Markus 14:32-42
Christus gaat hier in tot Zijn lijden, en Hij begint met het smartelijkste van alles wat Hij te verduren had, het lijden van Zijne ziel. Wij zien Hem hier in Zijne doodsbenauwdheid, waarvan wij het treurig verhaal reeds in Mattheus gehad hebben. Deze zielsangst was de alsem en gal in Zijne ellende, en hieruit blijkt dat Hij tot gene smart of droefheid gedwongen of genoodzaakt was, maar dat Hij haar vrijwillig over zich liet komen.
I. Hij zonderde zich af om te bidden, "Zit hier neer" (zegt Hij tot Zijne discipelen) "terwijl Ik een weinig verder ga om te bidden". Hij had kort tevoren met hen gebeden, Johannes 17, en nu zegt Hij hun zich terug te trekken, terwijl Hij met een persoonlijke boodschap tot den Vader gaat. Ons bidden met ons gezin zal ons niet verontschuldigen als wij het afzonderlijk gebed nalaten. Toen Jakob zijne worsteling in het gebed stond aan te vangen, "deed hij overtrekken hetgeen hij had, en bleef alleen over, en toen worstelde een man met hem," Genesis 32:23, 24, hoewel hij waarschijnlijk tevoren met zijn gezin had gebeden.
II. Zelfs in die afzondering nam Hij Petrus, en Jakobus en Johannes mede, vers 33, drie bevoegde getuigen van dit deel Zijner vernedering, en hoewel grote geesten er niet op gesteld zijn, dat anderen iets van hun strijd bemerken, heeft Hij zich er niet voor geschaamd dat zij Hem zagen. Deze drie hadden het hoogst opgegeven van hun bekwaamheid en gewilligheid om met Hem te lijden, Petrus hier in dit hoofdstuk, Jakobus en Johannes in Hoofdstuk 10:39 :en daarom laat Christus hen er bij staan en zien welk een strijd Hij had met den bloeddoop en den bitteren beker, ten einde hen er van te overtuigen, dat zij niet geweten hebben wat zij zeiden. Het is voegzaam dat zij, die het meest gerust zijn, het eerst op de proef worden gesteld, ten einde hun hun dwaasheid en zwakheid te tonen.
III. Daar was Hij aan een ontzettende gemoedsbeweging ten prooi, vers 33. "Hij begon verbaasd en zeer beangst te worden", ekthambeisthai, een woord, dat niet in Mattheus gebruikt is, maar veelbetekenend is, het geeft iets te kennen als een afschuw van grote duisternis, zoals die, welke op Abraham viel, of liever iets, dat nog veel erger en schrikkelijker is. "De verschrikkingen Gods rustten zich tegen Hem, en Hij gaf zich over aan de aanschouwing er van, en dat van zeer nabij. Nooit was er ene smart gelijk aan Zijne smart in die ure, nooit heeft iemand ervaring gehad zoals Hij van eeuwigheid gehad heeft van de gunst van God, en daarom heeft nooit iemand zulk ene bewustheid der Goddelijke gunst gehad, als Hij, ja niemand kon die hebben. Toch was er niet de minste wanorde of ongeregeldheid in Zijne gemoedsbeweging, Zijne aandoeningen kwamen niet met heftigheid of onstuimigheid boven, maar onder leiding, al naar zij geroepen werden, want Hij had niet, evenals wij, een verdorven natuur, die er zich in mengde. Indien er op den bodem van water een bezinksel is, dan zal het wel helder schijnen zolang het stil en in rust is, maar als het geschud of bewogen wordt, dan wordt het troebel, zo is het met onze aandoeningen, maar zuiver water in een rein glas blijft helder, al wordt het nog zo heftig bewogen, en zo was het met Christus. Dr. Lightfoot acht het zeer waarschijnlijk, dat de duivel thans in een zichtbare gestalte voor onzen Zaligmaker verscheen, in zijn eigen gedaante en kleur, om Hem te verschrikken en te beangstigen, en Hem af te brengen van Zijne hoop op God (hetgeen hij op het oog had in zijne kwelling van Job, een type van Christus, ten einde hem God te doen vloeken en dan te sterven), en om Hem af te houden van voort te gaan met Zijne onderneming. Al wat Hem daarin zocht te hinderen, beschouwde Hij als komende van Satan, Mattheus 16:23. Toen de duivel Hem verzocht had in de woestijn, wordt van hem gezegd, dat hij "van Hem week voor een tijd," Lukas 4:13, zich voornemende om den aanval te herhalen, maar dan op een andere wijze. Bemerkende dat hij Hem door gene vleierijen tot zonde kon verlokken, wilde hij nu beproeven Hem door verschrikkingen er toe te brengen, om aldus Zijn voornemen te verijdelen.
