3. En als Ik, zoals volgens de uitwendige toestand zou moeten gebeuren, hen nuchter naar hun huis laat gaan (
Daniël 6:18) zullen zij op de weg bezwijken, vooral in dit warme jaargetijde, want sommigen van hen komen van ver; zij hebben dus een lange weg naar huis. Wat denkt u dat gedaan moet worden? Het schijnt dat zo'n wonderwerk juist op deze tijd (7de Zondag na Trinitatis) als prediking is aangegeven, opdat, omdat juist in deze tijd van het jaar de oogst begint en men de veldvruchten begint binnen te halen (evenals het wonder van de spijziging der 5. 000 in de tijd van de lente valt, wanneer de zaaier het zaad begint uit te strooien), ieder door dit Evangelie eraan zou worden herinnerd dat het Gods zegen was en dat Hij nog vandaag bij ons het wonder doet, dat Hij toen in de woestijn heeft gedaan, dat men met weinig door Zijn zegen ver kan komen en velen kan voeden, opdat wij Hem voor die weldaad van harte danken, dat Hij ons jaarlijks de vruchten van de aarde geeft en ons zegent.
Hoeveel lijkt de oogst op dit wonder van de spijziging! De woestijn daar komt overeen met de leegte in schuur en kelder; de oogst is ook Gods gave en deze gave is een bijzondere zegen. Toch is nog meer de voortgang op te merken in de op elkaar volging van de perikopen: wanneer het vorige Zondags-evangelie (Mattheus 5:20, ) de Christen het doel voor ogen stelt, waarom hij te worstelen heeft, de betere gerechtigheid, zo leert dit: u mag blijmoedig die gerechtigheid zoeken, u zult daarom in het aardse geen nood hebben; de Heere laat u, wanneer u slechts zorgt voor het éne nodige, al het andere toekomen.
Hier wordt drieërlei bezwaar van de natuurlijken mens tegen de noodzakelijkheid van de bekering en wedergeboorte weerlegd. De eerste (5de Zondag na Trinitatis) had bedoeld dat zij hinderlijk was bij de arbeid van zijn roeping; wat zo weinig waar is, dat, zoals het Evangelie van de Zondag (Lukas 5:1, ) aanwijst, de wedergeboorte ons aardse beroep pas echt bevordert. De tweede (6de Zondag na Trinitatis) dat zij onnodig was, waar al deugd en rechtschapenheid aanwezig is, waartegen het Evangelie van de Zondag (Mattheus 5:20 vv. ) duidelijk maakt dat de natuurlijke eigengerechtigheid en deugd niet genoeg is, maar er een betere Gerechtigheid is. De derde beweert dat zij hoogst bedenkelijk is, omdat zij de mens niets dan nood en ellende bereidt. Zeker kan niet worden ontkend dat het levende Christendom en de oprechte bekering tot de Heere soms aanleiding is dat de mens zijn brood wordt onttrokken. De wereld kan het niet dulden dat iemand in waarheid bekeerd wordt, dat is haar een doorn in het oog; ieder nieuw geval van die aard brengt haar in het harnas, omdat het een nieuwe aanklacht tegen haar verheft, dat zij blijft in haar zonde en zich niet wil veranderen. Lukt het haar nu niet de bekeerde kinderen van God te vervolgen; in nood te brengen, modder en stenen op hen te werpen, hen te verbannen of hen naar het leven te staan, dan zoekt zij minstens hun op alle wijzen het leven zo bitter mogelijk te maken en in het bijzonder hen de broodwinning te ontnemen. Horen wij niet van negerslaven in Amerika, aan wie hun blanke meesters alle denkbare kwellingen doen zodra zij beginnen de kerken van de zendelingen te bezoeken, de bijbel te lezen en te bidden? Horen wij niet van gedoopte Israëlieten die na hun overgang tot het Christendom niet alleen door hun naaste bloedverwanten worden vervloekt, maar aan wie ook door hen alle mogelijkheid wordt ontnomen om eerlijk hun onderhoud te verdienen? Horen wij niet van Christelijke gezellen en leerlingen, aan wie hun meesters en fabrikanten dadelijk de dienst opzeggen, wanneer zij op Zondag naar de kerk gaan en niet willen werken, of die daarom door hun medeknechten gehoond en benadeeld worden? Horen wij niet van vrome kinderen, aan wie zelfs door hun eigen ouders in dat opzicht allerlei hindernissen in de weg worden gelegd? In al die gevallen maakt de levende bekering tot het Christendom zeker vaak brodeloos, of dreigt ten minste hen brodeloos te maken; en deze verzoeking is geen kleinigheid; er behoort integendeel veel vastheid en beslistheid in het geloof toe, zal de inwendige mens geen schipbreuk lijden. Duizenden bezwijken voor de macht van de verzoeking en houden het op den duur niet uit, onderhandelen, verloochenen, vallen af en gaan verloren.
