Markus 12:18-27
De Sadduceeën, die de deïsten waren van dien tijd, hebben onzen Heere Jezus hier aangevallen, naar het schijnt, niet gelijk de schriftgeleerden en Farizeeën en overpriesters, met een boosaardige bedoeling tegen Zijn persoon: zij waren geen dwepers en vervolgers, maar twijfelaars en ongelovigen, en hun bedoeling was gericht tegen Zijne leer, ten einde de verspreiding daarvan te verhinderen. Zij ontkenden de opstanding, zij loochenden dat er ene wereld van geesten is en enigerlei toestand van straf of beloning hiernamaals. Nu heeft Christus er zich juist aan toegewijd, er Zijn werk van gemaakt, om die grote, fundamentele waarheden, die zij loochenden, vast te stellen en te bewijzen, en de kennis er van heeft Hij veel verder gebracht dan zij ooit tevoren geweest is, en daarom hebben zij er zich nu op toegelegd om Hem hieromtrent in verwarring te brengen.
I. Zie hier hoe zij dit aanlegden. Zij verwijzen naar de aloude wet, volgens welke wanneer een man zonder kinderen na te laten stierf, zijn broeder verplicht was om zijne weduwe te huwen, vers 19. Zij stellen een geval, waarin naar die wet zeven broeders achtereenvolgens de echtgenoten werden van ene vrouw, vers 20. Waarschijnlijk hebben deze Sadduceeën naar hun gewone heiligschennende wijze, deze wet hierdoor in een bespottelijk daglicht willen stellen, om aldus over het gehele stelsel der Mozaïsche inzettingen smaad en verachting uit te storten, als zijnde ongerijmd en lastig in de beoefening. Zij, die Goddelijke waarheden ontkennen, leggen er zich gewoonlijk op toe om Goddelijke wetten en instellingen verachtelijk te maken. Doch dit was slechts in `t voorbijgaan, hun hoofddoel was de leer der opstanding aan te vallen, want zij veronderstellen dat, zo er een toekomende staat is,.hij aan den tegenwoordigen gelijk moet wezen, en dan moet die leer, naar zij menen, of bezwaard zijn met deze onoverkomelijke ongerijmdheid, dat ene vrouw in dien staat zeven mannen moet hebben, of anders met de onoplosbare moeilijkheid van de vraag wiens vrouw zij moet wezen. Zie met wat listigheid deze ketters de waarheid ondermijnen, zij ontkennen haar niet, zij zeggen niet: Er kan gene opstanding zijn, neen, zij schijnen er zelfs niet aan te twijfelen, en zij zeggen ook niet: Indien er ene opstanding is, wiens vrouw zal zij zijn? Zoals de duivel tot Christus zei: Indien Gij de Zone Gods zijt. Maar, alsof deze dieren des velds arglistiger zijn dan de slang zelf, wenden zij voor de waarheid te erkennen, alsof zij gene Sadduceeën zijn, o neen, zij niet! Wie zegt dat zij de opstanding loochenen? Zij nemen aan dat er ene opstanding is, en willen geacht worden als begerende hieromtrent onderricht te ontvangen, terwijl het in werkelijkheid hun bedoeling is er den doodsteek aan te geven, en zij denken dat hun dit zal gelukken. Het is de gewone kunstgreep van ketters en Sadduceeën om de waarheid te verwarren, die zij de onbeschaamdheid nog niet hebben van te loochenen.
II. Zie hier de methode van Christus om deze waarheid duidelijk te maken en te bevestigen, die zij willen verduisteren en vernietigen. Dit was ene zaak van gewicht, en daarom is Christus niet licht er over heengegaan, maar heeft Hij er uitvoerig over gesproken, opdat, zo zij al niet werden terecht gebracht, anderen toch bevestigd zouden worden.
1. Hij legt den Sadduceeën dwaling ten laste, en wijt dit aan hun onwetendheid. Zij, die met de leer der opstanding spotten, zoals ook sommigen in onzen tijd doen, willen gehouden worden voor de enige wetenschappelijk ontwikkelde lieden, omdat zij de enige vrijdenkers zijn, terwijl zij in werkelijkheid de dwazen in Israël zijn en de meest slaafse en bevooroordeelde denkers der wereld. Dwaalt gij niet? Het kan niet anders of gij moet uzelven daarvan bewust zijn, en dat de oorzaak uwer dwaling is a. Dat gij de Schriften niet weet. Niet alsof de Sadduceeën de Schriften niet hadden gelezen, en er wellícht zelfs zeer bedreven in waren, maar toch kon in waarheid van hen gezegd worden dat zij de Schriften niet weten, omdat zij er den zin en de betekenis niet van wisten, maar er een valse uitlegging aan gaven, of wel, zij namen de schriften niet aan als het Woord Gods, maar stelden hun eigen verdorven redeneringen tegenover de Schriften, en wilden niets anders geloven dan hetgeen zij konden zien. Een rechte kennis van de Schrift, als de fontein waaruit thans alle geopenbaarde Godsdienst vloeit, en het fondament waarop de Godsdienst gebouwd is, is het beste voorbehoedmiddel tegen dwaling. Bewaar de waarheid, de waarheid der Schrift, en zij zal u bewaren.
