Mattheus 12:46-50
Vele voortreffelijke, nuttige gezegden zijn bij bijzondere gelegenheden uit den mond van den Heere Jezus voortgekomen, Zijne uitweidingen zelfs waren even leerrijk, als Zijne bepaalde, of opzettelijke redevoeringen. Hier zien wij:
I. Hoe Christus gestoord werd in Zijne prediking door Zijne moeder en Zijne broeders, die buiten stonden, en Hem wensten te spreken, vers 46, 47. Het is nutteloos te onderzoeken, wie van Zijne broederen het waren, die met hun moeder gekomen waren, (wellicht wel dezen, die niet in Hem geloofden, Johannes 7:5), of wat het was, dat zij begeerden hem te zeggen. Misschien was het slechts hun bedoeling Hem te noodzaken Zijne prediking af te breken, uit vrees, dat Hij zich te veel zou vermoeien, of Hem te waarschuwen om door Zijne rede gene ergernis te geven aan de Farizeeën, of zich in moeilijkheden te wikkelen, alsof zij Hem wijsheid konden leren!
1. Als Hij nog tot de scharen sprak. Christus' prediking was een eenvoudig, duidelijk en gemeenzaam spreken, geschikt voor hun bevatting en hun behoeften. Op hetgeen Christus gesproken had waren vittende aanmerkingen gemaakt, maar toch ging Hij voort. De tegenstand, dien wij bij ons werk ontmoeten, moet er ons niet van wegdrijven. Hij liet af van met de Farizeeën te spreken, want Hij zag, dat Hij hun geen goed kon doen, maar met het gemene volk bleef Hij spreken, want, daar zij niet zo verwaand waren op hun kennis als de Farizeeën, waren zij gewillig om te leren.
2. Zijne moeder en broeders stonden buiten, wensende Hem te spreken, terwijl zij binnen hadden moeten zijn, wensende Hem te horen. Zij hadden het voorrecht van Zijne dagelijkse gesprekken binnen `s huis, en daarom gaven zij er minder om Hem in het openbaar te horen prediken. Dikwijls gebeurt het, dat zij, die de middelen der kennis en genade het meest onder hun bereik hebben, het minst er om geven om er gebruik van te maken. Gemeenzaamheid en gemakkelijkheid van toegang brengen wel eens minachting teweeg. Wij zijn geneigd datgene heden te veronachtzamen, wat wij denken ook morgen en op alle dagen te kunnen hebben en genieten, vergetende, dat wij slechts zeker kunnen zijn van heden, en morgen niet in onze handen hebben. Er is maar al te veel waarheid in het spreekwoord: Hoe dichter bij de kerk, hoe verder van God, maar dit is zeer te betreuren.
3. Zij wilden niet alleen zelven Hem niet horen, maar zij stoorden anderen, die Hem gaarne hoorden. De duivel was een gezworen vijand van de prediking onzes Zaligmakers. Hij had gepoogd Zijne rede te verijdelen door de onredelijke vitterijen van de schriftgeleerden en Farizeeën, en toen hij op die wijze zijn zin niet kon krijgen, trachtte hij Zijne prediking te stuiten door het ontijdig bezoek van bloedverwanten. Wij ontmoeten dikwijls hindernissen in ons werk door vrienden, die ons omringen, en wij worden dikwijls gestoord in het behartigen van onze geestelijke belangen door de eisen der burgerlijke beleefdheid. Zij, die toch wezenlijk ons welzijn wensen, kunnen soms door hun onbescheidenheid ons belemmeren in de betrachting van onzen plicht, gelijk Petrus een aanstoot was voor Christus, met zijn: Heere, wees U genadig, toen hij zich zelven zeker zeer gedienstig en vriendelijk vond. De moeder onzes Heeren begeerde Hem te spreken, zij scheen toen nog niet geleerd te hebben haar Zoon te gebieden, gelijk de ongerechtigheid en afgoderij van de kerk van Rome haar daarna heeft willen leren, en zij was ook niet zo vrij van fouten en gebreken en dwaasheid, als zij haar willen voorstellen. Het was Christus' kroonrecht, en niet dat Zijner moeder, om alles met wijsheid te doen, en op zijn tijd heeft Christus eens tot Zijne moeder gezegd: Wat is het, dat gij Mij gezocht hebt? wist gij niet, dat Ik moet zijn in de dingen Mijns Vaders? En toen werd gezegd: Zijne moeder bewaarde al deze dingen in haar hart. Maar indien zij zich dat nu had herinnerd, zij zou Hem niet gestoord hebben, toen Hij in de dingen Zijns Vaders was. Er is menige goede waarheid, die wij wèl bewaard dachten te zijn, toen wij haar hoorden, maar ons ontgaan is, als de gelegenheid zich voordoet om haar te gebruiken.
