28. Maar Hij zei: a) Ja, als ook Ik evenals u iemand zal zalig noemen, dan zeg Ik daarentegen: zalig zijn degenen, die het Woord van God horen en het bewaren (
Mattheus 13:23).
a)Mattheus 7:21. Johannes 6:29. Romeinen 2:13.
In de sterkste tegenstelling tot de farizeeën en schriftgeleerden, die door de werken van de Heere tot tegenspraak werden aangezet, wordt nu een niet vooringenomen stem uit het volk vernomen, die met de belangstelling van een moeder de woorden van Jezus heeft aangehoord. Dit woord vol van naïviteit en onschuld is een veelbetekenende verering van de Heere. De vrouw meent het goed, zegt Bengel, maar zij spreekt op de manier van de vrouwen. Calvijn merkt juist op: met deze lofspraak wilde de vrouw Christus voortreffelijkheid verheffen, zij dacht echter niet aan Maria, die zij misschien nooit had gezien. Het zalig prijzen van de vrouw is echter slechts naar de natuur, het heeft een terechtwijzing nodig. Maria is niet daardoor zalig geworden, dat zij de Heere gedragen en gezoogd heeft, maar ook slechts op die weg, die voor ons geopend is, alleen door het geloof. (Hoofdstuk 1:45)
De vrouw heeft naar de woorden geluisterd, zoals alleen een vrouw, een moeder kan luisteren, die misschien kinderloos, of ook misschien met haar kinderen ongelukkig, in stilte Maria benijdt. Haar woorden vormen een treffend contrast tegen de woorden die de Heere zelf op de kruisweg over Jeruzalems dochters uitspreekt (Hoofdstuk 23:28 v. ). Hij spreekt haar woord niet tegen, maar Hij verbetert: "Ja zalig zijn enz. " - een wenk voor de vrouw om zich niet te zeer door haar gewaarwordingen te laten medeslepen, maar ook verder te luisteren. Een lof voor Maria (Hoofdstuk 2:19, 51) die Hij misschien al onder het volk ontdekte (Hoofdstuk 8:19, ), een overgang waarschijnlijk tot nadere onderwijzing van het volk, die echter nu door het bericht werd afgebroken, dat Zijn moeder en broeders Hem riepen (Mattheus 12:45). De zaligprijzende vrouw is het beeld van allen, die door alle tijden heen de moeder van de Heere meer geëerd hebben dan de Zoon en zich aan Maria-verering schuldig hebben gemaakt. Begunstigt de Heere deze verering van Zijn moeder zelf hier niet, waar zij zich binnen zo bescheiden grenzen beweegt, wat voor oordeel zal Hij dan wel vellen over het nieuwe dogma van Pio Nono, waarop een geheel nieuwe Marialogie (leer over Maria) is gebouwd!
Sommigen verbeelden zich sterk dat er enige bijzondere gunsten verbonden waren aan het voorrecht om de moeder van onze Heere te zijn geweest, omdat zij veronderstellen dat zij het vermogen had dieper in Zijn hart te kijken dan wij dit kunnen verwachten. Er mag enige waarschijnlijkheid in die veronderstelling zijn, maar niet veel. Wij weten niet of Maria meer dan anderen wist; hetgeen zij wist deed zij wel van in haar hart te bewaren; maar het blijkt uit niets van datgene wat wij in de Evangeliën lezen dat zij een beter onderwezen gelovige dan enige andere van Christus discipelen geweest is. Alles wat zij wist kunnen wij ook ontdekken. Verwondert het u, dat wij zo spreken. Ziehier een tekst om het te bewijzen: "De verborgenheid van de Heere is voor degenen die Hem vrezen en Zijn verbond om hun die bekend te maken. " Herinner u de woorden van de Meester: "Ik noem u niet meer dienstknechten, want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet, maar Ik heb u vrienden genoemd, want al wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, dat heb Ik u bekend gemaakt. " Zo heerlijk legt ons deze Goddelijke Uitlegger van verborgenheden Zijn hart open, dat Hij niets achterhoudt wat ons nuttig zou kunnen zijn; Zijn eigen verzekering is: "Anders zou Ik het u gezegd hebben. " Openbaart Hij Zich nog heden niet aan ons, zoals Hij Zich niet aan de wereld openbaart? Ja het is zo en daarom willen wij niet in blindheid uitroepen: "Zalig is de schoot die U gedragen heeft. " Maar wij willen als verstandige mensen God prijzen, dat wij door het horen en bewaren van het Woord in de eerste plaats een even ware gemeenschap met de Zaligmaker genieten, als de Maagd Maria en in de tweede plaats een even zekere kennis van de verborgenheden van Zijn hart bezitten als men kan veronderstellen, dat zij verkregen had. Gelukkige ziel, die zulke voorrechten geniet!
