tot de verlorene schapen van het huis Israël's", ging Hij nu en dan toch wel eens over de grenzen, gelijk hier, om deze overwinning te behalen over Satan, hetgeen als een voorproef was van Zijne talloze overwinningen in de Heidenwereld. Buiten en behalve het algemene voorbeeld, dat dit ons geeft van Christus' macht over Satan, en zijne bedoeling om hem te ontwapenen en te verdrijven, is ons hier ook inzonderheid den weg en de wijze aangetoond van de boze geesten in hun vijandschap jegens den mens. Betreffende dit legioen van duivelen is op te merken, wat zij deden, waar zij waren, en wat zij deden ter plaatse waar zij heengingen.
I. Wat zij deden waar zij waren, hetgeen gezien kan worden in den ongelukkigen toestand van deze twee door hen bezetenen. Sommigen denken, dat zij man en vrouw waren, omdat de andere evangelisten slechts van een spreken. Zij verbleven on der de graven, van dáár kwamen zij, toen zij Christus ontmoetten. De duivel, "het geweld des doods" hebbende, niet als rechter, maar als scherprechter, verlustigt zich met de trofeeën zijner overwinning, de dode lichamen der mensen, maar dáár, waar hij zich in de plaats van zijn grootsten triomf waande, gelijk naderhand op Golgotha, de hoofdschedel-plaats, heeft Christus hem overwonnen en ten onder gebracht. Het verblijf tussen de graven vermeerderde de droefgeestigheid en den waanzin der arme bezetenen, en versterkte aldus zijne macht over hen door hun lichaamskrankheid, en maakte hen tevens geduchter voor andere mensen, die. gewoonlijk schrikken door een gerucht of ene beweging tussen de graven. Zij waren zeer wreed, niet slechts zelf ontembaar, maar kwaadaardig voor anderen, velen verschrikkende, daar zij sommigen reeds geschaad hadden, "zodat niemand door dien weg kon voorbijgaan." De duivel koestert wrok jegens het menselijk geslacht, en toont dit door de mensen nijdig en kwaadaardig jegens elkaar te maken. Wederkerige vijandschap, waar wederzijdse liefde en hulpvaardigheid moesten heersen, is het uitwerksel en blijk van Satan's vijandschap jegens het ganse geslacht, hij maakt den enen mens een wolf, een beer, een duivel voor den anderen mens. Als Satan geestelijk heerst in den mens door de wellusten, die in de leden strijd voeren, zoals hoogmoed, nijd, kwaadheid, wraakgierigheid, maken dezen hem even ongeschikt voor de menselijke samenleving als onwaardig om er deel van uit te maken, en evenzeer een vijand van alle rust en behaaglijkheid er van als deze arme bezetenen geweest zijn. Zij tartten Jezus Christus, en verklaarden generlei deel aan, of gemeenschap met Hem te hebben, vers 29. Het is een voorbeeld van de macht van God over de duivelen, dat zij, niettegenstaande het kwaad, dat zij door en aan deze arme schepselen doen wilden, hen toch niet konden beletten Jezus Christus te ontmoeten, die de zaken zo regelde en schikte, dat die ontmoeting plaats had. Het was Zijne overweldigende hand, die deze onreine geesten in Zijne tegenwoordigheid trok, die zij meer dan iets anders vreesden. Zijne ketenen konden hen vasthouden, als de ketenen, die de mensen voor hen gemaakt hadden, het niet konden. Maar voor Hem gebracht zijnde, protesteerden zij tegen Zijne rechtsmacht, en barstten in woede uit: "Jezus, Gij Zone Gods! wat hebben wij met U te doen?" Hier is: Een woord, dat de duivel sprak als een heilige. Hij sprak Christus aan als "Jezus, Gij Zone Gods." Het was een goed woord, en in dien tijd, toen deze