Markus 9:30-40
I. Christus voorzegt Zijn eigen naderend lijden. Hij reisde door Galilea met meer dan gewonen spoed, en wilde niet dat het iemand wist, vers 30, omdat Hij vele grote en goede werken tevergeefs onder hen gedaan had, zij zullen nu niet uitgenodigd worden ze te zien en er het nut en voordeel van te hebben gelijk vroeger. De tijd van Zijn lijden naderde, en daarom wilde Hij voor een wijle in afzondering zijn en slechts met Zijne discipelen spreken, om hen voor te bereiden op de naderende beproeving, vers 31. Hij zei tot hen: De Zoon des mensen zal -door den bepaalden raad en voorkennis Gods- overgeleverd worden in de handen der mensen, vers 31, en zij zullen Hem doden. Indien Hij overgeleverd ware in de handen van duivelen, en indien dezen Hem dan geplaagd en gekweld hadden, het zou niet zo vreemd zijn geweest, maar dat mensen, die een redelijk verstand hebben, en Hem behoorden lief te hebben, zo hatelijk en boosaardig zouden zijn jegens den Zoon des mensen, die gekomen was om hen te verlossen en zalig te maken, dat is iets onverklaarbaars. Maar het is merkwaardig, dat Christus, als Hij sprak van Zijn dood, ook altijd sprak van Zijne opstanding, die er den smaad van wegnam voor Hem zelven, en er de droefheid van behoorde weg te nemen van de discipelen. Maar zij verstonden dat woord niet, vers 32. De woorden waren duidelijk genoeg, maar zij konden niet in overeenstemming gebracht worden met de zaak, en daarom veronderstelden zij, dat er een andere en verborgen betekenis aan gegeven moest worden, die zij nog niet begrepen, en zij vreesden Hem te vragen, niet omdat Hij moeilijk te spreken of te naderen was, of streng voor hen die Hem raadpleegden, maar hetzij, omdat zij er afkerig van waren de waarheid te vernemen, of omdat zij verwachtten bestraft te zullen worden wegens hun achterlijkheid om haar te ontvangen en aan te nemen. Velen blijven onwetend, omdat zij zich schamen navraag te doen.
II. Hij bestraft Zijne discipelen wegens hun verheerlijking van zich zelven. Toen Hij te Kapernaum gekomen was, vroeg Hij hun: Waarvan had gij woorden onder elkaar op den weg? vers 33. Hij wist zeer goed waarover de twist liep, maar Hij wilde het van hen weten, Hij wilde, dat zij hun fout en de dwaasheid er van zouden belijden. Wij moeten allen verwachten door onzen Heere Jezus ter verantwoording geroepen te zullen worden betreffende hetgeen wij hier op den weg onzer beproeving en doortocht naar het hemelse vaderland met elkaar besproken en verhandeld hebben. In het bijzonder zullen wij rekenschap moeten geven van onze gesprekken onder elkaar, want door onze woorden moeten wij gerechtvaardigd of veroordeeld worden. Evenals onze andere gesprekken op den weg, zo zullen inzonderheid onze twistingen in herinnering gebracht worden en wij zullen ze hebben te verantwoorden, en onder dezen zullen het vooral de twistingen zijn over voorrang of meerderheid, waarover Christus met Zijne discipelen zal rekenen, en dat was hier het onderwerp, waarover het geschil onder hen was ontstaan: wie de meeste zou zijn, vers 34. Niets kon meer in tegenspraak zijn met de twee grote wetten van Christus' koninkrijk, de lessen van Zijne school en het onderricht van Zijn voorbeeld, welke zijn ootmoed en liefde, dan de begeerte naar bevordering in de wereld en het twisten daarover. Deze boze gezindheid is Hij bij alle gelegenheden tekeer gegaan, omdat zij ontstond uit een verkeerd denkbeeld omtrent Zijn koninkrijk, alsof het van deze wereld was, en tevens omdat zij zo bepaald de strekking had om de eer te verlagen van Zijn Evangelie en er de reinheid van te verderven, en Hij voorzag dat dit tot zo grote schade der kerk zou zijn. Nu wensten zij die fout te bedekken, vers 34. Zij zwegen. Gelijk zij niet wilden vragen, omdat zij zich schaamden over hun onwetendheid, vers 32, zo wilden zij nu niet antwoorden, omdat zij zich schaamden hun hoogmoed te bekennen. Hij daarentegen wilde die fout in hen verbeteren, en hen tot een betere gezindheid brengen, en daarom zat Hij neer, ten einde plechtig en duidelijk die zaak met hen te bespreken. Hij riep de twaalven en zei hun:
a. Dat eerzucht en het bejag maken op aanzien en heerschappij hun bevordering in Zijn koninkrijk in den weg zouden staan: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn. Die zich zelven verhoogt, zal vernederd worden, en de hoogmoed des mensen zal hem vernederen.
