Job 21:27-34
In deze verzen:
I. Verzet zich Job tegen de mening van zijn vrienden, waaraan zij nog altijd vasthielden, namelijk dat de bozen gewis tot zo'n zichtbaar en merkwaardig verderf zullen komen als waartoe Job gekomen was, en wel niemand anders dan de bozen naar welk beginsel zij Job dus als een goddeloze veroordeelden. "Ik weet ulieder gedachten", zegt Job, vers 27. ik weet, dat gijlieden het niet met mij eens zult zijn, want uw oordeel is beneveld door uw wrok en uw vooroordelen tegen mij, en door de verdenkingen van mijn eer en oprechtheid, die gij ten onrechte tegen mij koestert, hoe zou het dan mogelijk zijn ulieden tot overtuiging te brengen?"
In antwoord op Jobs rede betreffende de voorspoed van de goddelozen, waren zijn vrienden bereid te zeggen: "Waar is het huis van de prins?" vers 28. Waar is het huls van Job, of het huis van zijn oudste zoon, waarin zijn kinderen maaltijd hielden? Doe eens een onderzoek naar de omstandigheid van het huis van Job en zijn gezin, en vraag dan: Waar is de tent van de woningen van de goddelozen? Vergelijk die eens met elkaar, en gij zult spoedig zien, dat Jobs huis zich in dezelfde toestand bevindt als de huizen van de tirannen en verdrukkers, en dan kunt gij gerust tot de slotsom komen dat hij een zodanige is."
II. Hij stelt nu zijn eigen oordeel daar tegenover, en ten bewijze er van beroept hij zich op de gevoelens en waarnemingen van geheel het mensdom. Hij is er zó van overtuigd gelijk te hebben, dat hij bereid is de zaak door de eerste de beste voorbijganger te laten beslissen, vers 29. "Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbijgaanden op de weg? Iedereen zal u antwoorden. Ik zeg niet, zoals Elifaz, Hoofdst 5:1, tot wie van de heiligen-maar tot wie van de kinderen der mensen zult gij u keren? Wendt u tot wie gij wilt, gij zult hen allen van mijn gevoelen vinden, dat de straf van de zondaren meer bestemd is voor de andere wereld dan voor deze, overeenkomstig de profetie van Henoch, de zevende van Adam, Judas: 14. Kent gij de tekenen niet van deze waarheid, die allen, welke de wegen van Gods voorzienigheid met het mensdom in deze wereld hebben nagespeurd, u verschaffen kunnen?"
Wat nu is het, dat Job hier verklaart en staande houdt? Twee dingen.
1. Dat onboetvaardige zondaren gewis in de andere wereld gestraft zullen worden, en dat gewoonlijk hun straf tot aan die tijd wordt uitgesteld.
2. Dat wij het daarom niet vreemd moeten vinden, indien zij in deze wereld grote voorspoed hebben, en onder geen zichtbaar teken van Gods misnoegen vallen. Zij worden thans gespaard, omdat zij dan gestraft zullen worden. "De goddelozen groeien als het kruid, en al de werkers van de ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd worden," Psalm 92:8. De zondaar wordt hier verondersteld:
A. Te leven in grote macht, zodat hij niet slechts "de schrik van de helden is in het land van de levenden," Ezechiël 32:27, maar ook de schrik van de wijzen en Godvruchtigen, die hij zó in ontzag houdt, dat niemand hem in zijn aangezicht zijn weg durft vertonen, vers 31. Niemand zal de vrijheid nemen om hem te bestraffen hem te spreken van de boosheid van zijn weg en van hetgeen er het einde van zal wezen, zodat hij zondigt in alle gerustheid, en men hem schaamte noch vrees doet kennen. De voorspoed van de zotten zal hen verderven door dat zij wanen daardoor boven bestraffing te zijn verheven, door welke zij tot die bekering gebracht konden worden, welke alleen hun verderf zou voorkomen. Diegenen zijn voor het verderf getekend, die men stil laat voortgaan in hun zonde, Hosea 4:17. En indien niemand hem in zijn aangezicht zijn weg durft vertonen, veel minder nog durft iemand hem vergelden wat hij gedaan heeft, hem vergoeding doen geven voor het onrecht dat hij gedaan heeft. Hij is een van de grote vliegen, welke heenbreken door het spinneweb van de wet, dat alleen de kleine vliegen vasthoudt, dit is het dat de zondaren aanmoedigt om voort te gaan op hun zondige weg, dat zij de gerechtigheid zelf in verlegenheid brengen, haar bevreesd maken om zich met hen te bemoeien. Maar er komt een dag, wanneer tot diegenen van hun gebreken gesproken zal worden, die het nu niet kunnen dragen er van te horen, aan wie hun zonden ordelijk voor ogen gesteld zullen worden, hun weg in hun aangezicht zal worden getoond tot hun eeuwige beschaming, die nu niet willen, dat hij hun getoond zal worden tot hun overtuiging, wanneer aan hen het door hen bedreven onrecht vergolden zal worden, dat zij geweigerd hebben te vergoeden.