De Heere beantwoordt de opwellingen van het natuurlijk gevoel, hoe warm en geestdriftig zij ook zijn, gewoonlijk zeer koel, terugwijzend en terechtwijzend. Ja zeker, Zijn moeder was zalig te prijzen, maar niet omdat zij Hem gebaard, maar omdat zij geloofd en hiermee het woord van God in haar hart bewaard en gehoorzaamd had. Haar geloof volgde noodzakelijk op haar uitverkiezing en op deze grond gaf God haar de grote genade en de grote eer, dat zij de moeder van de Heere werd. Zij werd een uitverkorene, maar was zij hoog begenadigd, zij kon dat niet anders zijn en was het ook niet anders dan als zondares. Bij haar zowel als bij ons is genade de enige grond van al Gods zegeningen.
Welke eisen doet het rijk van God aan ons? Het eist 1) beslistheid in de dienst van de Heere: "Wie met Mij niet is enz. "; 2) getrouwheid in het bewaren van Zijn woord en van Zijn genade: "Zalig zijn degenen, die Gods woord enz. "; 3) ijverig werken voor Zijn heilige zaak: "Die met Mij niet vergadert enz. "
Waarom komen bij alle getuigenis van Christus slechts weinigen tot het ware geloof in Christus? Als hinderpalen plaatsen zich 1) de openbare vijandschap tegen Christus, die zich tot lastering verheft; 2) het geheime wantrouwen, dat de Heere verzoekt; 3) de trotse gerustheid, die treurige afval bereidt; 4) vluchtige geestdrift, die zich aan het uitwendige hecht.
De weg ten dode van de Verlosser als een sterke drang om voor of tegen Hem te beslissen. Wij zien 1) op hen, die tegen Hem zijn; 2) op hen, die niet dadelijk tegen, maar ook niet geheel voor Hem zijn; 3) op hen, die in waarheid voor Hem zijn.
In haar hoofdtrekken is de geschiedenis, zoals die in Mattheus 12:22-50 en Markus 3:20-35 vollediger en meer volgens de samenhang wordt gevonden, hiermee afgedaan. Op deze plaats, waar de uitlating, die in de loop van de gebeurtenissen ontstaan moest door het voorbijgaan van Jezus oponthoud te Jeruzalem tot viering van het loofhuttenfeest en de tempelwijding van het jaar 29, als zij ten minste een indirect aanwijzing van dit eigenlijk niet vermelde oponthoud, in zoverre de oversten van de Joden hier lasteren; evenals daar op het loofhuttenfeest (Johannes 7:20; 8:48): "Gij zijt uit de vader de duivel en wilt de begeerten van uw vaders doen. " Omdat nu echter in deze korte opeengedrongen voorstelling de eis van tekenen door de tweede soort van Jezus tegenstanders in de lasterlijke rede van de eerste soort tot een geheel wordt samengeweven, zonder die daarvan volgens de geschiedkundige volgorde te scheiden en volgens de werkelijkheid nog in het bijzonder te weerleggen (Mattheus 12:38-42), herstelt de evangelist in het nu volgende deel van de afdeling dit verzuimde. Hij doet het zo, dat hij dat gesprek met de eis naar tekenen in vergelijking met het bericht van Mattheus door een afdeling uit de bergrede aanvult, terwijl daarentegen bij de eerste evangelist het gesprek met hen, die Jezus beschuldigd hadden met de duivel bezeten te zijn, overeenkomst met de bergrede heeft. Dit schijnbaar willekeurig handelen van de evangelisten, waarin zij de woorden van de Heere nu hier dan daar geplaatst hebben, heeft daarin