waarheid nog bewezen moest worden, was het ook een groot woord, hetwelk aan Petrus niet door vlees en bloed was geopenbaard, Hoofdstuk 16:17. Zelfs de duivelen weten en geloven, en belijden Christus de Zone Gods te zijn, en toch zijn zij nog duivelen, en dit maakt hun vijandschap van Christus des te slechter, en ook ene volkomen kwelling voor hen zelven, want hoe kan dit ook anders, als zij Hem tegenstaan, dien zij weten de Zone Gods te zijn? Het is gene kennis, maar liefde, waardoor de heiligen onderscheiden worden van de duivelen. Hij is de eerstgeborene der hel, die Christus kent, en Hem toch haat, en zich noch aan Hem noch aan Zijne wet wil onderwerpen. Wij herinneren ons, dat de duivel niet zolang te voren nog twijfel geopperd heeft, of Christus wel de Zone Gods was, en Hem had willen bewegen om dit zelf ook in twijfel te trekken, Hoofdstuk 4:3, maar nu erkent hij het volmondig. Gods kinderen kunnen in de ure der verzoeking door Satans opperen van twijfel omtrent hun betrekking tot God als hun Vader, wel zeer ontrust worden, maar de Geest der aanneming zal het hun volkomen en naar hun genoegen duidelijk maken, zodat het zelfs boven Satans tegenspraak verheven is.
Twee woorden zei hij als een duivel, gelijk hij is. Ten eerste: een woord van uittarting: "Wat hebben wij met U te doen?, Nu is het waar, dat de duivelen niets te doen hebben met Christus als Zaligmaker, want Hij nam de engelen niet aan, die gevallen zijn, zij staan in generlei betrekking tot Hem, zij hebben noch hopen enigerlei gunst of weldaad van Hem. O diepte der verborgenheid van de Goddelijke liefde dat de gevallen mens zoveel met Christus te doen heeft, terwijl de gevallen engelen niets met Hem te doen hebben! Voorzeker was hier genoeg pijniging voor den tijd: de voortreffelijkheid te moeten erkennen, die in Christus is, en tevens te moeten zeggen, dat hij geen deel in Hem heeft. Het is mogelijk, dat mensen Jezus den Zone Gods noemen, en toch niets met Hem te doen hebben. Even waar is het, dat de duivelen niet begeren iets met Christus te doen te hebben als Heerser. Zij haten Hem, zij zijn vol van vijandschap tegen Hem, zij staan Hem tegen, zij zijn in openlijken opstand tegen Zijne kroon en waardigheid. Zie, wiens taal zij spreken, die met het Evangelie van Christus niets te doen willen hebben, niets te doen willen hebben met Zijne wetten en instellingen, Zijn juk afwerpen, Zijne "banden verbreken'"niet willen, dat Deze over hen zal heersen, die tot den almachtigen Jezus zeggen: Wijk van ons. Zij zijn uit den vader den duivel, zij doen zijne begeerten en spreken zijne taal. Het is niet waar, dat de duivelen niets met Christus te doen hebben als Rechter, want dat hebben zij wèl, en zij weten het. Deze duivelen konden niet zeggen: "Wat hebt Gij met ons te doen?" Zij konden niet ontkennen, dat de Zone Gods de Rechter is der duivelen. Aan zijn oordeel zijn zij overgegeven in ketenen der duisternis, die zij gaarne af zouden schudden, evenals zelfs de gedachte er aan. Ten tweede: een woord van vreze en van afbidding. "Zijt Gij hier gekomen om ons te pijnigen-ons uit te werpen uit die mensen, en ons te weerhouden van het kwaad te doen dat wij wensen te doen? Uitgeworpen te worden en in bedwang gehouden is ene pijniging voor den duivel, wiens genot en verlustiging gelegen is in de ellende en het verderf der mensen. Behoren wij het dan niet onze hemel te achten wèl te doen, en datgene onze pijniging achten