Markus 13:14-23
In hun rebelleren tegen de Romeinen en hun vervolgen van de Christenen hebben de Joden hun eigen ondergang verhaast, met kracht en naar verdienste hebben zij God en de mensen tegen zich gewapend, 1 Thessalonicenzen 2:15. Nu hebben wij hier ene voorzegging van dat verderf, dat binnen minder dan veertig jaren over hen gekomen is. Wij hadden dit reeds in Mattheus 24:15 enz. Merk op.
I. Wat desbetreffende hier voorzegd is.
1. Dat de Romeinse heirlegers een inval zullen doen in Judea, en Jeruzalem, de heilige stad, zullen belegeren. Dat was de gruwel der verwoesting, waarvan de Joden gegruwd hebben, en waardoor zij verwoest zijn geworden. Het land van uwen vijand wordt genoemd het land, waarover gij verdrietig zijt, Jesaja 7:16. Het was een gruwel, omdat het niets dan verwoesting met zich bracht. Zij hadden Christus verworpen als een verfoeisel, die hun heil en hun verlossing zou geweest zijn, en nu bracht God een gruwel over hen, die hun verwoesting wezen zal, waarvan aldus gesproken is door Daniël den profeet, Hoofdstuk 9:27, als hetgeen, waardoor het slachtoffer en het spijsoffer ophouden. Dit leger stond waar het niet behoorde, in en rondom de heilige stad, waar de heidenen niet hadden behoren te naderen, en het zou hun ook niet toegelaten zijn tot daar te naderen, indien Jeruzalem niet eerst de kroon hunner heiligheid had ontwijd. Hierover klaagt de kerk, Klaagliederen 1:10. De heidenen gingen in haar heiligdom, waarvan Gij geboden had, dat zij in Uwe gemeenten niet komen zouden. Maar de zonde heeft de bres gemaakt, door welke de heerlijkheid uitging en de gruwel der verwoesting inkwam, en stond waar het niet behoort. Laat nu hij, die dit leest, dit verstaan en trachten het recht te vatten. Profetieën moeten niet al te duidelijk wezen, maar toch wel verstaanbaar voor hen, die ze onderzoeken, en zij worden het best verstaan, door ze eerst met elkaar en daarna met de gebeurtenis te vergelijken.
2. Dat er, als het Romeinse heirleger in het land zou komen, nergens veiligheid of behoudenis zou zijn, behalve door het land te verlaten, en dat wel met allen mogelijken spoed. Het zal niet baten te strijden, de vijanden zullen hun te sterk zijn, of zich te verbergen, want de vijanden zullen hen ontdekken, of te capituleren, de vijanden zullen hun geen kwartier geven. Men zal niet eens zijn leven tot een buit hebben dan door te vluchten naar de bergen buiten Judea, dit behoort dan reeds op het eerste schrikgerucht te worden gedaan om zo goed mogelijk weg te komen. Indien iemand op het dak is, beproevende om van daar de bewegingen des vijands te bespeuren, en hen ziet komen, zo laat hem niet ingaan om iets uit zijn huis weg te nemen, want dit zal slechts tijdverlies voor hem zijn, en tijd is kostbaarder voor hem dan de beste goederen, en het zou hem slechts bezwaren en belemmeren in zijne vlucht. En als hij op den akker is, en vandaar de nadering des vijands ontdekt, hij ga weg, zoals hij is en kere niet weer terug om zijn kleed te nemen, vers 16. Indien hij zijn leven kan redden, laat hem dit als een grote winst beschouwen, al kan hij dan ook niets anders redden, en laat hem God danken, dat hij, hoewel hij zijn aardse bezittingen verloren heeft, toch niet uit het land der levenden is weggenomen.
3. Dat het dan een zeer zware tijd zal zijn voor moeders en zogende vrouwen, vers 17.
Wee de bevruchte vrouwen, die zich naar geen vreemde plaats durven begeven, zich niet met zoveel spoed kunnen bewegen als anderen en hulpeloos zijn. En wee de zogende vrouwen, die niet weten hoe zij hare kinderkens zouden kunnen achterlaten en evenmin hoe ze mede te nemen. De onbeduidendheid, het ongenoegzame van het schepsel is zo groot, dat er dikwijls een tijd kan wezen, wanneer de grootste gerieflijkheden de grootste lasten en bezwaren worden. Het zou ook zeer bezwaarlijk voor hen zijn, als zij genoodzaakt waren te vluchten in den winter, vers 18, als het weer ongunstig is en de wegen slecht en schier onbegaanbaar zijn, inzonderheid in de bergen, waarheen zij vlieden moesten. Indien er niets tegen te doen is en zware tijden moeten komen, dan is het ons toch geoorloofd te wensen, en er om te bidden, dat, indien het met Gods wil overeenkomt, de omstandigheden zo geregeld en geschikt zijn, dat het lijden er door verzacht wordt, en als de zaken slecht zijn, dan behoren wij te bedenken, dat zij nog erger hadden kunnen wezen. Het is erg tot vluchten genoodzaakt te zijn, maar nog erger zou het wezen als het in den winter ware geweest.
