10. Zeg niet, uit verdriet over het leed dat u treft: Wat is er, hoe komt het, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze; waarmee hebben wij dit verdiend; is God rechtvaardig daarin, dat Hij ons thans zonder oorzaak kastijdt? Want het is altijd dwaasheid, den tijd waarin men leeft, voor den slechtsten en ongelukkigsten te houden, en gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen; de wijsheid erkent veeleer, dat er steeds voor de tijdelijke droefheid ene goede oorzaak is, en toont dit door geduld en lijdzaamheid.
Laat ons naar de stem der wijsheid horen! In haar licht zullen wij, indien wij het tegenwoordige onpartijdig met het verledene vergelijken, tot de overtuiging komen, dat elke tijd zijne eigenaardige voorrechten en gebreken heeft, en dat bij al het verkeerde, dat onzen tijd aankleeft, deze evenwel ene grotere mate van geluk aanbiedt, dan elk verleden. Wij zullen daardoor in plaats van ons de voorrechten van onzen tijd door dwaze klachten te verbitteren, de bezwaren aan dien tijd verbonden te vergroten en onzen moed te verlammen, veeleer trachten ons met hem te verzoenen, zijne gebreken weg te nemen, of die ten minste te verlichten. Het is dwaas over de slechtheid onzer tijden te klagen en de dwaasheid en slechtheid van zijn eigen hart en gedrag voorbij te zien. Waren onze harten beter, de tijden zouden niet zo slecht zijn. Wij hebben reden zelfs om dankbaar te zijn, dat de tijden niet slechter zijn, en dat wij in de boosheid er van nog zo vele goedertierendheden van Gods Vaderlijke hand mogen smaken, die dezelve niet alleen draaglijk, maar ook vertroostelijk maken..