15. Pilatus wilde nu de menigte genoeg doen, omdat al zijn verdere pogingen om hen tot andere gedachten te brengen niets opleverden, liet Barabbas los en gaf Jezus over nadat hij Hem gegeseld had, om gekruisigd te worden, hopend dathij ten slotte nog wel het uiterste zou kunnen afwenden.
Wordt Christus niet vandaag weer door ontelbaar velen van Zijn volk verworpen, juist zoals in het afschuwelijke Jeruzalem? Op dezelfde manier? vraagt u verwonderd en u meent dat er zo'n keus niet meer plaats vindt. En toch, Gel. ! merkt op: hier is Christus, het licht en het leven van uw ziel, uw vrede met God, uw troost in nood en dood, de open deur tot het eeuwige hemelrijk; en daar is Barabbas, de zonde, de opstand tegen God en Zijn bestuur, de moordenaar van al het echte levensgeluk, de moordenaar van de zielen en van uw eeuwige heil. Wie wilt u, wie kiest u? Is het niet zo dat vele duizenden Barabbas kiezen? En wat doen zij met Christus? Roept niemand meer: "Weg met Hem, laat Hem kruisigen!?" Ach, al is het dat de lippen zwijgen, het hart heeft deze stem, want in de grond van de zaak zijn zij Hem vijandig als de Joden en echt, als zij zo in die menigte zouden staan, door die overpriesters en oudsten opgehitst, zij zouden luid mee roepen: "Laat Hem kruisigen!" Kruisigen zij Hem niet dagelijks door hun ongeloof en hun moedwillige overtredingen? Laat ons op de oorzaken van die verwerping letten en ons overtuigen, hoe vaak en krachtig zij ook onder ons aanwezig zijn. Zij leverden Jezus uit nijdigheid over, zij gunden Hem de eer niet boven hen, de eer als Gods Zoon en deze eer gunnen velen van onze tijdgenoten Hem ook niet, Hij moet een mens zijn als zij. De Joden waren boos op Hem omdat Hij hun zonden bestraft had, omdat Hij ze huichelaars, kinderen van de vader van de leugen, een verkeerd en verdraaid geslacht had genoemd, ten einde hen tot bekering te leiden; en het verbittert heden nog zo velen dat Zijn woord hen tot arme zondaars maakt, dat Hij hun diepe schuilhoeken ontdekt, hoewel Hij ze genadig wil genezen. De Joden verwierpen Hem uit vleselijke gezindheid, omdat Hij geen hemelrijk wilde stichten waarin zij op de wijze van de wereld konden pronken, brassen en zwelgen en de hemelse gezindheid, die zich boven de wereld verheft en die Hij van Zijn rijksgroten begeert, die, ja, die is ook voor ontelbaren van dit geslacht ergerlijk en belachelijk.
Welk een ontzaglijke ruil, die het ongelovige Israël doet, door in plaats van Jezus de Zoon van Gods, Jezus Barabbas te kiezen. Ook u doet die ruil, u die in plaats van Jezus, de Zoon van God en van de mensen, Jezus, het mensenkind kiest, U hebt 1) in plaats van een heilig onbevlekt Lam een misdadiger en zondaar gekozen, 2) in plaats van een Verlosser, die voor uwe zonde stierf, een dwaas gekozen, die om zijn eigen zonde aan het kruis is gehecht en 3) in plaats van een voorspraak bij de Vader een kind van de verdoemenis. U siddert - ook die onder u siddert, die in Jezus tot hiertoe het mensenkind hebt vereerd, dat wel aan het algemene lot van de zondige, zwakke mensheid onderworpen was, maar toch zo edel en groot was; want in uw ziel is geen gedachte aan iets dergelijks opgekomen. Maar laat ons die gedachte geheel doordenken! I. De apostel spreekt ergens van misdaden, waarvan de naam niet eens in Christelijke gemeenten moet worden genoemd. Ook de Christen leraar mocht het wel in de vergadering verzwijgen dat er zelfs onder degenen die de Christelijke kerk aan haar borst heeft gevoed zijn opgestaan, die de eengeboren Zoon van de Vader hebben voorgesteld als een offer van dweepachtig zelfbedrog. Maar wie mag het verzwijgen, wanneer de ontzettende zaak aanwezig is? Wie mag het in uw vergadering verzwijgen, u toekomstige dienaars van het woord, die geroepen bent voor de hele wereld de eer van de Zoon van God te verdedigen. Ver is het van mij over ieder, die door die verschrikkelijke waan is ingenomen, het wee uit te roepen; er is een macht van de tijdgeest die, hoewel eigen schuld van de mensen blijft, toch moeilijk geheel is buiten te houden en