Lukas 7:1-10
Er is enig verschil ten opzichte van de geschiedenis van den dienstknecht van den overste over honderd, zoals zij hier wordt meegedeeld, en zoals wij haar in Mattheus 8:5 en verder. gehad hebbèn. Daar werd gezegd dat de hoofdman tot Christus kwam, en hier wordt gezegd, dat Hij eerst enige ouderlingen der Joden tot Hem zond, vers 3, en daarna enige andere vrienden, vers 6. Maar de regel is, dat wij geacht worden te doen hetgeen wij doen door een ander -quod facimus per alium, id ipsum facere judicamur. Van den overste kon men zeggen, dat hij deed wat hij deed door zijne gevolmachtigden, zoals men van een eigendom bezit neemt door zijn procureur. Maar waarschijnlijk is de hoofdman eindelijk toch zelf gekomen, toen Christus tot hem zei: U geschiede gelijk gij geloofd hebt, Mattheus 8:13. Er wordt hier gezegd dat onze Heere Jezus dit wonder gewrocht heeft nadat Hij al Zijne woorden voleindigd had, ten aanhore des volks. vers 1. Wat Christus zei, zei Hij in het openbaar, wie wilde kon komen om Hem te horen: In het verborgen heb Ik niets gesproken, Johannes 18:20. Om nu een onloochenbaar bewijs te geven van het gezag van Zijn gepredikt woord, geeft Hij hier een onbetwistbaar bewijs van de kracht en macht van Zijn genezend woord. Hij, die zulk ene heerschappij had over het rijk der natuur, dat Hij krankheden kon gebieden, heeft ongetwijfeld zulk een vrijmacht in het rijk der genade om plichten te kunnen opleggen, die ingaan tegen vlees en bloed, en tot de waarneming er van te verplichten, onder bedreiging van de zwaarste straf bij het niet nakomen er van. Dit wonder werd gedaan te Kapernaum, waar de meesten van Christus' grote wonderwerken hebben plaatsgehad, Mattheus 11:23.
I. De zieke dienstknecht van den hoofdman was zijn meester zeer waard, vers 2. Het was tot lof van den dienstknecht, dat hij door zijn naarstigheid en trouw, en een blijkbare belangstelling in en zorg voor zijn meester en zijne belangen, zich de achting en genegenheid zijns meesters verworven heeft. Dienstknechten behoren er zich op toe te leggen zich hun meesters waard te doen zijn. Het was ook evenzeer tot lof van den meester, dat hij, een goeden dienstknecht hebbende, hem wist te waarderen. Vele meesters, die trots en gebiedend zijn, achten dat het voor de beste dienstknechten al gunst genoeg is, zo zij hen niet beknorren, of niet wreed voor hen zijn, terwijl zij toch vriendelijk voor hen behoren te wezen, teder en zorgdragend voor hun welzijn.
II. Die meester, van Jezus gehoord hebbende, was bereid zich tot Hem te wenden, vers 3. Meesters behoren zeer bijzonder zorg te dragen voor hun dienstknechten als zij ziek zijn, en hen niet te veronachtzamen. De hoofdman bad, dat Christus wilde komen en zijn dienstknecht gezond maken. Thans kunnen wij ons door trouw en vurig gebed tot Christus in den hemel wenden, en behoren dit te doen, als er ziekte is in ons gezin, want nog is Christus de grote geneesmeester.
III. Hij zond sommigen van de ouderlingen der Joden tot Christus, om Hem de zaak bloot te leggen en voor hem te pleiten, denkende dat dit een groter blijk van achting voor Christus was dan wanneer hij zelf kwam, omdat hij een onbesneden heiden was, met wie, naar hij meende, Christus, een profeet zijnde, niet zou willen spreken. Om die reden zond hij Joden, die hij als de gunstgenoten des hemels erkende, en ook geen gewone Joden, maar ouderlingen der Joden, personen van gezag, opdat de waardigheid der boodschappers een eerbewijzing zou zijn voor Hem, tot wie zij gezonden werden. Balak zond vorsten tot Bileam. IV. De ouderlingen der Joden waren hartelijke pleitbezorgers voor den hoofdman: zij baden Hem ernstelijk, vers 4, zij drongen zeer bij Hem aan op de zaak, pleitten voor den hoofdman op hetgeen hij nooit voor zich zelven zou gepleit hebben, namelijk dat hij waardig was, dat Christus dat voor hem zou doen. Indien enig heiden waardig was dat hem zulk een gunst zou bewezen worden, dan voorzeker was hij het. De hoofdman zei: Ik ben niet waardig zulk een bezoek te ontvangen, Mattheus 8:8, maar de ouderlingen der Joden achtten hem waardig om de genezing te verkrijgen, aldus zal de nederige van geest de eer ondersteunen .
Laat een vreemde u prijzen en niet uw mond. Doch waar zij bijzonder den nadruk op legden was, dat hij, hoewel een heiden zijnde, toch voor het Joodse volk en hun Godsdienst zeer welgezind was, vers 5. Zij dachten dat er evenveel nodig was bij Christus als bij hen om het vooroordeel tegen hem, als een heiden en Romein, en officier van het leger, weg te nemen, en daarom zeggen zij hier:
1. Dat hij het volk der Joden genegen was: Hij heeft ons volk lief, (dat van weinige heidenen gezegd kon worden). Waarschijnlijk had hij het Oude Testament gelezen, waardoor men licht tot een zeer hoge achting voor de Joodse natie kon komen, als zijnde boven alle andere volken door den hemel begunstigd. Zelfs veroveraars, overwinnaars, en die machtig zijn, behoren genegenheid te koesteren voor de overwonnenen, over wie zij macht hebben.
