Lukas 14:1-6
In dit verhaal zien wij:
I. Dat de Zoon des mensen is gekomen, etende en drinkende, gemeenzaam omgaande met allerlei mensen, het gezelschap niet afwijzende van tollenaren, hoewel dezen een slechten naam hadden, noch van Farizeeën, hoewel dezen Hem een kwaad hart toedroegen, maar van beiden vriendelijke uitnodigingen aannemende, ten einde, zo mogelijk, aan beiden goed te doen. Hier kwam Hij in het huis van een der oversten der Farizeeën, wellicht een overheidspersoon, op den sabbat, om brood te eten, vers 1. Zie hoe gunstrijk God voor ons is, dat Hij ons, zelfs op Zijn eigen dag, tijd toestaat voor verkwikking van het lichaam, en hoe zorgzaam wij behoorden te wezen om die vrijheid niet te misbruiken, of haar in losbandigheid te verkeren. Christus kwam daar om slechts brood te eten, de verversing te nemen, die op den sabbat noodzakelijk was. Voor onze maaltijden op den sabbatdag moeten wij zeer zorgvuldig waken tegen alle overdaad. Op sabbatdagen moeten wij doen wat Mozes en Jethro gedaan hebben: brood eten voor het aangezicht Gods, Exodus 18:12, en, zoals van de eerste Christenen gezegd werd, op den dag des Heeren, eten en drinken als degenen, die wederom moeten bidden voor wij ons ter ruste begeven, opdat wij daar niet ongeschikt voor zijn.
II. Dat Hij het land doorging goeddoende. Overal waar Hij kwam zocht Hij naar gelegenheden om goed te doen, en heeft Hij niet slechts gebruik gemaakt van die, welke zich als vanzelf aan Hem voordeden. Hier nu was een zeker waterzuchtig mens voor Hem, vers 5. Wij bevinden niet, dat hij uit zich zelven den Heere om genezing vroeg, noch dat zijne vrienden dit deden, maar Christus kwam hem voor met de zegeningen Zijner goedheid, en eer hij riep, heeft Hij hem geantwoord. Het is gelukkig om te wezen waar Christus is, voor Hem te zijn, in Zijne tegenwoordigheid, hoewel hij Hem niet was voorgesteld. Deze man was waterzuchtig, waarschijnlijk in zeer hoge mate, en scheen er hevig door gezwollen. Waarschijnlijk was hij een bloedverwant van den Farizeeër, in wiens huis hij nu verbleef, hetgeen meer waarschijnlijk is dan dat hij een genodigde gast was aan zijne tafel.
III. Dat Hij het tegenspreken van de zondaren tegen zich heeft verdragen: Zij namen Hem waar, vers 1. Het schijnt dat de Farizeeër, die Hem genodigd had, dit gedaan heeft met het doel om twist met Hem te zoeken. Indien dit zo was, dan heeft Christus het geweten, en toch ging Hij, want Hij wist zich opgewassen te zijn tegen de listigsten onder hen, en wist Zijne gangen te richten met het oog op hen, die Hem waarnamen. Zij, die waargenomen worden, moeten zeer voorzichtig zijn. Het is, gelijk Dr. Hammond opmerkt, tegen alle wetten der gastvrijheid om te trachten iets te doen ten nadele van den gast, dien men genodigd heeft, want zo iemand staat dan onder de bescherming van zijn gastheer. Deze wetgeleerden en Farizeeën deden als de vogelaar, die in stilte loert om den vogel in zijn strik te krijgen, en zwegen stil, en handelden in stilte. Toen Christus hun vroeg, of zij het geoorloofd achtten om op den sabbatdag gezond te maken (en hierin wordt gezegd dat Hij hun geantwoord heeft, want het was een antwoord op hun gedachten, en gedachten zijn voor Jezus Christus woorden), wilden zij ja noch neen zeggen, want hun bedoeling was Hem aan te klagen, niet door Hem onderwezen te worden. Zij wilden niet zeggen dat het geoorloofd was gezond te maken, want hiermede zouden zij zich zelven verhinderen Hem dit als een misdaad aan te rekenen, en toch was de zaak zo duidelijk en vanzelf sprekend, dat zij zich schaamden te zeggen dat het niet geoorloofd was. Godvruchtige mensen zijn dikwijls vervolgd geworden omdat zij iets gedaan hebben, dat hun vervolgers zelf, zo zij slechts hun geweten toelieten te spreken, niet anders dan als geoorloofd en goed zouden moeten erkennen. Christus heeft menig goed werk gedaan, waarvoor zij naar Hem en naar Zijn naam stenen hebben geworpen.