IV. Hij hief een droeve klacht aan over Zijne ontroering. "Mijne ziel is geheelbedroefd." zei Hij.
1. Hij is zonde voor ons gemaakt, en daarom was Hij aldus bedroefd, Hij kende volkomen de boosaardigheid der zonde, waarvoor Hij leed, en de hoogste mate van liefde tot God hebbende, die er door beledigd was, en van liefde tot den mens, die er door geschaad en in gevaar werd gebracht, was het geen wonder dat, nu die zonden Hem ordelijk voor ogen gesteld zijn, "Zijne ziel geheel bedroefd was". Nu werd Hem arbeid gemaakt met onze zonden, en werd Hij vermoeid met onze ongerechtigheid.
2. Hij is een vloek voor ons gemaakt, de vervloekingen der wet werden overgedragen op Hem, als onzen Borg en Vertegenwoordiger, niet, zoals oorspronkelijk met ons verbonden, maar als aansprakelijk voor de daad. En toen Zijne ziel aldus geheel bedroefd was geworden, heeft Hij zich als het ware overgegeven, en zich gebogen onder den last, totdat Hij door Zijn dood genoegdoening had gedaan voor de zonde, en daardoor den vloek voor eeuwig had opgeheven. Nu heeft Hij den dood gesmaakt, gelijk van Hem gezegd is, Hebreeën 2:9, hetgeen niet is een verzachtende uitdrukking, alsof Hij den dood slechts gesmaakt-of geproefd-had, neen, Hij heeft den beker met droesem en al gedronken, veeleer is het ene uitdrukking ter versterking. Hij heeft den beker niet snel en opeens geledigd, neen, Hij heeft er al de bitterheid van gesmaakt. Dat was de vrees, waarvan de apostel spreekt, Hebreeën 5:7, een natuurlijke vrees voor pijn en dood, waarvoor de menselijke natuur gans natuurlijk terugschrikt. De overdenking nu van Christus' lijden in Zijne ziel en Zijne smarten voor ons moet ons dienen
a. Om onze zonden bitter te maken. Kunnen wij ooit een gunstige, of ook maar een lichte gedachte koesteren van zonde, als wij zien welk een indruk de zonde (hoewel het slechts toegerekende zonde was) op den Heere Jezus heeft gemaakt? Zal op onze ziel licht zijn, wat zo zwaar was op de Zijne? Is Christus in doodsbenauwdheid geweest om onze zonden, en zullen wij er zelven nooit in doodsbenauwdheid om zijn? Hoe behoren wij te zien op Hem, dien wij hebben geperst, dien wij hebben doorstoken, en rouwklagen en bitterlijk kermen! Het betaamt ons gans zeer bedroefd te zijn om de zonde, omdat Christus dit was, en er nooit mede te schertsen. Indien Christus aldus voor de zonde geleden heeft, zo laat ons ons wapenen met dezelfde gedachte.
b. Om onze smarten te verzoeten. Indien onze ziel te eniger tijd geheel bedroefd is vanwege de verdrukkingen van dezen tegenwoordigen tijd, zo laat ons gedenken, dat onze Meester dat voor ons geweest is, en de discipel is niet meer dan zijn Heere. Waarom zouden wij trachten de smart te verdrijven, als Christus haar om onzentwil heeft gezocht en er zich aan heeft onderworpen, en hierdoor niet slechts den angel er aan ontnomen heeft en haar draaglijk heeft gemaakt, maar er ook kracht in gelegd heeft, en haar nuttig heeft gemaakt (want "door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd,") ja er lieflijkheid in gelegd en ook vertroosting. Paulus was droevig, doch altijd blijde. Indien wij geheel bedroefd zijn, dan is het slechts tot den dood toe, dat zal het einde wezen van al onze smarten. Indien Christus de onze is, dan zullen als de ogen gesloten zijn, alle tranen er van afgewist wezen. V. Hij gebood Zijnen discipelen bij Hem te blijven, niet omdat Hij hun hulp behoefde, maar omdat Hij wilde dat zij Hem zouden aanschouwen en onderwijzing aannemen. Blijft hier en waakt, zei Hij. Tot de andere discipelen had Hij niets anders gezegd dan: Zit hier neer, vers 32, maar tot deze drie zegt Hij: Blijft hier en waakt, alsof Hij van hen meer verwachtte dan van de overigen.
