Lukas 6:1-11
Het verhaal van deze twee voorvallen hebben wij zowel in Mattheus als in Markus gehad, Mattheus 12:1, Markus 2:23, 3:1, en hoewel die gebeurtenissen niet op dezelfden dag plaatshadden, zijn zij toch samengevoegd, omdat zij beiden moesten dienen om de misvattingen der schriftgeleerden en Farizeeën betreffende den sabbatdag te herstellen. Zij legden groter nadruk op de lichamelijke rust op dien dag, en eisten grotere stiptheid en strengheid hierbij, dan de wetgever bedoeld had.
I. Christus rechtvaardigt Zijne discipelen in een werk der noodzakelijkheid voor zich zelven op dien dag, namelijk het plukken van korenaren, toen hun hongerde. Dit verhaal heeft hier een datum, dien wij bij de andere evangelisten niet gehad hebben: op den tweeden eersten sabbat, vers 1, dat is, naar de mening van Dr. Whitby, de eerste sabbat na den tweeden dag der ongehevelde broden, van welken dag af zij de zeven weken telden tot aan het Pinksterfeest, waarvan zij den eerste sabbat een deuteroprooton noemden, den tweede deuterodeuteron, enz. Wij behoeven, Gode zij dank, hieromtrent niet kritisch te zijn. Of deze omstandigheid vermeld wordt om te kennen te geven, dat deze sabbat als bijzonder heilig en eerwaardig beschouwd werd, waardoor de ergernis, die de discipelen gaven, dan nog verzwaard werd, of slechts aanduidde, dat het de eerste sabbat was na het offer van de eerstelingen der vruchten, de tijd van het jaar, als het koren bijna rijp is, is van geen groot belang. Wij kunnen opmerken:
1. Dat Christus' discipelen nooit, maar inzonderheid niet op den sabbat, kieskeurig behoren te zijn voor hun voedsel, maar zich moeten vergenoegen met hetgeen het gemakkelijkst te verkrijgen is en er dankbaar voor zijn. Deze discipelen plukten aren en aten ze, vers 1, een weinigje was hun genoeg, en in dat weinigje vonden zij nu juist geen uitgezochte spijze, geen lekkernij.
2. Velen, die zelf schuldig zijn aan de grootste misdaden, zijn zeer vlug in het laken van anderen om de onschuldigste zaken of handelingen, vers 12. De Farizeeën twistten met hen, daar zij, naar hun oordeel, deden wat niet geoorloofd is te doen op de sabbatdagen, terwijl zij zelven zich op de sabbatdagen meer dan op andere dagen met lekkernijen voedden.
3. Jezus Christus zal Zijne discipelen rechtvaardigen als zij ten onrechte worden gelaakt, en zal hen erkennen en genoegen met hen nemen in menige zaak, waarvan de mensen zeggen dat het hun niet geoorloofd is te doen. Hoe goed is het voor ons, dat wij niet door mensen zullen geoordeeld worden, en dat Christus onze Voorspraak zal zijn!
4. Ceremoniële verordeningen kunnen, in een geval van noodzakelijkheid, op zijde worden gezet, zoals de priesters het zich toe-eigenen van de toonbroden hebben nagelaten, toen David door de beschikking van Gods voorzienigheid zich in zulk een groten nood bevond, dat hij die toonbroden moest hebben, of anders in het geheel geen brood had, vers 3, 4. En indien Gods verordeningen aldus nagelaten of op zijde gezet konden worden voor gewichtiger zaken of groter goed, hoeveel te meer dan niet de inzettingen van mensen.
5. Werken der noodzakelijkheid zijn zeer bijzonder geoorloofd op den sabbat, maar wij moeten ons wèl wachten om deze vrijheid niet in losbandigheid te verkeren, en Gods vriendelijke vergunning niet ten nadele van het werk van den dag te misbruiken. 6. Hoewel Jezus Christus werken van noodzakelijkheid toeliet op den sabbatdag, wil Hij toch, dat wij zullen weten en gedenken, dat het Zijn dag is, en daarom in Zijn dienst en tot Zijne eer moet besteed worden, vers 5 :De Zoon des mensen is een Heere ook van den sabbat. In het koninkrijk van den Verlosser moet de sabbat in dag des Heeren verkeerd worden. In sommige opzichten moet de eigenschap er van veranderd worden, en hij moet voornamelijk ter ere van den Verlosser worden waargenomen, gelijk tevoren ter ere van den Schepper. Ten teken hiervan zal hij niet slechts een nieuwen naam hebben, de dag des Heeren -hoewel de oude naam toch niet wordt vergeten, want nog is het een sabbat, een dag der ruste-maar ook overgebracht worden op een nieuwen dag, den eersten dag der week.