bijzondere personen tegelijk met gehele geslachten aangrijpt. Maar laat mij u, Christelijke gemeente, voorstellen, wat voor ontzaggelijke ruil zij hebben gedaan, die zo het offer zijn geworden van een misdadige geest van de tijd. U hoort dus een onschuldige dweper, wanneer de Eengeborene van de Vader roept: "Die Mij ziet, heeft de Vader gezien?" U hoort dus een dweper, wanneer de Eengeborene van de Vader roept: "Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde?" U hoort dus een dweper, wanneer de hogepriester zegt: "Ik bezweer u bij de levende God, of Gij bent de Christus, de Zoon van God, " en Jezus antwoordt: "U hebt het gezegd en van nu af zal het gebeuren dat u de Zoon des mensen zult zien, zittend aan de rechterhand van God en komend op de wolken van de hemel?" U hoort dus een dweper en er kwam in uw ziel geen gedachte op, waartoe een graad van hoogmoed en van verblinding die mens moet komen, die zo dwepen kan? Hoe? Het mensenkind, dat eens evenals ik zal moeten staan voor de troon van de majesteit, het zou, zonder misdaad, de Koning der koningen de scepter uit de hand hebben kunnen wringen en zich op Zijn troon hebben kunnen plaatsen. Hij, die zo goed als u en ik onder de bedekking van zijn borst geheimen van de duisternis verborg, al kon hij die ook aan het oog van de vriend onttrekken, hij zou zonder misdaad te plegen, hebben kunnen roepen: "Die Mij ziet, ziet de Vader?" Hij, die als u en ik iedere dag Zijn handen moest opheffen en bidden: "Onze Vader, vergeef ons onze schulden!" Hij zou zonder misdaad hebben kunnen zeggen: "Ik doe altijd de wil van Mijn Vader?" Hij, die als u en ik voor het laatste uurtje moest vrezen, omdat ook Hij de prikkel van de dood voelde, namelijk de zonde, Hij zou zonder misdaad hebben kunnen roepen: "Voorwaar zeg Ik u, die in Mij gelooft, zal de dood niet zien in eeuwigheid?" O u, die in plaats van Jezus de Zoon van God en van de mensen, die het geloof van de Christelijke kerk waarin u bent opgegroeid, u aanbiedt, het mensenkind kiest, u hebt een verblinde zondaar gekozen, een die zich bezondigd heeft tegen de Heilige Majesteit van God. - II. Maar is Hij, die voor de hogepriester met een eed bij de levende God bekrachtigt dat Hij de Christus, de Zoon van God is, een zwak, zondig mensenkind, als u en ik - wie verscheurt dan niet met de hogepriester het gewaad en zegt: "Hij heeft God gelasterd, Hij is schuldig tot de dood?" Is toen een mensenkind in het bedrog van een hoogmoedige zelfverblinding aan het kruis gehecht - Christelijke gemeente! dan moet u een ander lied aanheffen. U heeft tot hiertoe gezongen: "Moet Hij dat spotkleed dragen, dat riet, die doornenkroon? Lijdt Hij die smaad, die slagen? Hij, God, Uw eigen Zoon?" en met een klaaggeschrei van uw hart hebt u geantwoord: "Ik sloeg Hem al die wonden. Voor mij moet Hij daar staan. Ik deed door mijn zonden Hem al dat jammeren aan. " Nu moet u een ander lied zingen - vreselijk is het om het uit te spreken: "U, die in uw zonden u plaatste op de troon, u draagt nu al die wonden, vermetele! ten loon. " Stof uit stof, kind van de aarde! bent u niet anders geweest dan uw zwakke, zondige broeders, hoe heeft uw dwaasheid het gewaagd in hoogmoed van de zelfverblinding in de wereld te roepen: "U bent van beneden, ik ben van boven!" U, die zelf uw handen biddend had moeten opheffen dat de beloofde Verlosser uit Zion mocht komen, om ook u van uw eigen schuld los te maken, hoe hebt u het kunnen wagen u voor te stellen als degene die Israël zou verlossen! Ontzaglijk om te zeggen! - "Gij, gij draagt uwe zonden, als zand ontelbaar veel. Die sloegen u die wonden en het lijden werd uw deel!" O mannen van het geloof en van de tranen, die van Stefanus af, die de hemel geopend zag, naar het teken van het kruis hebt opgezien, als naar een ster van de hoop, voor wier verhelderd oog het kruis op Golgotha, waarop het heilige en onschuldige Lam Gods bloedt, een kroon van majesteit werd, het is voor uw blik in een schavot veranderd waar de inbeelding van een hoogmoedige dweper zijn loon ontvangt. Dat