B. Te sterven en met grote pracht en praal begraven te worden, vers 32, 33. Het is niet te verhelpen, sterven moet hij, dat is het lot van alle mensen, maar alles wat men maar bedenken kan zal gedaan worden om de versmaadheid van de dood weg te nemen.
a. Hij zal een prachtige begrafenis hebben, wel iets zeer armzaligs om op het vooruitzicht ervan trots te wezen, toch wordt dit door sommigen voor iets zeer groots gehouden. Welnu, hij zal met alle pracht en staatsie naar het graf worden gebracht, zijn vrienden zullen alle eer bewijzen aan zijn stoffelijk overschot: "De rijke man stierf en werd begraven," Lukas 16:23, maar van des bedelaars begrafenis wordt geen melding gemaakt, Lukas 16:22.
b. Er zal een statig monument op zijn graf geplaatst worden, hij ligt gedurig in de aardhoop, en boven hem staat: "Hic jacet, Hier ligt," met een wijdlopige lofrede. Misschien wordt dit bedoeld van het balsemen van zijn lijk, om het voor bederf te bewaren, een eerbewijzing, die de oude Egyptenaren hun groten en aanzienlijken deden. Hij zal waken in het graf, zo luidt het Hebreeuwse woord, hij zal er eenzaam en rustig verblijven, als een wachter op zijn wachttoren.
c. De kluiten des dals zijn hem zoet. Er zal zoveel als maar mogelijk is gedaan worden, om met zeer geurige specerijen de stank en de walglijkheid van het graf weg te nemen, zoals door lampen, om er de duisternis van te verdrijven, waarop misschien in de vorige zinsnede met waken in het graf gedoeld werd. Maar dat is alles dwaasheid, wat is licht en wat zijn geuren voor iemand, die dood is?
d. Om de smaad des doods te verminderen zal aangevoerd worden dat het het algemene lot is, hij heeft zich slechts gebogen voor het noodlot, hij trekt tot zich alle mensen, en dergenen, die voor hem geweest zijn, is geen getal. De dood is de weg van de gehele aarde, als wij door dit donkere dal moeten heengaan, dan behoren wij te bedenken:
Ten eerste. Dat er tallozen voor ons door heengegaan zijn, het is een begane weg, hetgeen er toe kan bijdragen om er de verschrikking van weg te nemen. Sterven is "ire ad plures-heen te gaan naar de grote meerderheid." Ten tweede. Dat iedere mens na ons getrokken zal worden, gelijk er een open weg voor ons is, zo is er een lange trein achter ons, wij zijn noch de eersten noch de laatsten, die door dit duistere portaal heengaan. Iedereen moet er gaan naar zijn eigen orde, de orde door God bepaald.
Eindelijk. Uit dit alles leidt Job de nietigheid, het onhoudbare af van hun redenen, vers 34.
1. Hun grondslag is vermolmd, en zij bouwen op een verkeerde onderstelling: "In uw antwoorden blijft overtreding, onwaarheid overig, wat gij gezegd hebt is niet slechts niet bewezen, maar het is weerlegd, en ligt onder een beschuldiging van onwaarheid, waarvan gij u niet kunt zuiveren."
2. Daarom was hun gebouw zwak en wankelend: "gij vertroost mij met ijdelheid. Niets van alles wat gij gezegd hebt, geeft mij verlichting, gij zegt mij dat ik weer voorspoedig zal zijn, zo ik mij tot God wend, maar gij gaat uit van de vooronderstelling dat Godsvrucht gewis met voorspoed gekroond zal worden, hetgeen niet waar is, hoe kan dan de gevolgtrekking die gij er uit afleidt, mij tot troost verstrekken? Waar geen waarheid is, daar is weinig troost te verwachten.