II. Hij rechtvaardigt zich zelven in het doen van werken van barmhartigheid aan anderen op den sabbatdag. Merk hieromtrent op:
I. Op den sabbatdag ging Christus in de synagoge. Het is onze plicht om, als wij er de gelegenheid toe hebben, den sabbat te heiligen in Godsdienstige bijeenkomsten. Op den sabbat behoort er een heilige samenroeping te zijn, en zonder geldige reden moet onze plaats er niet ledig wezen. 2.. Op den sabbatdag leerde Hij in de synagoge. Onderwijs-geven en van Christus ontvangen is een zeer voegzaam werk op den sabbatdag en in de synagoge. Christus gebruikte iedere gelegenheid om te leren, niet slechts Zijne discipelen, maar ook de scharen. 3.. De zieke, dien Christus genas, was een Zijner hoorders. Een mens, wiens rechterhand dor was, kwam om van Christus te leren. Of hij enige verwachting had om door Christus genezen te worden, blijkt niet. Maar zij, die door de genade van Christus genezen willen worden, moeten gewillig en bereid zijn om van Christus te leren. 4.. Onder hen, die de hoorders waren van Christus' voortreffelijke leer en de ooggetuigen van Zijn heerlijke wonderen, waren sommigen, die met geen ander doel gekomen waren dan om met Hem te twisten, vers 7. De schriftgeleerden en Farizeeën wilden Hem niet, gelijk het aan edelmoedige tegenstanders betaamd zou hebben, behoorlijk vooruit waarschuwen dat, zo Hij op den sabbatdag genas, zij dit voor ene overtreding van het vierde gebod zouden houden, hetgeen zij eershalve en naar rechtvaardigheid hadden behoren te doen, omdat er geen precedent voor het geval was-niemand had ooit genezen zoals Hij genas, en het dus ook geen reeds beslist geval was. Maar op laaghartige wijze hebben zij Hem beloerd, zoals de leeuw zijne prooi, of Hij ook op den sabbatdag zou genezen, opdat zij enige beschuldiging tegen Hem mochten vinden, en Hem konden overvallen met ene vervolging. 5.. Jezus Christus heeft zich niet geschaamd en was niet bevreesd om Zijn voornemen der genade te erkennen ten aanhore van hen, die naar Hij wist er zich tegen stelden, vers 8. Hij kende hun gedachten en wat zij voorhadden, en Hij gebood den man op te rijzen en in het midden te staan, waardoor Hij ook het geloof en den moed van den patiënt op de proef stelde. 6.. Hij deed een beroep op Zijne tegenstanders zelven en op de overtuiging van hun natuurlijk geweten, en vroeg hun of het de bedoeling was van het vierde gebod om de mensen te weerhouden van goed te doen op den sabbatdag, het goed dat de hand vindt om te doen, waartoe zij de gelegenheid hebben, en dat niet goed naar een anderen dag kan worden verschoven, vers 9. Wat is geoorloofd op de sabbatten? goed te doen, of kwaad te doen? Geen slechte mensen zijn zo dwaas en onredelijk als vervolgers, die er zich op toeleggen om kwaad te doen aan mensen wegens hun goed doen.
7. Hij genas dien armen mens, en gaf hem terstond het gebruik weer van zijne rechterhand, door slechts een woord te spreken, ofschoon Hij wist dat zijne vijanden er zich niet slechts aan zouden ergeren, maar er tegen Hem gebruik van zouden maken, vers 10. Laat ons niet weerhouden worden van onzen plicht of van ons nuttig zijn aan anderen, wegens de verdrukking, die er voor ons het gevolg van zal zijn..
8. Zijne tegenstanders werden er des te meer in woede om ontstoken tegen Hem, vers 11. In plaats van door dit wonder overtuigd te worden, zoals zij hadden behoren te wezen, dat Hij een leraar was van God gezonden-in plaats van Hem lief te krijgen als een weldoener der mensen-werden zij vervuld met uitzinnigheid, vertoornd, omdat zij Hem niet door vrees konden af houden van goed te doen, of de belangstelling en liefde des volks voor Hem konden verminderen. Zij waren als razend op Christus, razend op het volk, razend op zich zelven. Toorn is ene uitzinnigheid of razernij, van korten duur, boosaardigheid is er ene van langen duur, onmachtige boosaardigheid, inzonderheid teleurgestelde boosaardigheid, en dat was de hun. Toen zij niet konden beletten dat Hij dit wonder deed, spraken zij samen met elkaar, wat zij Jezus doen zouden, hoe zij het zouden aanleggen om Hem te verderven. Wèl kunnen wij verbaasd staan dat de kinderen der mensen slecht genoeg zijn, om aldus te handelen, en dat de Zone Gods zo geduldig en lankmoedig is om het te verdragen.