Handelingen 4:5-14
Wij hebben hier het verhoor van Petrus en Johannes voor de rechters van het kerkelijk gerechtshof wegens het prediken over Jezus Christus en hun doen van een wonder in Zijn' naam. Dit wordt hun aangerekend als ene misdaad, terwijl het de beste dienst was, dien zij aan God of mensen konden bewijzen.
I. Het hof is vergaderd, dat voor deze gelegenheid tot ene buitengewone zitting bijeengeroepen scheen te zijn. Merk op:
1. Den tijd wanneer het hof zat, vers 5, des anderen daags, niet in den nacht, als toen Christus voor hen gebracht werd, want zij schijnen geen zo vurigen ijver gehad te hebben voor deze vervolging als voor die. Het was goed, dat zij zich begonnen te matigen. Maar zij hebben het slechts opgeschort tot des anderen daags, en niet langer, want zij wensten hen spoedig tot zwijgen te brengen, en dus geen tijd te verliezen.
2. De plaats waar-te Jeruzalem, vers 5. Dáár was het, dat de discipelen, naar Christus hun gezegd had, moesten verwachten zware dingen te zullen lijden, zoals Hij voor hen in die plaats geleden heeft. Dat schijnt hier vermeld als ene verzwaring van hun zonde, dat te Jeruzalem, waar zo velen geweest zijn, die naar verlossing uitzagen, voordat zij gekomen was, nog meerderen gevonden werden, die er niet op wilden zien, nu zij gekomen is. Hoe is die getrouwe stad tot ene hoere geworden! Zie Mattheus 23:37. Het was bij het voorzien, dat Jeruzalem zich zelf zo zou benadelen, dat Christus de stad aanzag en over haar weende.
3. De rechters van het hof.
A. Hun algemene hoedanigheid, zij waren oversten, ouderlingen en schriftgeleerden, vers 5. De schriftgeleerden waren mannen van wetenschap, die kwamen om met de apostelen te disputeren, en hoopten hen te weerleggen, tot zwijgen te brengen. De oversten en ouderlingen waren regeringspersonen, die zo zij hun niet konden antwoorden, dachten wel de ene of andere oorzaak te zullen vinden om hun het zwijgen op te leggen. Indien het Evangelie van Christus niet van God ware, dan zou het zich geen weg hebben kunnen banen, want het had beide de geleerdheid en de macht der wereld tegen zich, zowel het college der schriftgeleerden, als het hof der ouderlingen.
B. De namen van sommigen, die de aanzienlijksten waren. Hier waren Annas en Kajafas, de aanvoerders bij deze vervolging, Annas, de voorzitter van het sanhedrin, en Kajafas, de hogepriester (hoewel Annas hier aldus wordt genoemd) en vader van het huis des gerichts. Het schijnt, dat Annas en Kajafas bij beurten het ambt van hogepriester bekleedden, en wel om het andere jaar. Deze twee waren het ijverigst in de weer tegen Christus, toenmaals was Kajafas hogepriester, nu is het Annas, maar beiden waren even vijandig aan Christus en Zijn Evangelie. Men onderstelt, dat Johannes de zoon was van Annas, en Alexander wordt door Josephus genoemd als een man van rang en aanzien. Er waren ook nog anderen, die van het hogepriesterlijk geslacht waren, van hem afhankelijk waren en verwachtingen van hem hadden, en dezen natuurlijk spreken, zoals hij spreekt, en zullen met hem stemmen tegen de apostelen. In betrekking te staan tot mannen, die wel hooggeplaatst, maar niet goed of Godvruchtig zijn, is voor menigeen een strik geweest. II. De gevangenen worden voorgebracht, vers 7.
1. Zij stelden hen in het midden, want het sanhedrin zat in een cirkel, en zij die iets met dat hof van doen hadden, stonden of zaten, in het midden, Lukas 2:46. Aldus wordt het door Dr. Lightfoot verklaard. Zo werd de Schrift vervuld ene vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven, Psalm 22:17. Zij hadden mij omringd als bijen, Psalm 118:12. Zij zaten aan alle zijden.