4. Dat er in geheel het Joodse land zulk ene vernieling en verwoesting zal plaatshebben, als waarvan de weerga in gene geschiedenis gevonden wordt, vers 19. Die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke niet geweest is van het begin der schepselen, die God geschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal, namelijk zulk een samenstel van lijden en van zo langen duur. De verwoesting van Jeruzalem door de Chaldeeën was ontzettend, maar zij wordt door deze verwoesting nog overtroffen. Het dreigde een algemene slachting te worden van het Joodse volk, zo barbaars hebben zij elkaar omgebracht, en de Romeinen verslonden hen allen, zodat, indien hun oorlogen nog een weinig langer hadden geduurd, geen vlees zou behouden zijn geworden. Geen enkele Jood zou in het leven gebleven zijn, maar temidden van Zijn toorn is God gedachtig geweest. Zijner ontferming, en
a. heeft Hij de dagen verkort. Hij liet af van Zijn twist met hen, eer er een algeheel einde met hen gemaakt was. Als kerk en natie was het verderf, dat over hen kwam, volkomen, maar aan vele particuliere personen werd het leven gegeven als een buit, toen de storm voorbij was.
b. Het geschiedde om der uitverkorenen wil, dat die dagen verkort werden, velen van hen zijn er, om den wille der weinigen, die in Christus geloofden en Hem getrouw bleven, te beter om gevaren. Er was ene belofte, dat een overblijfsel behouden zou worden, Jesaja 10:22, en dat God om den wille Zijner knechten hen niet allen zal verderven, Jesaja 65:8, en deze beloften moeten vervuld worden. Gods eigen uitverkorenen roepen dag en nacht tot Hem, en hun gebed moet verhoord worden, Lukas 18:7.
II. Welke aanwijzingen aan de discipelen gegeven worden ten opzichte hiervan.
1. Zij moeten zorg dragen voor hun eigen leven. "Als gij het land ingenomen en de stad belegerd zult zien, dan moet gij u niet vleien met de hoop, dat de vijand zich terug zal trekken, of dat gij gunst in zijne ogen zult vinden, maar zonder verder beraad of uitstel moeten zij, die in Judea zijn, vlieden op de bergen, vers 14. Mengt u niet in den strijd, die u niet aangaat, laat de potscherf twisten met aarden potscherven, maar gij, verlaat het schip, als gij ziet dat het zinkt, zodat gij den dood der onbesnedenen van hart niet sterft.".
2. Zij moeten zorgen voor de behoudenis hunner ziel. "In dien tijd zullen verleiders aan het werk zijn, want zij beminnen het in troebel water te vissen, daarom moet gij alsdan dubbel op uwe hoede zijn. Alsdan, zo iemand tot ulieden zal zeggen: Ziet, hier is de Christus, of ziet, Hij is daar, gelooft het niet, want gij weet, dat Hij in den hemel is, en aan het einde der tijden wederkomen zal om de wereld te oordelen. Christus aangenomen hebbende, zo laat u niet heentrekken in de strikken van enigerlei antichrist, want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan", vers 22. Toen het Evangeliekoninkrijk werd opgericht, heeft Satan al zijne krachten verzameld om het tegen te staan, en heeft daarbij al zijne listen en lagen in het werk gesteld. God heeft dit toegelaten om de oprechtheid van sommigen op de proef te stellen en de geveinsdheid van anderen bloot te leggen, alsmede tot beschaming van hen, die Christus hebben verworpen, toen Hij hun aangeboden werd. Valse christussen zullen opstaan en valse profeten, die hen in hun prediking zullen aanprijzen, of wel de zodanige, die, hoewel zij niet voorgeven christussen te zijn, zich toch voor profeten zullen uitgeven, beproeven zullen de toekomst te voorspellen, en zij zullen tekenen en (leugen) wonderen doen. Zo vroeg reeds is de verborgenheid der ongerechtigheid begonnen te werken, 2 Thessalonicenzen 2:9. Zij zouden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen verleiden. Zo schoonschijnend zullen hun woorden wezen, en met zoveel ijver zullen zij er zich op toeleggen om de lieden te bedriegen, dat zij velen zullen aftrekken, die ijverige belijders van den godsdienst zijn geweest, velen van wie men goede hoop scheen te kunnen koesteren, dat zij zouden volharden, want niets zal de kracht hebben om de mensen standvastig te maken, behalve dat fondament Gods, dat onbeweeglijk is: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn, welke bewaard zullen blijven, als het geloof van anderen aan het wankelen is gebracht, 2 Timotheus 2:18, 19. Zij zouden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen verleiden, maar het is niet mogelijk hen te verleiden, wie er ook verhard worden, de uitverkorenen zullen het verkrijgen, Romeinen 11:7. Maar laat de discipelen, uit aanmerking hiervan, wèl toezien, aan wie zij geloof schenken, vers 23. Maar gijlieden, ziet toe. Ene verzekering van te zullen volharden en ene waarschuwing tegen afval kunnen zeer goed samengaan. Hoewel Christus tot hen zei: Ziet toe, volgt daar toch niet uit, dat hun volharding in twijfel getrokken moest worden, want zij werden bewaard door de kracht Gods, en hoewel hun volharding verzekerd was, volgt hier toch niet uit, dat de waarschuwing nodeloos was, want zij moeten bewaard worden door het gebruik van de bestemde middelen. God zal hen bewaren, maar zij moeten zich zelven bewaren. "Ik heb u alles voorzegd, Ik heb u die gevaren voorzegd, opdat gij, door gewaarschuwd te zijn, gewapend kunt wezen, Ik heb u alles voorzegd, wat u nodig was vooruit te weten, en daarom hoedt u van te luisteren naar hen, die voorgeven profeten te zijn en u meer voorzeggen dan Ik u voorzegd heb". De genoegzaamheid der Schrift is een kostelijk argument tegen het luisteren naar hen, die voorgeven geïnspireerd te zijn.