Markus 1:1-8
Hier kunnen wij opmerken:
I. Wat het Nieuwe Testament is-het Goddelijk testament, waaraan wij meer dan aan alles wat bloot menselijk is gehecht moeten zijn, het Nieuwe Testament dat wij boven het Oude stellen. Het is het Evangelie van Jezus Christus, den Zoon van God, vers 1.
1. Het is Evangelie, het is Gods Woord, en is waarachtig en getrouw, Openbaring 19:9, 21:5, 22:6. Het is een goed woord, en alle aanneming waardig, en brengt ons een blijde boodschap.
2. Het is het Evangelie van Jezus Christus, den gezalfden Zaligmaker, den Messias, beloofd en verwacht. Het voorgaande Evangelie begon met de geslachtslijst van Jezus Christus-dat was slechts de inleiding, dit Evangelie komt onmiddellijk tot de zaak-het Evangelie van Christus. Het wordt het Zijne genoemd, niet slechts omdat Hij er de auteur van is, en het van Hem komt, maar omdat Hij er het onderwerp van is, en het ganselijk over Hem handelt.
3. Deze Jezus is de Zoon van God. Die waarheid is het fondament, waarop het Evangelie gebouwd is, en het is geschreven om dit aan te tonen en te bewijzen, want indien Jezus de Zoon van God niet is, dan is ons geloof ijdel.
II. In welke betrekking het Nieuwe Testament staat tot het Oude, en hoe het er mede samenhangt. Het Evangelie van Jezus Christus begint, en wij zullen bevinden, dat het ook zo voortgaat, juist zoals het geschreven is in de profeten, vers 2. Het zegt niets buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou. Handelingen 26:22, en zeer gepast en krachtig was ter overtuiging van de Joden, die geloofden dat de profeten van het Oude Testament door God waren gezonden, en hiervan blijk hadden moeten geven door de vervulling hunner profetieën ter bestemder tijd welkom te heten. Maar het is nuttig voor ons allen ter bevestiging van ons geloof, beide in het Oude en het Nieuwe Testament, want de nauwkeurige overeenkomst tussen die beiden toont, dat zij dezelfden Goddelijken oorsprong hebben. Er zijn hier aanhalingen uit twee profetieën-die van Jesaja, die de uitvoerigste, en die van Maleachi, die de laatste was-en tussen die twee ligt een tijdperk van meer dan drie honderd jaren-beiden hebben gesproken met gelijke strekking van het begin des Evangelies van Jezus Christus, in de bediening van Johannes.
1. Maleachi, in wie wij het vaarwel des Ouden Testaments hebben, heeft zeer helder en duidelijk gesproken betreffende Johannes de Doper, Hoofdstuk 3:1, die het welkom bracht van het Nieuwe Testament. Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht. vers 2. Christus zelf heeft die woorden aangehaald en ze toegepast op Johannes, Mattheus 11:10, die Gods engel, of bode, was, gezonden, om voor Christus den weg te bereiden.
2. Jesaja, de meest evangelische van al de profeten, begint het evangelisch gedeelte zijner profetie hiermede, hetwelk heen wijst naar het begin des Evangelies van Christus, Jesaja 40:3, Ene stem des roependen in de woestijn, vers 3. Mattheus had dit opgemerkt en het toegepast op Johannes, Hoofdstuk 3:3. Maar uit deze twee, hier samengevoegd, kunnen wij opmerken: a. Dat Christus in Zijn Evangelie onder ons komt, een schat medebrengende van genade en een scepter der heerschappij.
b. Dat het bederf der wereld zo groot is, dat er iets gedaan moet worden om plaats voor Hem te maken, en te verwijderen hetgeen Zijne komst niet slechts belemmert, maar tegenstaat.
c. Toen God Zijn Zoon in de wereld zond, droeg Hij er zorg voor, en als Hij Hem in ons hart zendt, draagt Hij er zorg voor-en dat wel op krachtdadige, afdoende wijze, om Zijn weg voor Hem te bereiden, want de bedoelingen Zijner genade zullen niet verijdeld worden, ook kunnen alleen diegenen de vertroostingen Zijner genade verwachten, die door overtuiging van zonde en verootmoediging vanwege de zonde er voor bereid zijn, en geneigd om ze te ontvangen.
d. Als de paden, die krom waren, recht gemaakt zijn-de vergissingen van het oordeel en de kromme wegen der genegenheden hersteld, -dan is de weg bereid voor de vertroostingen van Christus.
e. Het is in ene woestijn, want dat is de wereld, dat Christus' weg bereid wordt en de weg van hen, die Hem volgen, zoals die, waarlangs Israël naar Kanaän is gegaan.
f. De boden der overtuiging van zonde en der verschrikking, die komen om den weg voor Christus te bereiden, zijn Gods boden, die Hij zendt, en die als zodanig ontvangen moeten worden.
g. Zij, die in zulk een grote en huilende wildernis als de wereld is, gezonden worden, moeten luide roepen en niet inhouden, en hun stem verheffen als een bazuin.