b. Dat er onder Hem geen andere voorrang bestond dan de gelegenheid tot, en de verplichting om, meer te arbeiden in ootmoedig dienstbetoon. Indien iemand wil de eerste zijn, en hij dit is, dan moet hij zoveel te ijveriger zijn in het dienen van anderen. Zo iemand tot een opzienersambt lust heeft, die begeert een treffelijk werk, want hij moet, evenals Paulus, overvloediger arbeiden en zich tot aller dienstknecht maken. Dat zij, die het nederigst zijn en het meest zich zelven verloochenen, het meest Christus gelijkvormig zijn en het liefderijkst door Hem beloond zullen worden. Dit leerde Hij hun door een teken: Nemende een kindeken, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijne armen. Er was in dit kindeken hoogmoed noch eerzucht.
Ziet, zei Hij, "zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen, die ontvangt Mij. Die ootmoedig, nederig en zachtmoedig gezind zijn, die zullen door Mij gesteund en beschermd worden, en Ik zal ieder ander aanmoedigen hen te steunen en te beschermen, en wat hun aangedaan wordt zal Ik beschouwen als Mij aangedaan, en ook Mijn Vader zal dit alzo beschouwen, want: Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen, die ontvangt Mij, en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt dien, die Mij gezonden heeft, en het zal op zijne rekening gesteld worden en hem met interest worden vergoed."
III. Hij bestraft hen wegens het verkleinen en verachten van allen, die niet tot hun kring behoorden. Terwijl zij twistten wie hunner de meeste zal zijn, willen zij hen, die niet met hen omgaan, niet toestaan iets te zijn. Merk op:
1. Het bericht, dat Johannes Hem gaf van het verbod, dat zij iemand gegeven hadden om den naam van Christus te gebruiken, omdat hij niet tot hun gezelschap behoorde. Hoewel zij zich schaamden hun twisten om voorrang te bekennen, schijnen zij zich te beroemen op de uitoefening van hun gezag, en zij verwachtten dat hun Meester hen hierin niet slechts zou rechtvaardigen, maar er hen om zou loven, tevens hoopten zij dat Hij hen niet zou laken wegens hun begeerte om groot te zijn, als zij hun macht aldus gebruikten om de eer van hun heilig college hoog te houden. Meester, zei Johannes, wij hebben enen gezien, die de duivelen uitwierp in Uwen naam, welke ons niet volgt, vers 38.