2. De vraag, die zij hun deden, was: "Door wat kracht, of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan? Op wiens gezag doet gij deze dingen?" (dezelfde vraag hadden zij aan hun' Meester gedaan, Mattheus 21:23). "Wie heeft u opgedragen om zulk ene leer te prediken, en u de macht gegeven om zulk een wonder te werken? Gij hebt gene toelating of volmacht van ons, en daarom hebt gij er ons rekenschap van te geven, van wie gij uwe volmacht hebt". Sommigen denken dat die vraag gegrond was op een dwaas begrip, of waan, dat op het blote noemen van sommige namen wonderen konden gedaan worden, zoals in Hoofdstuk 19:13. De Joodse duivelbezweerders maakten gebruik van den naam van Jezus. Nu wilden zij weten van welken naam zij gebruik hadden gemaakt bij hun genezing, en bijgevolg welken naam zij in hun prediking op den voorgrond wilden stellen. Zij wisten zeer goed, dat zij Jezus predikten en de opstanding van de doden en de genezing der kranken door Jezus, vers 2, maar zij vroegen het hun om hen te kwellen, en om te zien, of zij niet iets uit hen konden krijgen, dat een misdadig aanzien had.
III. Hoe de apostelen zich verantwoordden, waarbij het hun doel was, niet zozeer om zich zelven vrij te pleiten, als wel om den naam en de ere van hun Meester te bevorderen, die hun gezegd had, dat, als zij voor stadhouders en koningen gesteld zouden worden, dit hun de gelegenheid zou geven om het Evangelie te prediken voor hen, tot wie zij anders geen toegang zouden hebben, en dat het een getuigenis zou zijn tegen hen, Markus 13:9. Merk op:
1. Door wie de verantwoording gesteld was: zij was ingegeven door den Heiligen Geest, die Petrus meer dan ooit hiervoor bekwaam maakte. Met ene heilige onverschilligheid voor hun eigene veiligheid, begaven de apostelen er zich toe om Christus te prediken, zoals Hij hun bevolen had te doen in zulk een geval, en toen heeft Christus Zijne belofte aan hen vervuld, dat de Heilige Geest hun in die ure zal leren wat zij spreken moeten. Christus' getrouwe voorspraken zullen nooit om instructies verlegen zijn, Markus 13:11.
2. Tot wie zij gericht was. Petrus, die nog altijd de woordvoerder is, wendt zich tot de rechters van het hof, als de oversten des volks en de ouderlingen van Israël, want de slechtheid van de ambtsdragers of van overheidspersonen, ontneemt hun het ambt niet, maar de overweging van de macht, waarmee zij bekleed zijn, moest de uitwerking op hen hebben, dat zij aflaten van hun slechtheid. "Gij zijt oversten en ouderlingen, en behoort meer dan anderen te weten van de tekenen der tijden, en dus niet datgene tegen te staan, wat gij door uw ambt en roeping verplicht zijt te omhelzen en te bevorderen, nl. het koninkrijk van den Messias. Gij zijt oversten en ouderlingen van Israël, Gods volk, en indien gij hen verkeerd leidt, hen doet dwalen, dan zult gij zeer veel te verantwoorden hebben.
3. Wat de verantwoording is: ene plechtige verklaring: A. Dat hetgeen zij deden was in den naam van Jezus Christus, dat een bepaald antwoord was op de vraag, hun gedaan door het hof, vers 9, 10. "Alzo wij heden rechterlijk onderzocht worden, als misdadigers ter verantwoording worden geroepen, -dat is de betekenis van het woord-over de weldaad (iedereen zal erkennen, dat het ene weldaad is) aan een' kranken mens geschied -indien dit de grond of oorzaak is van de rechterlijke aanklacht, indien ons de vraag wordt gedaan door welk middel, of door wie, hij gezond geworden is, dan is ons antwoord gereed, en het is hetzelfde dat wij aan het volk gegeven hebben, Hoofdstuk 3:16. Wij zijn bereid het voor u te herhalen, als hetgeen waar wij bij blijven: Zo zij u allen kennelijk, u allen, die voorgeeft van deze zaak niets te weten, en u niet alleen, maar het ganse volk Israël's, want allen hebben er belang bij het te weten, dat door den naam van Jezus Christus, den dierbaren, machtigen, overmogenden naam, den naam boven allen naam, door Hem, dien gij in verachting den Nazarener noemt, dien gij gekruist hebt, gij, oversten en volk, en dien God van de doden heeft opgewekt, en bevorderd heeft tot de hoogste waardigheid en macht, door hem, zeg ik, staat deze hier voor u gezond, als een gedenkteken van de macht van den Heere Jezus." Hier rechtvaardigt hij wat hij en zijn ambtgenoot hebben gedaan ter genezing van den kreupele. Het