te zijn, hetzij van binnen of van buiten, dat ons verhindert wèl te doen? Moeten wij door U gepijnigd worden "voor den tijd?" Er is een tijd, wanneer de duivelen meer gepijnigd zullen worden dan zij nu zijn, en zij weten dit. De grote rechtszitting van den laatsten dag is de tijd, vastgesteld voor hun algehele pijniging, hetwelk in dat Tofeth, "bereid is voor den koning, voor den duivel en zijne engelen", Jesaja 30:33, Mattheus 25:41, zij zijn "tot het oordeel bewaard", 2 Petrus 2:4. Die boze geesten, welke door de toelating Gods nu nog buiten hun gevangenis mogen zijn, nog "omtrekken op de aarde", Job 1:7, zijn evenwel ook thans reeds geketend. Tot hiertoe zal hun macht reiken, en niet verder, dan echter zullen zij in strenge gevangenis gehouden worden. Nu hebben zij nog enigszins verlichting en gemak, dan zullen zij in pijniging zijn zonder enigerlei verlichting. Dit erkennen zij hier als vaststaande, en vragen ook niet om nooit gepijnigd te worden-wanhoop aan verlossing of verlichting maakt het ellendige uit van hun toestand-maar zij vragen niet gepijnigd te zullen worden voor den tijd, want hoewel zij niet wisten wanneer de oordeelsdag zijn zal, wisten zij toch, dat hij nu nog niet was aangebroken. -De duivelen hebben "ene schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs" bij iedere nadering van Christus, en bij iedere beteugeling van hun macht en woede. Reeds de aanblik van Christus. en Zijn woord van bevel om uit te gaan uit den mens wekten de vreze van gepijnigd te zullen worden bij hen op. Aldus "geloven de duivelen en sidderen", Jakobus 2:19. Het is hun eigene vijandschap tegen God en den mens, die hen op de folterbank uitstrekt, en hen "pijnigt voor den tijd". De ergste zondaren, wier veroordeling verzegeld is, kunnen toch niet gans en al hun hart verharden tegen die verrassing der vreze, als zij zien, "dat de dag nadert"
II. Laat ons nu zien wat zij deden, waar zij heengingen, toen zij uitgeworpen waren uit de bezetenen, en dat was in "ene kudde zwijnen", vers 30. Hoewel deze Gergesenen aan de overzijde der Jordaan woonden, waren zij toch Joden. Wat hadden zij te doen met zwijnen, die naar de wet onrein waren, en niet gegeten noch aangeraakt mochten worden? Aan de grenzen des lands wonende, bevonden zich waarschijnlijk vele Heidenen onder hen, aan wie deze kudde zwijnen toebehoorde, of wel, ze hielden ze om ze te verkopen (of voor het een of ander in te ruilen) aan de Romeinen, met wie zij vele zaken deden, en die grote liefhebbers waren van varkensvlees. Merk nu op:
1. Hoe de duivelen zich meester maakten van de zwijnen. Hoewel zij "verre van hen" waren, en, naar men denken zou, buiten gevaar, hadden de duivelen toch het oog op hen om hun kwaad te doen, want zij "gaan om, zoekende wie zij zouden mogen verslinden'"zoekende ene gelegenheid, en zij zoeken niet lang, of zij vinden. Zij vragen verlof, om in die zwijnen te varen, vers 31. Zij baden Hem, vurig en dringend: "Indien gij ons uitwerpt, laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen". Hiermede tonen zij hun neiging om kwaad te doen, en welk een genot dit voor hen is. Diegenen zijn dus hun kinderen, en gelijken hun, die "niet slapen, zo zij geen kwaad gedaan hebben", en wier "slaap wordt weggenomen, zo zij niet iemand hebben doen struikelen", Spreuken 4:16. "Laat ons toe, dat wij in die kudde zwijnen varen, overal, waar dan ook, behalve in de plaats der pijniging, overal, waar dan