b. Omdat gij de kracht Gods niet weet. Het kon niet anders, of zij wisten dat God almachtig is, maar zij wilden die leer niet toepassen op deze zaak, maar gaven de waarheid prijs aan de tegenwerpingen van de onmogelijkheid er van, welke tegenwerpingen allen beantwoord zouden zijn, indien zij de leer van Gods almacht slechts hadden vastgehouden, waaraan niets onmogelijk is. Het betaamt ons dus en is in ons belang, om hetgeen God eens heeft gesproken, tweemaal te horen, en te geloven, te horen en toe te passen-dat de sterkte-of de macht-Godes is, Psalm 62:12, Romeinen 4:19-21. Dezelfde macht, die lichaam en ziel gemaakt heeft, en ze, zolang zij saamverbonden waren, heeft bewaard, kan ook het lichaam veilig bewaren, en de ziel werkzaam houden, als zij van elkaar gescheiden zijn, en kan ze wederom saam verenigen, want ziet, de arm des Heeren is niet verkort. De macht van God, welke gezien wordt in het wederkeren der lente, Psalm 104:30, in de vernieuwing van het tarwegraan, Johannes 12:24, in de herstelling en wederoprichting van een verlaagd en vernederd volk, Ezechiël 37:12-14, in de wonderdadige opwekking ten leven van zo velen, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, en inzonderheid in de opstanding van Christus, Efeze 1:19, 20, die allen zijn het onderpand van onze opstanding door dezelfde kracht, Filippenzen 3:21, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen zich zelven kan onderwerpen.
2. Hij vernietigt al de kracht hunner tegenwerping door de leer van den toekomstigen staat in het ware licht te stellen, vers 25. Als zij uit de doden zullen opgestaan zijn, zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven. Het is dwaasheid te vragen: Wiens vrouw zal zij van de zeven zijn? Want de betrekking tussen man en vrouw, hoewel ingesteld in het paradijs, zal in het hemelse paradijs niet bekend wezen. Turken en ongelovigen verwachten zinnelijke genietingen in hun paradijs der dwazen, maar Christenen kennen iets beters, zij weten dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, 1 Corinthiërs 15:50, en zij verwachten iets beters-namelijk verzadigd te worden met Gods liefde en Gods beeld, Psalm 17:15. Zij zijn gelijk engelen, die in den hemel zijn, en wij weten, dat dezen vrouw noch kinderen hebben. Het is geen wonder dat wij in eindeloze ongerijmdheden verward geraken, als wij onze denkbeelden omtrent de wereld der geesten afmeten naar de dingen van deze wereld der zinnen.
III. Hij grondt de leer van den toekomenden staat en de zaligheid der rechtvaardigen in dien staat op het verbond van God met Abraham, hetwelk God behaagde te erkennen ook na den dood van dien aartsvader, vers 26, 27. Hij beroept zich op de Schrift: Hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes? Het is enigermate in ons voordeel als zij met wie wij te doen hebben, de Schriften hebben gelezen, hoewel velen, die ze gelezen hebben, ze verwringen en verdraaien, zoals ook deze Sadduceeën gedaan hebben tot hun eigen verderf. Waar Hij hen naar verwijst is hetgeen God tot Mozes gezegd heeft in het doornenbos: Ik ben de God Abrahams, niet slechts: Ik was dit, maar: Ik ben dit, Ik ben het deel en de gelukzaligheid van Abraham, Ik ben hem een algenoegzaam God. Het is ongerijmd te denken, dat Gods betrekking tot Abraham zou voortduren en aldus plechtig erkend zou worden, indien Abraham vernietigd is, en dat de levende God het deel en de gelukzaligheid zou zijn van een mens, die dood is en voor eeuwig dood zal blijven, en daarom moet gij tot de gevolgtrekking komen:
1. Dat Abrahams ziel bestaat en handelt in een toestand van afscheiding van het lichaam.
2. Dat bijgevolg ook het lichaam eenmaal verrijzen moet, want er is zulk een aangeboren neiging in een menselijke ziel tot het lichaam, dat een algehele en eeuwigdurende scheiding onbestaanbaar is met de kalmte en rust, en veel meer nog met de gelukzaligheid en blijdschap van die zielen, die den Heere tot hun God hebben. Voor geheel de zaak besluit Hij met de woorden: Gij dwaalt dan zeer. Zij, die de opstanding loochenen, dwalen zeer, en dit behoort hun te worden gezegd.