was Zijn vonnis op aarde en wat zal Zijn straf in den hemel zijn! - III. "Ik, de Heere, dat is Mijn naam" spreekt de God van Israël door de profeet. Ik geef Mijn eer aan geen anderen. " Maar wat dan, wanneer deze, die van Zichzelf getuigt: "De Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel aan de Zoon overgegeven, opdat allen de Zoon eren zoals zij de Vader eren" en van wie Zijn apostel in gelijke verblinding, zoals gij meest, getuigt: "Daarom heeft Hem ook God verhoogd en heeft Hem een naam gegeven die boven alle namen is, " wanneer die zelf zal verschijnen voor de troon van die God, die Zijn eer aan geen anderen geeft, kunt u ze u voorstellen, de straf die God, die Zijne eer aan geen anderen geeft, zal opleggen aan de worm uit stof en as, die de majesteit van de Koning aller koningen naar de kroon greep, wanneer hij rekenschap zal geven van de roof van de eer, dat miljoenen knieën sinds 18 eeuwen in lijden en nood en dood voor Zijn naam zich hebben gebogen, als voor de naam van de Vaders! En wanneer zij zich dan allen rondom Hem zullen verzamelen, de bloedgetuigen, die om Zijn naam hun leven in de dood hebben overgegeven en van Stefanus af hun ziel in Zijn handen hebben bevolen en Hem zullen aanklagen, dat Hij - hen bedrogen heeft! Hij noemde een van zijn 12 discipelen het verloren kind, de zoon van de verdoemenis - wee, wee u, verloren mensenkind, die, als u niets anders zou zijn dan uw broeders, de hoogste majesteit naar de kroon hebt gestaan, het vreselijk woord, dat u over uw discipel uitriep: "Het zou voor hem beter geweest zijn als hij nooit geboren was, " wanneer - verschrikkelijk om het te zeggen - het over uw eigen hoofd zal klinken! - Maar gemeente! u verdraagt het niet de gedachte verder te vervolgen; een schrik gaat door uw gebeente. O kruis, waarboven de hemel zwart wordt en waaronder de aarde beeft - nee, U draagt geen misdadiger. Wanneer in de ontzettende duisternis, die over het kruis zich samentrekt, al het volk, aangegrepen door ontzetting op de borst slaat en van daar wegsnelt en op de leeg geworden plaats zelfs de heiden uitroept: "Waarlijk deze is Gods Zoon, " dan buigt de gelovige Christen zijn knieën en heft biddend zijn handen op. O hoofd vol bloed en wonden, vol smart en hoon, nee! Gij zijt nog niet het hoofd van een misdadiger, Gij zijt een heilig hoofd, waarop geen eigen schuld heeft gedrukt, maar de schuld van de zondige wereld.
Al nemen wij ook aan dat het niet dezelfde personen zijn die voor enige dagen Hosanna riepen, die nu Jezus dood willen, het is toch een deel van dezelfde volksmenigte die in Jeruzalems straten Zijn wonderen aanschouwd en in dezelfde tempel Zijn redenen met welgevallen gehoord had, zodat hun tegenwoordigheid alleen zo vaak de handen weerhield, die gereed waren Hem te grijpen. Hoe is het mogelijk dat een volk, dat op Zijn enkel woord Hem gewis tot Koning zou hebben uitgeroepen, dat dienaars die gedwongen waren geweest te erkennen: "Nooit heeft een mens gesproken als deze mens!" voor het rechthuis samengeschaard, de woeste kreet doen horen: "Kruisig Hem, kruisig Hem!" en voor de billijke tegenwerpingen van Pilatus geen antwoord hebben, dan: "Kruisig Hem, kruisig Hem?" Helaas, wij weten geen andere oplossing voor zoveel tegenstrijdigs, dan de treurige behoefte van de menselijke natuur, die zich vooral bij de lage volksmenigte openbaart om sterke aandoeningen te voelen. Voor zulke mensen is het aanschouwen van een rechtsgeding een genoegen; voor hen een strafoefening een feest! Zo juicht nu Jeruzalems volk en smacht naar het bloedige schouwspel van de kruisiging, zoals het enkel zien van bloed de tijger in woede ontsteekt. Geen ander gevoel deed hen Jezus' wonderen aanstaren, dan hen nu, in afwachting van Zijn marteling bezielt en dan hen aan Golgotha's voet tot hoongelach en gekke spotternijen drijft. Helaas, dit is ten allen tijden de geest van de grote menigte; het is tot alles bekwaam, het heeft alles over voor een gemoed bewegend schouwspel, hetzij dan teder of verschrikkelijk, bewondering of afschuwwekkend.