ook, waar wij kwaad kunnen doen". Indien hun niet toegelaten wordt mensen te kwellen in hun lichaam, dan zullen zij hun schade toebrengen in hun goederen en ook hierin bedoelen zij hen te schaden in hun ziel, door hun Christus tot een last te doen zijn, zo boosaardig zijn de raadslagen van de oude, listige slang. Zij erkennen Christus' macht over hen, dat zij zonder Zijne toelating en verlof, zelfs gene zwijnen kwaad konden doen. Dit is voor al het volk des Heeren ene vertroosting, dat de macht des duivels, hoewel zeer groot, toch beperkt is, en niet in gelijke verhouding tot zijne kwaadwilligheid-wat zou er ook van ons worden, indien zij het wel ware? -en inzonderheid, dat zij onder de macht en het toezicht staat van onzen Heere Jezus, onzen getrouwen, alvermogenden Vriend en Verlosser, dat Satan en zijne werktuigen niet verder kunnen gaan, dan het Hem behaagt. Hier zal Hij zich "tegen den hoogmoed hunner golven stellen". Zij ontvingen dit verlof. Christus zei tot hen: "Gaat heen", vers 32, zoals God aan Satan verlof gaf om Job te beproeven. Om wijze en heilige doeleinden laat God dikwijls toe, dat Satan het kwaad doet, dat hij wil, maar maakt dit dan toch dienstbaar, aan de volvoering van Zijne eigene raadsbesluiten. De duivelen zijn niet slechts de gevangenen van Christus, zij zijn ook Zijne vazallen. Zijne heerschappij over hen komt uit zowel in het kwaad dat zij doen, als in Zijn verhinderen van hen om nog meer kwaad te doen. Zo wordt zelfs door hun gierigheid Christus loffelijk gemaakt, en het overblijfsel daarvan wil Hij en zal Hij opbinden. Christus heeft dit vergund ter overtuiging van de Sadduceeën, die toen onder de Joden waren, en die het bestaan van geesten loochenden, niet wilden erkennen, dat er zulke wezens waren, wijl zij ze niet konden zien. Nu wilde Christus hen schier met de ogen des lichaams doen zien het bestaan, de menigte, de macht en boosaardigheid der boze geesten, zodat, indien zij hierdoor nog niet overtuigd werden, hun ongeloof niet te verontschuldigen zou zijn. Wij zien den wind niet, maar het zou ongerijmd wezen te zeggen, dat de wind niet bestaat, als wij zien hoe huizen en bomen omgewaaid worden. Christus heeft dit ook vergund tot straf der Gadarenen, die, hoewel zij Joden waren, zich misschien hadden veroorloofd zwijnenvlees te eten in weerwil van de wet, die dit verbood. Hoe dit zij, hun houden van zwijnen grensde reeds aan het kwaad, en Christus wilde ook tonen van welke helse wezens zij verlost waren, die, indien Hij het had toegelaten, hen weldra hadden gesmoord, zoals zij het hun zwijnen deden. In gehoorzaamheid aan Christus' bevel kwamen de duivelen uit van de mensen, en, daartoe verlof bekomen hebbende, "voeren zij heen in de kudde zwijnen." Zie welk een ijverig, bedrijvig vijand Satan is, hoe vaardig en vlug, hij verliest geen tijd, als het om kwaad doen te doen is. Merk nu op: Waarheen hij ze voortdreef. Er was hun niet geboden hun "leven te verschonen," en daarom hebben zij ze met geweld voortgedreven zodat zij "van de steilte in de zee stortten," waar zij allen, ten getale van omtrent "twee duizend," Markus 5:13, omkwamen. Het bezeten zijn door den duivel leidt ten verderve. Aldus drijft de duivel de mensen er toe om te zondigen, hij drijft hen henen naar hetgeen zij besloten hadden te vermijden, en dat, naar zij weten, hun slechts schande en verdriet zal baren. Met welk ene kracht werkt de boze geest in de kinderen der