Het is ruim een mensenleeftijd geleden dat er in de Engelse stad Bath een man leefde die William Kind heette. Deze was een eerlijk en vlijtig barbier, die niemand enig leed deed, rustig en ordelijk de ene dag na de andere zijn werk verrichtte, bij al zijn klanten graag gezien en ook in zijn huis als een goed echtgenoot en vader geroemd werd. Wegens zijn werk was hij niet in staat op een Zon- of feestdag het huis van God te bezoeken, omdat juist op zulke dagen de voorname en rijke wereld, die bijna geheel tot zijn klanten behoorde, zijn dienst het meest nodig had. Als hij zijn werk volbracht had, voelde hij zich in de avond naar lichaam en geest zo moe, dat hij nog wel eerst door een bezoek in de herberg zich zocht te versterken, maar om in de Bijbel, of in enig ander stichtelijk boek te lezen, daartoe voelde hij geen roeping. Zo leefde hij lang voort in de mening dat het zeer goed met hem was en dat hij een even gelukkig als voortreffelijk man was. Hij had er geen gedachte naar dat al zijn vriendelijkheid en burgerdeugd, die hij bezat, in zelfzucht en eigenbaat opging en dat hem, hoe ook zijn vermogen vermeerderde, toch het éne nodige ontbrak. Toen leidde op een Zondag, toen hij al een groot deel van zijn klanten bediend had, zijn weg langs een kerk. De deur stond open en daarbinnen werd bij diepe stilte alleen de stem van de prediker gehoord. Gedreven, zoals hij meende, door een opwelling van nieuwsgierigheid, trad hij binnen om een blik te slaan in het Godshuis en op de vergadering en juist las de prediker de tekstwoorden uit Exodus 20:8-11 voor: "Ja, ja, " zei Kind zacht bij zichzelf, "dat was zo in de oude tijd, maar dat gaat nu niet meer, " en wilde zijn weg verder gaan, maar een onverklaarbaar gevoel hield hem terug: "ik wil toch zien, hoe de man dat uitlegt. " Na de eerste inleidende woorden van de prediking zag hij op zijn horloge en schrok omdat hij al verscheidene minuten had verzuimd, hij maakte zich gereed om te gaan en wilde door een sneller lopen het verzuimde weer inhalen. Toch bleef hij aan de deur weer staan: "op een paar minuten zal het wel niet aankomen, die man spreekt een bijzondere taal; " en hij kwam op zijn vorige plaats terug. Een krachtige gemoedsbeweging had er in hem plaats, toen hij verder en verder luisterde, gedachten die vijandig aanklaagden en verontschuldigden gingen door zijn ziel, totdat het op het laatst klonk: "wie van zeven uren niet een, van zeven dagen niet een Zijn Heere en God heiligt en zonder alle gedachten aan de eeuwigheid, dag aan dag zonder onderscheid, zijn arme ziel in de lusten en lasten van deze wereld begraaft en de tijd en het uur van zijn zelfonderzoek, van zijn bekering, van zijn gebed, van zijn heiliging voor geld en goed verkoopt, die heeft als de tollenaar zijn loon al en zal in de tijd van werkelijke nood zonder zegen, zonder vrede zijn enz. " Een zekere angst en beklemdheid die hij niet meester kon worden greep de hoorder aan. Hij keek naar de open kerkdeur als naar een weg van redding en snelde met neergeslagen ogen uit het Godshuis; daarbuiten in de vrije lucht haalde hij lang en diep adem en toen hij op zijn horloge zag en bemerkte dat hij meer dan een half uur had vertoefd, verdubbelde hij zijn schreden om zijn wachtende klanten tevreden te stellen, maar van de ene tot de andere vergezelde hem een angel, die zich diep in zijn hart had gedrukt. "Domme kerel, met die dwaze gedachten die in mij opkomen, " zei hij bij het naar huis gaan tot