III. Wat het begin des Nieuwen Testaments was. Het Evangelie begon met Johannes de Doper, want de wet en de profeten waren tot op Johannes de enige Goddelijke openbaring, maar van dien tijd af is het koninkrijk Gods verkondigd geworden, Lukas 16:16. Petrus begint van den doop van Johannes, Handelingen 1:22. Het Evangelie begon niet zo vroeg als de geboorte van Christus, want Hij nam tijd om toe te nemen in wijsheid en in grootte, en het begon niet zo laat als de aanvang van Zijn openbare prediking, maar een half jaar tevoren, toen Johannes dezelfde leer begon te verkondigen, die Christus later gepredikt heeft. Zijn doop was het aanbreken van den Evangeliedag, want:
1. In Johannes' levenswijze was het begin van den geest des Evangelies, want zij wees op grote zelfverloochening, doding van het vlees, een heilige minachting van de wereld en ongelijkvormigheid er aan, hetgeen in waarheid het begin des Evangelies van Christus in ene ziel genoemd kan worden, vers 6. Hij was gekleed met kameelhaar, niet met zachte klederen, hij was omgord, niet met een gouden, maar met een lederen gordel, en in minachting van fijne spijzen en lekkernijen, was zijn voedsel sprinkhanen en wilde honing. Hoe meer wij los zijn van het lichaam en een leven leiden, dat boven de aarde verheven is, hoe beter wij bereid zijn voor Jezus Christus.
2. In de prediking en in den doop van Johannes was het begin der Evangelieleerstellingen en inzettingen, en de eerste vruchten er van.
a. Hij predikte de vergeving van zonden, dat het grote Evangelievoorrecht is. Hij toonde den mensen hun behoeften er aan, dat zij zonder haar verloren zijn, en dat zij te verkrijgen is. b. Hij predikte bekering, als daartoe leidende. Hij zei tot de mensen, dat er ene vernieuwing moest plaatshebben van hun hart, en ene reformatie van hun leven, dat zij moesten aflaten van de zonde, en zich moesten wenden tot God en dat alleen op die voorwaarden hun zonden vergeven zouden worden. Het was bekering en vergeving der zonden, dat den apostelen was opgedragen aan alle volken te prediken, Lukas 24:47,
c. Hij predikte Christus en wekte zijne hoorders op Zijne verschijning spoedig te verwachten, en grote dingen van Hem te verwachten. De prediking van Christus is zuiver Evangelie, en dat heeft Johannes de Doper gepredikt, vers 7, 8. Als een waar Evangeliedienaar predikte hij de grote voortreffelijkheid, de hoge meerderheid van Christus. Zo hoog, zo groot is Christus, dat Johannes, hoewel een der grootsten die uit vrouwen geboren zijn, zich onwaardig acht tot het verrichten der geringste diensten van Hem, zich zelfs niet waardig acht, om nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden. Zo ijverig is hij om Hem eer te geven en anderen te bewegen dit ook te doen. De grote macht, waarmee Christus bekleed is, Hij komt na mij in tijd, maar Hij is sterker dan ik, sterker dan de machtigen der aarde, want Hij is machtig te dopen met den Heiligen Geest, Hij kan den Geest Gods geven, en door Hem den geest der mensen regeren. De grote belofte, die Christus geeft in Zijn Evangelie aan hen, die zich bekeerd hebben en aan wie de zonden vergeven zijn. Zij zullen gedoopt worden met den Heiligen Geest, zij zullen gereinigd worden door Zijne genade, en verkwikt worden door Zijne vertroostingen. Eindelijk: Allen, die zijne leer hebben aangenomen, heeft hij gedoopt met water, naar de wijze der Joden om proselieten aan te nemen, ten teken dat zij zich door bekering en levensverandering, de twee plichten die geëist werden, gereinigd hebben, en ten teken ook, dat God hen gereinigd heeft door vergeving en heiligmaking, de twee zegeningen, die beloofd waren. Nu werd die doop later verheven tot ene Evangelie inzetting, die door Johannes als inleiding daartoe gebruikt werd.
3. In den voorspoed op Johannes' prediking en in de discipelen, die hij door den doop heeft aangenomen, was reeds het begin der Evangeliekerk. Hij doopte in de woestijn, en weigerde in de steden te gaan, maar al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, inwoners van de stad en van het land, en zij werden allen van hem gedoopt. Zij gaven zich op als zijne discipelen, en stelden zich onder zijne tucht, ten teken waarvan zij hun zonden beleden. Hij liet hen toe als zijne discipelen, ten teken waarvan hij hen doopte. Hier waren de bestanddelen der Evangeliekerk, de dauw harer jeugd uit de baarmoeder des dageraads. Psalm 110:3.. Velen van dezen werden naderhand volgelingen van Christus en predikers van het Evangelie en zo is dit mostaardzaad tot een groten boom geworden.