VI. Hij wendde zich tot God in het gebed, vers 35, "Hij viel op de aarde en bad." Het was slechts kort tevoren, dat Hij in het gebed Zijne ogen ophief, Johannes 17:1, maar hier, in doodsbenauwdheid zijnde, viel Hij op zijn aangezicht, zich schikkende naar zijn tegenwoordige vernedering, en ons lerende ons voor onzen God te vernederen, het betaamt ons laag te zijn, als wij in de tegenwoordigheid van den Allerhoogste komen.
1. Als mens bad Hij om afwending van Zijn lijden, dat "zo het mogelijk ware, die ure van Hem voorbijging," vers 35. Laat, indien het mogelijk is, des mensen verlossing geschieden, zonder dat Ik in deze ure van korte, maar zeer scherpe beproeving kom. Wij hebben Zijn eigen woorden, vers 36, Abba Vader. Het Syrisch woord, door Christus gebruikt, is hier behouden, het betekent Vader, om aan te duiden welk een nadruk onze Heere Jezus er op gelegd heeft in Zijne smarten, en Hij wil dat wij er evenzo den nadruk op zullen leggen. Het is met het oog hierop, dat Paulus dit woord behoudt, en het in den mond legt van allen, die den geest der aanneming hebben, hen wordt geleerd te roepen: Abba Vader, Romeinen 8:15, Galaten 4:6. Vader! alle dingen zijn U mogelijk. Zelfs hetgeen wij niet kunnen verwachten, dat voor ons gedaan zal worden, moeten wij mogelijk achten bij God, en als wij ons onderwerpen aan Zijn wil en ons verlaten op Zijne wijsheid en genade, dan moet het wezen met een gelovig erkennen van Zijne macht, en dat alle dingen Hem mogelijk zijn
2. Als middelaar heeft Hij berust in den wil Gods hieromtrent, "Doch niet wat Ik wil' maar wat Gij wilt. Ik weet dat de zaak beslist is, en niet meer veranderd kan worden. Ik moet lijden en sterven, en Ik heet het welkom.
VII. Hij wekte Zijne discipelen, die in slaap waren gevallen, terwijl Hij bad, vers 37, 38. Hij komt om naar hen te zien, daar zij niet gekomen waren om naar Hem te zien, en Hij vindt hen slapende, zo weinig waren zij bewogen door Zijne smarten, Zijne klachten en gebeden. Deze zorgeloosheid was reeds een voorteken van de zonde, waaraan zij zich daarna schuldig zullen maken door Hem te verlaten, en het werd nog verzwaard doordat Hij hen zo kort tevoren had geprezen omdat zij "bij Hem gebleven zijn in Zijne verzoekingen," hoewel zij niet zonder fouten of gebreken waren. Was Hij zo bereid om het goede in hen te zien, en waren zij zo onverschillig voor Hem? Was er hun zo weinig aan gelegen zich Hem behaaglijk te maken ? Zij hadden kort tevoren beloofd niet aan Hem geërgerd te zullen worden, hoe! en dan zo weinig acht op Hem te slaan! zich zo weinig om Hem te bekommeren! Inzonderheid aan Petrus verwijt hij deze slaperigheid, "Simon! slaapt gij? Kai suteknon, - Hoe gij, Mijn zoon? Gij, die zo vast en bepaald beloofd hebt Mij niet te zullen verloochenen, veronachtzaamt gij Mij aldus? Van u had Ik betere dingen verwacht. Kunt gij niet een uur waken?" Hij eiste niet van hem om den gehelen nacht met Hem te waken, slechts een uur. Onze flauwhartigheid en ons weinig volharden in den dienst van Christus worden nog verzwaard door het feit, dat Hij niet te veel van ons vergt, ons niet vermoeit, Jesaja 43, 23.. Hij legt ons geen anderen last op dan te houden wat wij hebben, totdat Hij komt, Openbaring 2:24, 25, en zie, Hij komt haastelijk' Openbaring 3:11. Gelijk Christus die Hij liefheeft kastijdt, als zij zich kwalijk gedragen, zo raadt en vertroost Hij ook, die Hij kastijdt. 1. Het was een zeer wijs en getrouw woord van raadgeving, dat Christus hier tot Zijne discipelen sprak: Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt, vers 38. Het was al erg om te slapen, terwijl Christus in benauwdheid verkeerde, maar zij kwamen nog verder in verzoeking, en indien zij zich niet opmaakten om genade en kracht van God te verkrijgen door het gebed, dan zullen zij nog erger doen, en dat hebben zij ook gedaan, toen zij Hem allen verlieten en vluchtten.