ongehoorzaamheid, als zij door zo vele dwaze en schandelijke lusten er toe gebracht worden om te handelen in lijnrechte tegenspraak, niet slechts met den Godsdienst, maar met gezond verstand en hun eigene belangen in deze wereld! Evenzo jaagt hij hen voort naar het verderf, want hij is Apollyon en Abaddon, de grote verderver. Door het opvolgen hunner lusten worden zij als gedompeld in het verderf en de verwoesting. Dat is Satan's wil: te verzwelgen en te verslinden. Ellendig is dus de toestand van hen, die door hem "gevangen zijn tot zijn wil." Zij worden voortgedreven naar een erger poel dan dit meer was, naar "den poel des vuurs, die met sulfer brandt." Let nu op: De uitwerking hiervan op de eigenaars. Spoedig werd het bericht van het gebeurde door de zwijnenhoeders tot hen gebracht, en het verlies der zwijnen scheen hun meer ter harte te gaan dan iets anders, wat dit ook ware, want zij gingen niet heen om te verhalen wat er met de bezetenen was geschied, voordat de zwijnen verloren waren, vers 33. Christus ging niet in de stad, maar wel kwam er de tijding van Zijne tegenwoordigheid in den omtrek, en hiermede wilde Hij hen op de proef stellen, en doen zien wat dit voor uitwerking op hen had om dan daarnaar zijn gedrag tegenover hen te regelen. Nu heeft hun nieuwsgierigheid hen gedreven om tot Hem uit te gaan. "De gehele stad ging uit, Jezus tegemoet," om te kunnen zeggen, dat zij den man gezien hadden, die zulke wonderen wrocht. Aldus gaan ook velen uit in hun belijdenis, om Jezus te ontmoeten, die toch gene ware liefde voor Hem hebben, noch enigerlei begeerte om Hem te leren kennen. Hun geldgierigheid deed hen echter wensen om maar van Hem bevrijd te worden. In plaats van Hem uit te nodigen om in hun stad te komen, of hun kranken tot Hem te brengen om door Hem te worden genezen, "baden zij Hem, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken," alsof zij de woorden der duivelen hadden overgenomen: "Jezus, Gij Zone Gods, wat hebben wij met U te doen?" En nu hadden de duivelen wat zij wensten, wat zij op het oog hadden met de zwijnen in het water te doen omkomen. Zij hadden dit gedaan, en toen lieten zij het volk geloven, dat Christus het gedaan had, en aldus hebben zij hen tegen Hem ingenomen. Hij heeft onze eerste ouders verleid door hun harde gedachten omtrent God in te blazen, en hij hield de Gadarenen terug van Christus, door de gedachte bij hen op te wekken, dat Hij binnen hun landpalen was gekomen om hun vee te verderven, en dat Hij hun meer kwaad dan goed zou doen, want hoewel Hij twee mensen genezen had, had Hij toch tweeduizend zwijnen doen omkomen. Zo zaait de duivel onkruid op Gods akker, veroorzaakt hij kwaad in de Christelijke kerk, en geeft dan de schuld aan het Christendom, en doet de mensen in woede er tegen ontsteken. Zij baden Hem te willen vertrekken, uit vrees dat Hij, gelijk Mozes in Egypte, de ene plaag op de andere zou laten volgen. Er zijn zeer velen, die hun zwijnen verkiezen boven hun Heiland, en aldus Christus en de zaligheid door Hem zullen derven. Zij wensen, dat Christus zal wijken uit hun hart, en willen er geen plaats geven aan Zijn woord, omdat Hij en Zijn woord het verderf zullen zijn van hun vuile lusten, -de zwijnen, die zij weiden. Met recht zal Christus dus hen verzaken, die Hem alzo moede zijn, en zal Hij hiernamaals tot hen zeggen: "Gaat weg van Mij, gij vervloekten, die thans tot den Almachtige zeggen: "Gij weg van ons."