Lukas 9:1-9
En hij zocht Hem te zien.
Wij hebben hier:
I. De methode, door Christus gevolgd voor de verbreiding van Zijn Evangelie en om het licht er van overal te doen doordringen. Hij zelf had rondreizen gedaan, predikende en genezende, maar Hij kon slechts aan een plaats tegelijk wezen, en daarom zond Hij nu Zijn twaalf discipelen uit, die thans genoegzaam onderwezen waren in den aard der tegenwoordige bedeling, en instaat om anderen te onderwijzen en hun over te leveren wat zij van den Heere hadden ontvangen. Laat hen zich verspreiden, sommigen naar deze zijde, anderen naar een andere zijde, om het koninkrijk Gods te prediken, daar het nu door hun Meester stond opgericht te worden, om het volk bekend te maken met den geestelijken aard en strekking er van en hen te bewegen om in de voordelen en voorrechten er van te delen. Ter bevestiging van hun leer, die nieuw en verbazingwekkend was, gans verschillend van die der schriftgeleerden en Farizeeën, en wijl er zoveel van afhing of de mensen haar al of niet ontvingen, gaf Hij hun macht om wonderen te doen, vers 1, 2. Hij gaf hun macht over al de duivelen, om hen uit te werpen van de mensen, die door hen bezeten werden, al waren ze ook nog zo talrijk, zo listig, zo woest en zo hardnekkig. Christus bedoelde een algehele omverwerping, de volslagen ondergang van het rijk der duisternis, en daarom gaf Hij hun macht over alle duivelen. Tevens machtigde Hij hen om kranken te genezen, waardoor zij overal waar zij kwamen, welkom zouden geheten worden, en niet slechts der mensen verstand zouden overtuigen, maar ook hun genegenheid zouden winnen. Dit was hun opdracht. Nu hebben wij te letten op:
1. Hetgeen Christus hun aanwees te doen ter volvoering hunner opdracht te dier tijd, toen zij niet ver moesten weggaan, en niet lang moesten uitblijven.
a. Zij moeten er niet op uit zijn om zich door hun uitwendig voorkomen in de schatting der mensen aan te bevelen. Nu zij beginnen zelfstandig op te treden, moeten zij er noch in hun kledij, noch in iets anders anders willen uitzien, dan toen zij Hem volg- den, zij moeten heengaan, zoals zij waren, hun kledij niet veranderen, ja niet eens nieuwe schoenen aandoen.
b. Zij moeten afhankelijk zijn van Gods voorzienigheid en de vriendelijkheid hunner vrienden, om hen te voorzien van hetgeen zij nodig hadden. Zij moeten brood noch geld medenemen, en toch geloven dat zij geen gebrek zullen lijden. Christus wil niet dat Zijne discipelen huiverig zijn om de vriendelijkheid hunner vrienden aan te nemen, veeleer moeten zij haar verwachten. Paulus heeft echter oorzaak gezien om zich niet aan dien regel te houden, toen hij liever arbeidde met zijne handen dan anderen tot last te zijn.
c. Zij moeten niet van logies veranderen, alsof zij vreesden dat zij, die hun gastvrijheid verleenden, hun moede waren. Zij hebben daar geen reden toe, want de ark is een gast, die altijd goed betaalt voor het onthaal, dat zij ontvangt. In wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, vers 4, opdat de mensen weten waar u te vinden, opdat uwe vrienden weten, dat gij niet traag zijt om hen te dienen, en uwe vijanden mogen weten, dat gij noch beschaamd, noch bevreesd zijt hen te ontmoeten, blijft aldaar, totdat gij uit die stad vertrekt, blijft bij hen, bij wie gij gewoon zijt te verblijven. d. Zij moeten gezaghebbend optreden, waarschuwingen doen horen aan hen, die hen afwezen, en van vertroosting spreken tot hen, die hen hebben ontvangen, vers 5. Indien er een plaats is, die u niet wil ontvangen, indien de overheid u toelating weigert, en u dreigt als landlopers te behandelen, dan moet gij u hun niet opdringen, noch u onder hen in gevaar begeven, maar hen overgeven aan het oordeel Gods, schudt ook het stof af van uwe voeten tot een getuigenis tegen hen." Het zal, als het ware, als getuigenis tegen hen aangevoerd worden, dat de evangelieboden onder hen zijn gekomen, om hun genade en vrede aan te bieden, want dit stof hebben zij daar achtergelaten, zodat, indien zij omkomen in hun ongeloof, hierdoor hun bloed op hun hoofd zal komen. Schudt het stof af van uwe voeten, dat wil zoveel zeggen als dat gij hun stad verlaat en niets meer met hen van doen wilt hebben.