II. Hoe Jezus deze stoornis opnam, vers 48-50.
1. Hij wilde er niet naar luisteren. Hij was zo vervuld van Zijn werk, dat Hij er zich door gene eisen van natuurlijke of burgerlijke beleefdheid van liet afleiden. Wie is Mijne moeder, en wie zijn Mijne broeders? Niet dat natuurlijke genegenheid afgewezen moet worden, of dat wij, onder voorwendsel van Godsdienstig te zijn, oneerbiedig mogen zijn tegenover ouders, of onvriendelijk jegens andere bloedverwanten, maar alles is schoon op zijn tijd, en de mindere plicht moet voor den meerdere wijken. Als onze achting en liefde voor onze vrienden of betrekkingen ons belemmeren in den dienst van God, of het waarnemen van de gelegenheid om goed te doen, dan moeten wij in zulk een geval, gelijk Levi, tot onzen vader zeggen: "Ik zie hem niet", Deuteronomium 33:9. Vergelijkenderwijs gesproken, moeten de naaste bloedverwanten dan gehaat worden, dat is: wij moeten hen minder liefhebben dan Christus, Lukas 14. 26, en onze plicht tot God gaat altijd voor. Christus heeft ons hiervan het voorbeeld gegeven, de ijver van Gods huis heeft Hem zo zeer verslonden, dat Hij er niet alleen zich zelven door vergat, maar ook Zijne dierbaarste betrekkingen. En wij moeten het onzen vrienden niet ten kwade duiden, noch het aan hun boosheid toeschrijven, indien zij aan het behagen van God de voorkeur geven boven het behagen aan ons, maar geredelijk de schijnbare onachtzaamheid of het verzuim vergeven, dat heel licht aan een Godvruchtigen ijver voor Gods eer en het welzijn van anderen toegeschreven kan worden. Ja, wij moeten liever ons zelven verloochenen, dan iets te doen wat onzen vrienden van hun plicht jegens God kan afhouden of er hen in zou kunnen belemmeren.
2. Hij heeft die gelegenheid aangegrepen om te tonen, dat Hij Zijne discipelen, als Zijne geestelijke verwanten, stelde boven Zijne natuurlijke verwanten, als zodanig, hetgeen ene goede reden was, waarom Hij Zijne prediking niet zou onderbreken om met Zijne broeders te spreken. Hij wilde liever aan Zijne discipelen nuttig, dan aan Zijne bloedverwanten aangenaam zijn. Let hier op: Christus' beschrijving van Zijne discipelen. Zij zijn de zodanige, die den wil Zijns Vaders doen, hem niet slechts horen, en kennen, en er van spreken, maar hem doen, want den wil van God te doen is de beste toebereiding tot het discipelschap, Johannes 7:17, en ook het beste bewijs er van, Hoofdstuk 7:21, dat kenschetst ons in waarheid als Zijne discipelen. Christus zegt niet: Een iegelijk, die Mijn wil doet, want Hij is niet gekomen om Zijn eigen wil, als onderscheiden van dien Zijns Vaders, te zoeken, of te doen, Zijn wil en die Zijns Vaders zijn een, maar Hij verwijst ons naar den wil Zijns Vaders, omdat Hij zich, in Zijn tegenwoordigen staat en werk, daaraan geheel had overgegeven. De waardigheid van Christus' discipelen: Dezelve is Mijn broeder, en zuster, en moeder. Zijne discipelen, die alles hadden verlaten, om Hem te volgen en Zijne leer hadden omhelsd, waren Hem dierbaarder dan iemand dergenen, die Hem verwant waren naar den vleze. Zij hadden Christus gesteld boven hun bloedverwanten, zij hadden hun vader verlaten, Hoofdstuk 4:22, 10:37, en om hun dit nu te vergoeden en hun ook te tonen, dat er hierdoor gene liefde voor hen was verloren, stelt Hij hen boven Zijne bloedverwanten. Hebben zij nu hiermede, ook in ere, niet honderdvoud ontvangen? Hoofdstuk 19:29. Het was een liefderijk en bemoedigend woord van Christus: Ziet, Mijne moeder, en Mijne broeders, maar toch was dit geen voorrecht voor hen alleen, al de heiligen delen in die ere. Alle gehoorzame gelovigen zijn na verwant aan Jezus Christus. Zij dragen Zijn naam, zij dragen Zijn beeld, zij hebben Zijne natuur, zij behoren tot Zijn gezin. Hij heeft hen lief, Hij gaat met hen om als met Zijne betrekkingen. Hij heet hen welkom aan Zijne tafel, draagt zorg voor hen, voorziet in hun behoeften, laat het hun aan niets ontbreken, dat goed en geschikt voor hen is. Toen Hij stierf, heeft Hij hun ene rijke erfenis nagelaten, en nu Hij in den hemel is, houdt Hij nog gemeenschap met hen, en ten laatste zal Hij hen allen bij zich hebben, en Hij zal niet in gebreke blijven als Nabestaande met hen te handelen, evenmin als Hij zich nooit Zijner arme verwanten schamen zal, want Hij zal hen belijden voor de mensen, voor de engelen en voor Zijn Vader.