2. Dat hij ook hun Godsdienst welgezind was, hij heeft hun te Kapernaum een nieuwe synagoge gebouwd, daar die, welke zij hadden, of bouwvallig of niet groot genoeg was om het volk te kunnen bevatten, en de inwoners niet bij machte waren om er zelf een te bouwen. Hiermede betuigde hij zijn eerbied voor den God van Israël, zijn geloof, dat Hij de enig levende en ware God is, en zijne begeerte om, evenals Darius, in de gebeden tot Israël's God gedacht te worden, Ezra 6:10. Deze hoofdman heeft op zijn eigen kosten een synagoge gebouwd, en waarschijnlijk zijne soldaten, die daar in garnizoen waren, bij het bouwen behulpzaam laten zijn, ten einde hen voor lediggang te bewaren. Het bouwen van een plaats van bijeenkomst ter Godsverering is een goed werk, een blijk van liefde tot God en Zijn volk, en zij, die dergelijke goede werken doen, zijn dubbele eer waardig.
V. Jezus Christus was zeer bereidvaardig om den hoofdman vriendelijkheid te bewijzen. Terstond ging Hij met hen, vers 6, hoewel hij een heiden was, want is Hij de Zaligmaker der Joden alleen? Is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen. De hoofdman achtte zich niet waardig om tot Christus te komen, vers 7, maar Christus achtte hem waardig om tot hem te gaan, want die zich zelven vernederen, zullen verhoogd worden.
VI. Toen de hoofdman vernam, dat Christus hem de eer deed om in zijn huis te komen, gaf hij nog verder blijk van zijn ootmoed en zijn geloof. Aldus worden de genadegaven der heiligen verlevendigd door Christus' naderen tot hen. Als Hij niet verre van het huis was, en dit aan den hoofdman werd bericht, heeft deze, in plaats van zijn huis tot Zijne ontvangst toe te bereiden, vrienden gezonden om Hem tegemoet te gaan met vernieuwde betuigingen:
1. Van zijn ootmoed:" Heere! neem de moeite niet, want ik ben zulk een eer niet waardig, daar ik een heiden ben." Dit duidt niet slechts aan, hoe gering hij over zich zelven dacht, in weerwil van zijn hoge positie, maar ook hoe hoge gedachten hij koesterde van Christus, in weerwil van Zijn lagen staat in de wereld. Hij wist een profeet Gods te eren, al was hij ook veracht en verworpen door de mensen. 2. Van zijn geloof. Heere, neem de moeite niet, want ik weet dat dit niet nodig is, Gij kunt mijn dienstknecht genezen, zonder onder mijn dak te komen, door die almachtige kracht, waarvan geen gedachte kan afgesneden worden
1. Zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden. Zover was deze hoofdman er vandaan om te willen wat Naäman van den profeet had gewild, dat hij zou uitkomen en staan, en zijne hand over de plaats zou strijken, en hem aldus zou genezen, 2 Koningen 5:11. Hij verklaart dit geloof door ene vergelijking, ontleend aan zijn beroep, en hij vertrouwt dat Christus even gemakkelijk de ziekte kan gebieden weg te gaan, als hij een zijner soldaten bevelen kan geven, even gemakkelijk een engel kan zenden met opdracht om dezen dienstknecht te genezen, als hij een soldaat op een boodschap kan uitzenden, vers 8. Christus heeft soevereine macht over alle schepselen en hun doen, Hij kan, naar het Hem behaagt, den loop der natuur veranderen, kan hare wanorde herstellen en hare verzwakking in het menselijk lichaam doen ophouden, want Hem is alle macht gegeven.
VII. Onze Heere Jezus heeft grotelijks behagen gehad in het geloof van den hoofdman, en was er des te meer over verwonderd wijl hij een heiden was. En daar nu het geloof van den hoofdman Christus heeft geëerd, zie hoe Christus nu zijn geloof eert, vers 9 :Jezus dit horende, verwonderde zich, en zich omkerende, zei tot de schare, die Hem volgde, Ik heb zo groot een geloof zelfs in Israël niet gevonden. Christus wil dat zij, die Hem volgen, de voorbeelden van geloof zullen opmerken, die hun soms worden voorgesteld-inzonderheid als zij gevonden worden onder hen, die Christus niet zo van nabij volgen door hun belijdenis- opdat wij ons door kracht van hun geloof zullen schamen over het zwakke en wankelende van het onze.
VIII. De genezing werd terstond en volkomen tot stand gebracht, vers 10. Die gezonden waren wisten, dat hun boodschap volbracht was, en zijn dus wedergekeerd, en toen vonden zij den kranken dienstknecht gezond, zonder dat er een spoor van zijne ziekte was overgebleven. Christus zal kennis nemen van den droeven toestand van arme dienstknechten, en zal gereed en bereid zijn hen te helpen, want er is bij Hem gene aanneming des persoons. Ook zijn de heidenen niet buitengesloten van het voorrecht Zijner genade, ja, dit was een voorbeeld van dat veel groter geloof, dat onder de heidenen gevonden zou worden, dan onder de Joden, nadat het Evangelie gepredikt zal zijn.