was ene weldaad, het was ene vriendelijkheid, bewezen aan den man, die gebedeld had, omdat hij niet kon werken voor zijn brood, ene vriendelijkheid jegens den tempel, en jegens hen, die er in gingen om te aanbidden, en nu bevrijd waren van het geschreeuw en rumoer van dien bedelaar. "Indien wij nu ter verantwoording worden geroepen voor deze weldaad, dan hebben wij gene reden om beschaamd te zijn, 1 Petrus 2:20, Hoofdstuk 4:14, 16. Laten zij beschaamd zijn, die ons hierom moeite aandoen." Het is niets nieuws, dat goede mensen lijden omdat zij weldoen. Wel te doen en straf te lijden is het lot van den Christen. Hij brengt al den lof en de heerlijkheid van deze weldaad toe aan Jezus Christus. "Het is door Hem, en niet door enigerlei kracht of macht in ons, dat deze man genezen is." De apostelen streven er niet naar belangstelling voor hen zelven te winnen, noch om zich door dit wonder in de goede mening van het hof aan te bevelen, maar, "Laat de Heere alleen verhoogd worden, en dan doet het er niet toe wat er van ons wordt." Hij legt het den rechters zelven ten laste, dat zij de moordenaars van dezen Jezus geweest zijn: "Het is Hij, dien gij gekruist hebt, ziet toe, hoe gij dit zult ver-. antwoorden," ten einde hen er toe te brengen om in Christus te geloven (want niets minder dan dat bedoelt hij). Hij poogt hen van zonde te overtuigen, van de zonde, die, naar men zou denken, meer dan alle anderen het geweten zou verschrikken-hun terdoodbrenging van Christus. Laten zij het opnemen, zoals zij willen, Petrus zal gene gelegenheid verzuimen om er hun van te spreken. Hij betuigt de op. standing van Christus als het krachtigst getuigenis voor Hem en tegen Zijne vervolgers. Zij hebben Hem gekruist, maar God heeft Hem opgewekt van de doden, zij benamen Hem het leven, maar God heeft het Hem wedergegeven, en met uw verder tegenstaan van Zijne belangen zal het u niet beter gaan." Hij zegt hun, dat God Hem heeft opgewekt van de doden, en zij durfden hem, daar zij er toch nog te veel schaamtegevoel voor hadden, niet antwoorden met het dwaze verzinsel, waarmee zij het volk zand in de ogen strooiden, dat Zijne discipelen des nachts gekomen waren en Hem gestolen hebben. Hij predikt dit aan alle omstanders, opdat het door hen aan hun geburen en vrienden herhaald zal worden, en hij gebiedt allen, van welken stand of rang zij zijn, om acht te geven op het gevaar, waarin zij zich bevinden. Zo zij u allen kennelijk, u allen, die hier tegenwoordig zijt, en het zal het ganse volk Israël's bekend gemaakt worden, waar heen zij ook verstrooid zijn, en in weerwil van al uwe pogingen, om er de kennis van te onderdrukken en te smoren. Gelijk de Heere God het weet, zo zal Israël, gans Israël, weten, dat in den naam van Jezus wonderen gewrocht zijn, niet door dien naam te noemen als een toverformule, maar door er in te geloven als ene Goddelijke openbaring van genade en welbehagen in de mensen. B. Dat de naam van dien Jezus, op wiens gezag zij gehandeld hadden, de naam is, in welken alleen wij kunnen zalig worden. Uit dit bijzondere voorbeeld toont hij aan, dat het geen particuliere sekte, of partij, is, die door de leer, die zij predikten, en het wonder, dat zij hadden gewrocht, bevorderd of tot aanzien gebracht zou worden, waarmee men zich naar welgevallen verenigen kan, of er zich verre van kan houden, zoals dit met de sekten der filosofen, en die onder de Joden, het geval was, maar dat het ene heilige en Goddelijke instelling is, die hierdoor bevestigd en bekrachtigd wordt, terwijl het voor iedereen van het hoogste belang is om er zich aan te onderwerpen. Het is gene onverschillige zaak, maar ene volstrekte noodzakelijkheid, dat de mensen in dezen naam geloven en hem aanroepen. Wij zijn hiertoe verplicht in gehoorzaamheid aan God en in onderworpenheid aan Zijne bedoeling, vers 11. Deze is de steen, die van u, de bouwlieden, van u, die de oversten zijt des volks en de ouderlingen van Israël, veracht is, van u, die de bouwlieden der kerk behoorde te zijn, en voorgeeft het te wezen, want de kerk is Gods gebouw. Hier was een steen, u aangeboden, om in de voornaamste plaats van het gebouw gesteld te worden, om de voornaamste pilaar te zijn, waarop het gehele gebouw zou rusten, maar gij hebt hem veracht en verworpen, gij wilde er geen gebruik van maken, maar