2. Het was een zeer vriendelijke en tedere verontschuldiging van hen, dat Christus er bijvoegde: "de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak." "Ik weet dat de geest gewillig is, gans bereid, ijverig, gij zoudt gaarne wakker blijven, maar gij kunt niet." Dat kan als een rede beschouwd worden voor de vermaning: Waakt en bidt, want, hoewel de geest gewillig is, Ik erken het (gij hebt in oprechtheid u voorgenomen nooit aan Mij geërgerd te zullen worden) maar het vlees is zwak, en zo gij niet waakt en bidt en de middelen gebruikt om te kunnen volharden, dan zult gij desniettemin overwonnen worden. De overweging van de zwakheid van ons vlees moet ons aansporen tot gebed en tot waakzaamheid als wij in verzoeking komen.
VIII. Hij herhaalde Zijne bede aan Zijn Vader, vers 39. "Wederom heengegaan zijnde, bad Hij, zeggende ton auton logon - hetzelfde woord, of dezelfde zaak, Hij sprak tot hetzelfde doel, en wederom, ten derden male. Dit leert ons, dat men altijd bidden moet, en niet vertragen, Lukas 18:1. Hoewel de verhoring van ons gebed niet spoedig komt, moeten wij onze beden toch herhalen, volharden in den gebede, want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen en niet liegen, Habakuk 2:3. Toen Paulus door een engel des Satans met vuisten geslagen werd, heeft hij den Heere driemaal gebeden, zoals Christus hier, eer hij een antwoord des vredes ontving, 2 Corinthiërs 12:7, 8. Toen Christus een weinig tevoren in de ontroering Zijner ziel bad: Vader, verheerlijk Uwen naam, ontving Hij onmiddellijk antwoord door ene stem van den hemel: Ik heb hem verheerlijkt, en Ik zal hem wederom verheerlijken, maar nu moet Hij ten tweeden male en ten derden male komen, want de bezoekingen van Gods genade, in antwoord op het gebed, komen vroeg of laat, naar het welbehagen van Zijn wil, opdat wij ons afhankelijk blijven gevoelen.
IX. Hij herhaalde Zijn bezoek aan de discipelen. Zo gaf Hij een bewijs van Zijn voortdurende zorg over Zijne kerk op aarde, zelfs wanneer zij half in slaap is, en niet behoorlijk voor zichzelve bezorgd is, terwijl Hij altijd leeft om Zijn Vader in den hemel voor ons te bidden. Zie, hoe Hij, gelijk het een Middelaar betaamt, voortdurend tussenbeide heen en weer gaat. Hij kwam ten tweeden male tot Zijne discipelen, en vond hen wederom slapende, vers 40. Zie, hoe de zwakheid Christus' discipelen telkens weer overvalt, in weerwil van hun voornemens en besluiten, en hen overmeestert, in weerwil van hun tegenstaan, en welk ene belemmering ons lichaam is voor onze ziel, hetgeen ons moet doen verlangen naar dien zaligen toestand, wanneer wij van dien last ontdaan zullen zijn. Deze tweede keer sprak Hij tot hen als tevoren maar zij wisten niet wat zij Hem antwoorden zouden, Zij schaamden zich over hun slaperigheid, en hadden er geen verontschuldiging voor. Of zij waren er zo door overweldigd, dat zij als mensen, die zich in een toestand tussen slapen en waken bevinden, niet wisten waar zij waren of wat zij zeiden. Maar de derde maal zei Hij hun nu voort te slapen, indien zij wilden, vers 41. Slaapt nu voort en rust. Ik heb uw waken nu niet meer nodig, gij kunt slapen, zo gij wilt. "Het is genoeg " Dat woord hadden wij niet in Mattheus. "Gij zijt genoeg gewaarschuwd om wakker te blijven, en hebt de waarschuwing niet willen aannemen, en nu zult gij zien hoe weinig reden gij hebt om zo gerust te zijn," Apekei, "Ik onthef u van verderen dienst", aldus verstaan sommigen het. "Nu is de ure gekomen, waarin ik wist dat gij Mij allen zult verlaten, zo doet dan nu wat gij wilt", gelijk Hij tot Judas zei: Wat gij doet, doe dit haastelijk. "De Zoon des mensen wordt overgeleverd in de handen der zondaren, der overpriesters en ouderlingen, die ergsten der zondaren, omdat zij voorwenden heilig te zijn. Staat op, sluimert niet langer, laat ons den vijand tegemoet gaan, want ziet, die Mij verraadt is nabij, en Ik moet er nu niet aan denken te ontkomen." Als wij zien dat ramp en benauwdheid nabij zijn, dan moeten wij ons opwekken om er voor bereid te zijn.