a. Het was vreemd dat iemand, die geen erkend discipel en volgeling van Christus was, de macht had om in Zijn naam duivelen uit te werpen, want die macht scheen toch alleen eigen te zijn aan hen, die Hij had geroepen, Hoofdstuk 6:7. Maar sommigen denken, dat hij een discipel was van Johannes de Doper, die gebruik maakte van den naam van den Messias, niet als reeds gekomen maar als nabij zijnde, niet wetende dat Jezus het was. Het schijnt echter veeleer, dat hij van den naam van Jezus gebruik maakte, gelovende dat Hij de Christus is, evenals de apostelen dit geloofden. En waarom zou hij die macht niet ontvangen van Christus, wiens Geest, gelijk de wind, blaast waarheen hij wil, ook zonder zulk een uitwendige roeping als de apostelen hadden ontvangen? En er waren misschien velen van de zodanige, Christus' genade is niet gebonden aan de zichtbare kerk. b. Het was vreemd dat iemand, die in den naam van Christus duivelen uitwierp, zich niet voegde bij de apostelen en met hen Christus volgde, maar afgescheiden van hen bleef werken. Ik weet van niets, dat hem kon verhinderen hen te volgen, tenzij het was dat hij niet gaarne alles verliet om hen te volgen, en indien dit zo is, dan was dit verkeerd. De zaak had geen goed aanzien, en daarom verboden de discipelen hem, evenals zij, van Christus' naam gebruik te maken, tenzij hij Hem wilde volgen, zoals zij Hem volgden. Dit was gelijk het voorstel van Jozua betreffende Eldad en Medad, die profeteerden in het leger, en niet met de overigen opgingen naar de deur van de tent der samenkomst: Mijn heer Mozes! verbied hen! Numeri 11:28. Weerhoud hen, leg hun het zwijgen op, want dat is scheurmakerij. Zo geneigd zijn wij ons te verbeelden, dat diegenen Christus in het geheel niet volgen, die Hem niet met ons volgen, en dat diegenen niets goed doen, die het niet doen zoals wij. Maar de Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, hoe verspreid zij ook mogen wezen, en dit voorbeeld geeft ons een nodige waarschuwing, om wel toe te zien dat wij door overgroten ijver voor de eenheid der kerk, en voor hetgeen waarvan wij zeker zijn, dat het goed en recht is, er niet toe gebracht worden, om datgene tegen te staan, dat strekken kan tot verruiming en uitbreiding der kerk, en om haar ware belangen te bevorderen.
2. De bestraffing, die Hij hun deswege gaf, vers 39. Jezus zei: Verbiedt hem niet, noch iemand, die evenzo doet. Dit was gelijk de bestraffing van Mozes aan Jozua: Zijt gij voor mij ijverende? Hetgeen goed is en goed doet, moet niet verboden worden, al is er ook een gebrek of ene onregelmatigheid in de wijze, waarop het geschiedt. Duivelen uit te werpen en alzo Satans rijk te verderven, en dit te doen in den naam van Christus, Hem aldus belijdende als van God gezonden, en Hem ere gevende als de bron en oorsprong van alle genade, te prediken om de zonde neer te werpen en Christus te verheffen, dat zijn goede dingen, zeer goede dingen, die aan niemand verboden moeten worden om de blote reden, dat zij niet met ons volgen. Als Christus gepredikt wordt, verblijdt Paulus zich hierin, en zal hij zich verblijden, al wordt hij er door in de schaduw gesteld, Filip 1:18. Christus geeft twee redenen, waarom dezulken niet verboden moeten worden.
a. Omdat wij niet kunnen veronderstellen dat iemand, die Christus' naam gebruikt om wonderen te doen, Zijn naam zal lasteren, zoals de Farizeeën en schriftgeleerden dit deden. Wel waren er van de zodanige, die in Christus' naam duivelen hebben uitgeworpen en toch in andere opzichten werkers der ongerechtigheid zijn geweest, maar zij hebben van Christus niet kwalijk gesproken.
b. Omdat zij, die verschillen in gemeenschap, maar overeenkomen in den strijd tegen Satan onder de banier van Christus, elkaar moeten beschouwen als behorende tot dezelfde zijde, niettegenstaande dit verschil. Wie tegen ons niet is, die is voor ons. Betreffende het groot geschil tussen Christus en Beëlzebub had Hij gezegd: Wie met Mij niet is, die is tegen Mij, Mattheus 12:30. Wie Christus niet wil erkennen, erkent Satan. Maar wat hen betreft, die Christus erkennen, hoewel niet in dezelfden vorm of onder dezelfde omstandigheden, Hem volgen, hoewel niet met ons, wij moeten achten, dat dezen, hoewel zij van ons verschillen, niet tegen ons zijn, en daarom zijn zij voor ons, en wij moeten hen in hun arbeid tot nut van anderen niet belemmeren.