wierp hem weg als tot niets nut, dan om er een treesteen van te maken, maar deze steen is nu tot een hoofd des hoeks geworden. God heeft dezen Jezus, dien gij verworpen hebt, opgewekt, en door Hem aan Zijne rechterhand te zetten, heeft Hij Hem beide tot een hoeksteen en een sluitsteen gemaakt, het middelpunt van eenheid, en de fontein van kracht. Petrus heeft waarschijnlijk deze Schriftuurplaats aangehaald, omdat niet lang te voren Christus zelf haar gebruikt heeft in antwoord op de vraag van de overpriesters en ouderlingen, door wat macht Hij deze dingen deed, Mattheus 21:42. De Schrift is een beproefd wapen in onzen strijd, houden wij er ons aan. Wij zijn er toe verplicht vanwege ons eigen belang. Wij zijn verloren, zo wij gene schuilplaats zoeken in dezen naam, en hem tot onze toevlucht en hoog vertrek stellen, want wij kunnen niet behouden worden dan door Jezus Christus, en zo wij niet voor eeuwig behouden worden, dan zijn wij voor eeuwig verloren, vers 12. De zaligheid is in genen anderen. Gelijk er geen andere naam is door welke zieke lichamen genezen kunnen worden, zo is er ook geen andere naam, door welken zondige zielen zalig gemaakt kunnen worden. "Door Hem, en alleen door Hem, door Zijne leer te ontvangen en aan te nemen moeten thans allen hopen zalig te worden. Want er is geen andere Godsdienst in de wereld, neen, ook niet, die door Mozes werd overgeleverd, waardoor zaligheid te verkrijgen is voor hen, die thans niet tot dezen komen, op de prediking er van. Aldus de mening van Dr. Hammond. Merk hier op: Ten eerste. Onze zaligheid is onze voornaamste zorg, onze voornaamste aangelegenheid, en die ons het naast aan het hart moet liggen-ons ontkomen aan den toorn en den vloek, en onze wederherstelling in Gods gunst en zegen.
Ten tweede. Onze zaligheid is niet in ons zelven, noch kan zij verkregen worden door enigerlei kracht of verdienste van ons zelven, wij kunnen wèl ons zelven verderven, maar wij kunnen niet ons zelven behouden.
Ten derde. Er zijn onder de mensen vele namen, waarvan men beweert dat zij namen ter behoudenis zijn, maar in werkelijkheid zijn zij het niet, velerlei instellingen in den Godsdienst, die naar wordt voorgegeven ene verzoening en overeenkomst tot stand brengen tussen God en den mens, maar het niet kunnen.
Ten vierde. Het is alleen door Christus en Zijn naam dat de gunsten van God kunnen verwacht worden, die nodig zijn tot onze zaligheid, en dat onze dienst Gode welbehaaglijk kan zijn. Dit is de eer van Christus' naam, op welken wij kunnen pleiten bij God. Deze naam is gegeven. God heeft hem gegeven, en het is ene onwaardeerbare weldaad, die ons hierdoor geschonken is. Hij is gegeven onder den hemel. Christus heeft niet slechts een groten naam in den hemel, maar een groten naam onder den hemel, want Hij heeft alle macht in de bovenwereld en in de lagere wereld. Hij is gegeven onder de mensen, die zaligheid van node hebben, mensen, die op het punt zijn van om te komen. Wij kunnen zalig worden door Zijn naam, Zijn naam van: de Heere onze gerechtigheid, en door geen' anderen kunnen wij zalig worden. In hoever diegenen gunst bij God kunnen vinden, die de kennis van Christus niet hebben, noch een werkelijk geloof in Hem, maar toch leven overeenkomstig het licht, dat zij hebben, dat staat niet aan ons te beslissen. Maar dit weten wij, dat wèlke gunst ter behoudenis dezulken mogen ontvangen, zij hun vanwege Christus en alleen om Zijnentwil geschonken wordt, zodat toch de zaligheid in geen anderen is. Ik noemde u toe, hoewel gij Mij niet kende, Jesaja 45:4.
IV. Hoe het hof door deze pleitrede in verlegenheid werd gebracht ten opzichte van de vervolging, vers 13, 14. Nu was Christus' belofte aan hen vervuld, dat Hij hun mond en wijsheid zal geven welke niet zullen kunnen tegenspreken noch weerstaan allen, die zich tegen u zetten.
1. Zij konden de genezing van den kreupele niet loochenen, zij konden niet ontkennen, dat die genezing ene weldaad was en door een wonder was geschied. Hij de genezene, stond daarbij Petrus en Johannes, bereid om van de genezing te ge- tuigen, indien dit nodig was en zij hadden niets daartegen te zeggen, vers 14, hetzij om haar te ontkennen, of haar te verkleinen. Het was goed, dat het de sabbatdag niet was, want anders zouden zij dat er tegen te zeggen hebben gehad.