2. Wat zij deden ter volvoering van deze opdracht, vers 6. Zij gingen uit van de tegenwoordigheid huns Meesters, terwijl zij toch Zijn geestelijke tegenwoordigheid bleven genieten, Zijn oog en Zijn arm gingen met hen, zij doorgingen al de vlekken, al de steden of vlekken, die op hun weg lagen, verkondigende het Evangelie en genezende de zieken overal. Hun werk was hetzelfde als dat huns Meesters, goed doen beide aan ziel en lichaam.
II. Wij hebben hier de twijfelmoedigheid en den toorn van Herodes over deze dingen. De mededeling van Christus' macht aan hen, die in Zijn naam waren uitgezonden en handelden op Zijn gezag, was meer dan iets anders een verbazingwekkend en overtuigend bewijs, dat Hij de Messias was, dat Hij niet slechts zelf wonderen kon doen, maar aan anderen de macht kon geven om ook wonderen te doen. Dit heeft meer dan iets anders Zijn roem verbreid, en maakte de stralen van deze Zon der gerechtigheid des te krachtiger door de terug straling van de aarde, van zulke geringe, ongeletterde mannen als de apostelen waren, die niet anders hadden om zich aan te bevelen. of om enigerlei verwachting van zich op te wekken, dan dat zij met Jezus geweest waren, Handelingen 4:13. Als het land ziet dat de zodanige de kranken genezen in den naam van Jezus, dan wordt hierdoor ontsteltenis opgewekt. Let nu op:
1. De verschillende gissingen en redeneringen, welke hierdoor werden opgewekt bij de mensen, die, hoewel zij niet op de rechte wijze over Jezus dachten, toch niet anders konden, dan met eerbied over Hem denken, en geloven dat Hij een buitengewoon persoon was, iemand die van een andere wereld was gekomen, dat of Johannes de Doper, die onlangs om de zaak Gods vervolgd en gedood was, of een der oude profeten, die voorlang om dezelfde zaak vervolgd en gedood waren, uit de doden was opgestaan, om beloond te worden voor zijn lijden door de eer, die hem nu werd aangedaan, of dat Elia, die in een vurigen wagen levend in den hemel was opgenomen, als een bode van den hemel was verschenen, vers 7, 8.
2. De grote verlegenheid, die dit in den geest van Herodes teweegbracht. Toen hij hoorde al de dingen, die van Christus geschiedden, ontwaakte zijn schuldig geweten, en hij kwam met hen tot de gedachte, dat Johannes van de doden was opgestaan. Hij had gedacht zich voor goed van Johannes ontslagen te hebben, en nooit meer door hem lastig gevallen te worden, maar het schijnt dat hij zich vergist heeft, of Johannes is weer levend geworden, of hier is een ander in zijn geest en kracht, want God zal zich niet zonder getuigen laten. "Wat zal ik nu doen?" zegt Herodes, "Johannes heb ik onthoofd, wie is nu deze? Zet hij het werk van Johannes voort, of is hij gekomen om Johannes' dood te wreken? Johannes doopte, maar deze doopt niet, Johannes heeft geen wonder gedaan, maar hij doet wonderen, en daarom schijnt hij nog meer te duchten dan Johannes." Zij, die God tegenstaan, zullen zich hoe langer zo meer in verlegenheid bevinden. Evenwel, hij zocht Hem te zien, om te weten of Hij al of niet op Johannes geleek, maar hij zou wel spoedig uit den droom geholpen zijn, indien hij navraag had gedaan naar hetgeen duizenden wisten, namelijk dat Jezus gepredikt en wonderen gedaan heeft, lang voordat Johannes onthoofd was, en dat Hij dus Johannes niet kon zijn, die van de doden was opgestaan. Hij zocht Hem te zien, waarom ging hij dan niet tot Hem? Waarschijnlijk, omdat hij het beneden zich achtte om hetzij tot Hem te gaan, of Hem te ontbieden. Hij had genoeg van Johannes de Doper, en wilde liever niets meer van doen hebben met zulke bestraffers van zonde. Hij begeerde Hem te zien, maar wij bevinden niet, dat hij Hem ooit gezien heeft, voordat hij Hem voor zijn rechterstoel zag, en toen heeft hij met zijne krijgslieden Hem veracht en bespot, Lukas 23:11. Had hij nu gevolg gegeven aan zijne gedachte, en was hij heengegaan om Hem te zien, wie weet, of er niet een gelukkige verandering in hem zou zijn gewrocht! Maar het nu uitstellende en van zich af schuivende, werd zijn hart verhard, en toen hij Hem zag, was hij even bevooroordeeld tegen Hem als ieder ander.