zichzelf, "herendienst gaat boven godsdienst, ik weet het beter dan de prediker daar op de kansel, die het hele jaar niets te doen heeft dan te prediken, maar een ieder moet zich richten naar Zijn stand. " Toch wilde de zelfvertroosting niet lukken. "De lieve God weet wat er met mij gebeurd is, " sprak hij tot zichzelf, toen hij in de avond niet naar de herberg, maar naar buiten ging; "erger kan het een misdadiger niet te moede zijn dan mij en wat heb ik dan eigenlijk gedaan? Ik heb die onrust mede uit de kerk gebracht en dat is voor mij juist het onverklaarbare; de mensen gaan toch in de kerk om daar rust en vrede te verkrijgen, zij komen daar, zoals ik van sommigen gehoord heb, met een bezwaard hart binnen en gaan met een opgeruimd hart weer heen en bij mij heeft het juist omgekeerd plaats gehad - deze morgen nog zo blij en vrolijk en gelukkig en deze avond draag ik een zo zware last met mij rond, alsof ik de allerongelukkigste mens was. " Wij zouden hem graag vergezellen op zijn verdere inwendige weg die hij doorliep, wij moeten ons echter haasten naar het einde daarvan: dit was de belijdenis, dat het zonde was de Zondag tot een werkdag te maken en het besluit: ik werk voortaan op Zondag niet meer, maar ga, zoals het betamelijk is, naar de kerk, de klanten blijven door mij onbediend. Een zware strijd had hij nu met zijn vrouw, een des te sterkere steun daarentegen in zijn vrome en al bevestigde dochter. Hij bleef aan zijn besluit trouw, wat ten gevolge had, dat na jaar en dag, omdat hij al zijne voorname klanten had verloren, de vrouw in wraakzucht daarover, dat hij zich van zijn gedachten niet liet afbrengen, door haar verkwisting de ondergang van alle bezittingen had bespoedigd; dat hij met zijn slecht huisraad een slechte kelderwoning moest betrekken en zijn klanten onder de ruwste en meest gewone mensen van die plaats moest zoeken. De trotse en verwende wilde hem daar niet vergezellen, maar ging in het geheim weg; Gods bekerende genade wist haar intussen op haar dwaalwegen te vinden en haar met een nieuw hart en een vaste geest tot hem en de dochter terug te leiden. Op een Zaterdag steeg de nood en de behoefte bij de familie ten hoogste top; ook niet een enkele klant was op die dag in het gewelf neergedaald, de kleine verdienste van de vorige dag was geheel verteerd, toen in de avond zich een vreemdeling aanmeldde, die gedurende de verwisseling van paarden op de dichtbij zijnde post nog snel geschoren wilde worden. Kind moest van deze eerst zoveel geld vragen om het nodige licht te verkrijgen. Maar juist nu was ook het uur van de Heere gekomen om de trouw van de man te kronen. Deze vreemdeling was op reis als executeur van het testament van een rijke koopman Thomas Kind, die in Indië gestorven was, om diens neef en erfgenaam te vinden en deze was geen ander dan onze William Kind. Hij, die omwille van God en van zijn ziel, uit de overvloed van de rijkdom in de nood van de armoede was afgedaald, zou nu ook ten loon van zijn betoond geloof weer verheven worden. Hij kocht het huis waar hij de dagen van zijn beproeving had doorgebracht en hoewel hij snel tot de aanzienlijkste en rijkste personen van de stad behoorde, behield hij toch het keldergewelf als zijn eigenlijke werkplaats en heeft aan de armen en geringen uit het volk, die hij eveneens als zijn klanten behield, menige vrucht door woord en getuigenis mogen hebben. (Een ware geschiedenis door A. Wildenhahn, in het vijfde deel van zijn verhalen uitvoerig meegedeeld).