IV. Dat Christus zich niet wilde laten verhinderen om goed te doen door den tegenstand en het tegenspreken der zondaren. Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan, vers 4. Wellicht nam Hij hem ter zijde, in een ander vertrek, en genas hem aldaar, omdat Hij noch zich zelven wilde laten uitbazuinen-zo groot was Zijne nederigheid- noch Zijne tegenstanders wilde prikkelen-zo groot was Zijne wijsheid, de zachtmoedigheid Zijner wijsheid. Hoewel wij ons door de boosaardigheid onzer vijanden niet moeten laten weerhouden van onzen plicht te doen, moeten wij hem toch op zulk een wijze trachten te doen als waardoor het minst ergernis of aanstoot wordt gegeven. Of wel, Hij nam hem, dat is: Hij legde de handen op hem, om hem te genezen, epilabomenos, complexus -Hij omhelsde hem, nam hem in zijne armen, hoe gezwollen hij ook was (want waterzuchtigen zijn dit meestal) en gaf hem weer den rechten vorm, de gezonde gestalte. Men zou denken dat de genezing van waterzucht, evenzeer als van iedere ziekte, langzaam en trapsgewijze zou gaan, maar Christus heeft zelfs die ziekte terstond en volkomen genezen. Toen liet Hij hem gaan, opdat de Farizeeën hem niet zouden aanvallen omdat hij genezen was, hoewel hij er zuiver lijdelijk onder geweest is, want aan welke ongerijmdheden zouden mensen als dezen zich niet al schuldig maken?
V. Dat onze Heere Jezus niets gedaan heeft dan hetgeen Hij kon rechtvaardigen ter overtuiging en beschaming van hen, die met Hem twistten, vers 5, 6. Nog steeds antwoordde Hij op hun gedachten, en legde Hij hun het zwijgen op uit schaamte, die tevoren stilzwegen uit listigheid. Hij deed dit door zich te beroepen op hun eigen handelwijze, zoals Hij bij dergelijke gelegenheden placht te doen, ten einde hun te tonen dat zij, door Hem te veroordelen, zich zelven veroordeelden. Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats, terstond, het niet uitstellende tot de sabbat voorbij is, opdat het dier niet omkome? Het is niet zozeer uit medelijden met het arme schepsel, dat zij dit doen, als wel uit eigenbelang. Het is hun os, en hun ezel, die geld waard is, waardoor zij zich vrijstelling geven van de wet des sabbats om hem te redden. Dit was nu een blijk hunner geveinsdheid, en dat het niet uit werkelijke achting was voor den sabbat, dat zij het afkeurden dat Christus op den sabbatdag genas (dat was slechts een voorwendsel), maar in werkelijkheid, omdat zij zich vertoornden over de wonderdadige goede werken, die Christus gedaan heeft, en het bewijs, dat Hij er mede leverde van Zijn Goddelijke zending, en den invloed, dien Hij er door verkreeg op het volk. Velen kunnen zich zeer gemakkelijk uit eigenbelang ontheffen van hetgeen, waarvan zij zich niet kunnen ontheffen als het moet dienen ter bevordering van de ere Gods en het welzijn hunner broederen. Deze vraag bracht hen tot zwijgen: Zij konden Hem daarop niet wederantwoorden, vers 6. Christus zal gerechtvaardigd worden als Hij spreekt, en alle mond zal gestopt worden voor Hem.