2. Zij konden met al hun praal en macht Petrus en Johannes niet overbluffen. Dat was geen minder wonder dan de genezing van den kreupele, in aanmerking genomen welke wrede, bloeddorstige vijanden deze priesters van den naam van Christus geweest zijn (het was genoeg om ieder te doen sidderen, die voor Hem uitkwam) en in aanmerking genomen welke beschroomde, lafhartige advocaten deze discipelen zo kort geleden voor Hem geweest zijn, inzonderheid Petrus, die Hem had verloochend uit vrees voor ene onnozele dienstmaagd, en toch zien zij nu de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, vers 13. Waarschijnlijk was er iets buitengewoons en verrassends in hun voorkomen, zij schenen niet slechts onverschrokken door de tegenwoordigheid en de macht der rechters, maar stoutmoedig en ontzagwekkend voor hen: er was majesteit in hun voorhoofd, in hun aanblik, hun ogen schitterden, hun blik was gebiedend, indien er al niet iets schrikkelijks was in hun stem. Evenals de profeet, hebben zij hun aangezicht gesteld als een keisteen, Jesaja 50:7, Ezechiël 3:9. De kloekmoedigheid van Christus' getrouwe belijders is dikwijls de beschaming geweest van hun wrede vervolgers. Nu wordt ons hier nog gezegd waardoor hun verwondering nog toenam: zij vernamen, dat zij ongeleerde en slechte (dat is, eenvoudige) mensen waren. Zij informeerden naar de apostelen, hetzij bij hen zelven, of bij anderen, en bevonden, dat zij mannen van geringe afkomst waren, geboren in Galilea, dat zij tot vissers waren opgeleid, en gene geleerde opvoeding hadden ontvangen, nooit aan ene hogeschool hadden gestudeerd, niet opgebracht waren aan de voeten van een hunner rabbijnen, geen omgang hadden gehad aan het hof, in legerkamp of scholen, ja, als gij thans tot hen spreekt over enig punt van natuurlijke wijsbegeerte, wiskunde of staatkunde, dan zult gij misschien bevinden, dat zij er niets van weten. Maar spreek tot hen van den Messias en Zijn koninkrijk, en zij zullen zich uitdrukken met zulk ene helderheid, klaarblijkelijkheid en verzekerdheid, zo gepast en zo vloeiend, en met zo veel vaardigheid in de Schriften des Ouden Testaments, die er betrekking op hebben, dat de geleerdste rechter van het hof niet in staat is hen te weerleggen of te antwoorden. Zij waren onwetende mensen idioootai, particuliere personen, mensen, die geen openbaar ambt bekleedden, en daarom verwonderde het hen, dat zij zo hoge aanspraken koesterden. Zij waren idioten (dat is de betekenis van het woord) zij zagen met evenveel minachting op hen neer, als wanneer zij blote idioten waren, en niets van hen konden verwachten. zodat het hen verbaasde te zien, dat zij zo veel vrijmoedigheid gebruikten. Er wordt ons ook gezegd, wat hun verwondering in grote mate deed ophouden: zij kenden hen, dat zij met Jezus geweest waren. Waarschijnlijk hadden zij zelven hen met Hem in den tempel gezien, en dat herinnerden zij zich nu: of wellicht hebben sommigen van hun dienaren, of van de omstanders het hun meegedeeld, want zij wilden den schijn niet hebben van op zulke geringe lieden acht te hebben geslagen. Maar toen zij vernamen, dat zij met Jezus geweest waren, met Hem waren omgegaan, Hem hadden vergezeld, door Hem opgeleid waren, begrepen zij, waaraan hun vrijmoedigheid was toe te schrijven, ja hun vrijmoedigheid in Goddelijke dingen was genoeg om hun te tonen, door wie zij opgevoed en onderwezen waren. Zij, die met Jezus geweest zijn, in omgang en gemeenschapsoefening met Hem, Zijn woord hebben gehoord, in Zijn naam hebben gebeden, de gedachtenis van Zijn dood en opstanding hebben gevierd, behoren zich in alles zo te gedragen, dat zij, die met hen spreken en met hen omgaan, hen kennen als met Jezus geweest te zijn: en dat dit hen zo heilig, zo hemelsgezind en geestelijk, en blijmoedig maakt, dat dit hen zo opgeheven doet zijn boven de wereld, en hen vervult van ene andere wereld. Aan het glinsteren van hun aangezicht kan men weten, dat zij op den berg geweest zijn.