zijn reden, dat Jezus zekere gedachten en spreuken op verschillende tijden en tot verschillende kringen van toehoorders gericht heeft en daaraan naar de samenhang ook een enigszins verschillende betekenis heeft gegeven. Alle bijzondere gelegenheden, waarbij zij zijn gesproken en alle bijzondere betekenissen, die zij toelaten, kon een en dezelfde evangelist niet voorstellen, ieder bepaalde zich slechts tot een bijzonder geval, zoals het plan, dat hij met de vervaardiging van zijn evangelie had, hem aan de hand gaf. Maar dat nu juist de evangelisten bij alle overeenstemming in de hoofdzaak, toch in de mededeling van Jezus reden meermalen van elkaar afwijken, is een bewijs dat zij geenszins, zoals velen beweren, van elkaar hebben overgeschreven, maar ieder onder de leiding van de Heilige Geest, zoals die hem juist ten dele werd, gewerkt hebben. Ieder van de vier evangelisten heeft de verheven verschijning van Jezus van een bijzondere kant opgevat. Mattheus heeft vooral twee zaken in het oog; ten eerste wil hij bewijzen dat Jezus de in het Oude verbond beloofde Gezalfde, de Stichter en Koning van het rijk van God is, vervolgens wil hij het begrip van het rijk van God geven, zoals dit uit Jezus' eigen reden, gelijkenissen en gesprekken blijkt. Markus schildert Jezus als de Held in goddelijke kracht, machtig in woorden en werken, die nooit rust, die noch mensen, noch duivels, noch leven noch dood kunnen weerstaan; als degene, die Zich heeft aangekondigd als geroepen om Beheerser van de wereld aan de rechterhand van God te zijn. Lukas zoekt uit alle bronnen, die hem ten dienste staan, de trekken bijeen waaruit het beeld van Jezus persoonlijkheid zo aanschouwelijk mogelijk kan voortkomen, om de weetgierigheid van zijn Theophilus te voldoen, die hij begonnen was lief te hebben. Johannes wil niet alleen de overtuiging vast maken, dat Jezus de Eengeborene Zoon van God, de beloofde Gezalfde is, maar ook uit de schat van zijn kennis en herinnering aan de vatbare zielen het inzicht meedelen van Jezus' inwendige betrekking tot de Vader. Mattheus schrijft in de eerste plaats voor de Israëlieten, Markus voor de Romeinen, Lukas voor de Grieken, Johannes voor de verstandige Aziaat, die het geheim van de Zoon van God probeert te onderzoeken. Maar Jood en Romein, Westerling en Oosterling moeten allen één worden in Christus; ieder moet de hele Jezus kennen en bezitten; daarom hebben wij de vier evangeliën in een verzameling, zodat de ene evangelist tot de anderen leidt. Boven merkten wij op dat er herhalingen waren uit de bergrede, of ten minste wat ons aan deze doet denken. Die was tegenover farizeeën en schriftgeleerden wat de uitwendige schijn aangaat achter hun rug voor de discipelen en het verzamelde volk gehouden. De Heere volgt, als Hij nu Zijn tegenstanders hetzelfde in hoofdzaak in het gezicht zegt, de stelling, die Hij voor de discipelen uitspreekt (Hoofdstuk 12:2 v. Mattheus 10:26 v. ): "Er is niets bedekt dat niet ontdekt zal worden en verborgen, die niet geweten zal worden. Hetgeen Ik u zeg in de duisternis, zeg het in het licht; en hetgeen u hoort in het oor, predik het op de daken. "