Lukas 10:1-16
Wij hebben hier de uitzending der zeventig discipelen, twee en twee, naar verschillende delen des lands, om het Evangelie te prediken en wonderen te werken in de plaatsen, die Christus zelf voornemens was te bezoeken, ten einde Hem den weg te bereiden. Dit wordt door de andere evangelisten niet vermeld, maar de instructies, die hun hier worden gegeven, komen vrijwel overeen met die aan de twaalven. Merk op:
I. Hun getal: zij waren zeventig. Gelijk Christus in de keuze van twaalf apostelen het oog had op de twaalf patriarchen, de twaalf stammen en de twaalf vorsten dier stammen, zo schijnt Hij hier het oog te hebben op de zeventig oudsten van Israël. Zo velen zijn er met Mozes en Aäron opgeklommen tot den berg, en hebben de heerlijkheid van den God Israël's gezien, Exodus 24:1-9, en zo velen zijn er later verkoren om Mozes bij te staan in de regering, tot welk einde de Geest der profetie over hen gekomen is, Numeri 11:24, 25. De twaalf waterfonteinen en zeventig palmbomen te Elim waren een type van de twaalf apostelen en de zeventig discipelen, Exodus 15:27. Het waren zeventig oudsten der Joden, die door Ptolemaeus, koning van Egypte, waren aangesteld om het Oude Testament in het Grieks te vertalen, welke overzetting deswege de Septuaginta genoemd wordt. Het grote sanhedrin bestond ook uit dit getal.
1. Het verheugt ons te zien, dat Christus zoveel volgelingen had, geschikt om uitgezonden te worden, Zijn arbeid, hoewel Hij zoveel tegenstand ontmoet heeft, is niet tevergeefs geweest. Christus' invloed is een toenemende invloed, en Zijne volgelingen zullen, hoewel zij evenals Israël in Egypte verdrukt worden, toch evenals zij vermenigvuldigen. Ofschoon deze zeventigen Hem niet zo van nabij en zo voortdurend volgden als de twaalven, waren zij toch de getrouwe hoorders van Zijne leer en getuigen van Zijne wonderen, en zij geloofden in Hem. De drie personen, van wie aan het einde van het vorige hoofdstuk wordt gesproken, zouden tot deze zeventig hebben kunnen behoren, indien zij zich in ernst tot de zaak hadden begeven. Deze zeventig waren degenen, van wie Petrus spreekt als de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is, Handelingen 1:21. Velen van hen, die de metgezellen waren van de apostelen, van wie wij lezen in de Handelingen en in de Brieven, kunnen wel tot deze zeventig discipelen hebben behoord.
2. Het is verblijdend te zien, dat er voor zoveel leraren werk was, hoorders voor zoveel predikers. Aldus begon het mostaardzaadje te groeien, en de zuurdesem zich door het meel te verspreiden, ten einde het geheel te doorzuren.
II. Hun werk. Hij zond hen twee en twee, opdat zij elkaar konden versterken en bemoedigen. Indien zij vallen, de een richt zijn metgezel op. Hij zond hen, niet naar al de steden Israël's, zoals Hij de twaalven gezonden heeft, maar alleen in iedere stad en plaats, daar Hij komen zou, vers 1. Hij zond hen als Zijne herauten en wij moeten onderstellen, hoewel het niet bericht wordt, dat Christus spoedig daarna is heengegaan naar al die plaatsen, waarheen Hij hen gezonden had, hoewel Hij in iedere plaats slechts kort kon verwijlen. Er werden hun twee dingen bevolen te doen, dezelfde die Christus deed overal waar Hij kwam. 1. Zij moeten de kranken genezen, vers 9, hen genezen in den naam van Jezus, hetgeen de mensen zal doen verlangen Jezus zelf te zien, en hen bereid zal doen zijn Hem te ontvangen, wiens naam zo grote macht uitoefende.
2. Zij moeten verkondigen dat het koninkrijk Gods nabij is, nabij hen is: "Zegt hun dit: Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen, en zo gij slechts om u heen wilt zien, zijt gij goed op weg om er in toegelaten te worden. Het is nu de tijd uwer bezoeking, weet en verstaat het." Het is goed om opmerkzaam gemaakt te worden op onze voorrechten en goede gelegenheden, opdat wij ze aangrijpen. Als het koninkrijk Gods nabij ons gekomen is, dan moeten wij uitgaan om het te ontmoeten.
III. De instructies, die Hij hun geeft.
1. Zij moeten uitgaan, biddende, vers 2, en in hun gebed moeten zij:
a. Bewogen zijn door den nood van de zielen der mensen, die om hulp roepen. Zij moeten om zich heen zien, zien hoe groot de oogst is, hoeveel mensen er zijn, aan wie het Evangelie gepredikt moet worden, en die ook gewillig zijn het aan te nemen, ja wier verwachting thans is opgewekt van de komst van den Messias en van Zijn koninkrijk. Er was koren, dat verloren stond te gaan uit gebrek aan handen om het in te zamelen. Evangeliepredikers behoren zich toe te leggen op hun werk met innige, zorgzame belangstelling in, en zorg over, de kostelijke zielen, ze beschouwende als de schatten dezer wereld, die voor Christus moeten gewonnen worden. Het moet hun ook ter harte gaan, dat de arbeiders zo weinigen zijn. Er waren wel zeer veel Joodse leraren, maar zij waren geen arbeiders, zij hebben geen zielen ingezameld voor Gods koninkrijk, maar voor hun eigen belangen en hun partij. Zij, die zelf goede leraren zijn, wensen dat er meer goede leraren zullen zijn, want er is werk voor meer. Kooplieden wensen gewoonlijk dat er slechts weinigen zijn, die zich met hun handel bezighouden, maar Christus wil dat de arbeiders in Zijn wijngaard het een zaak zullen vinden om over te klagen, als de arbeiders weinigen zijn.
b. Zij moeten ernstig begeren hun opdracht van God te ontvangen, dat Hij hen zal uitzenden als arbeiders in Zijn oogst, die de Heer des oogstes is, en dat Hij ook anderen zal zenden, want als God hen uitzendt, dan kunnen zij hopen dat Hij met hen zal gaan en hun voorspoed zal geven. Laat hen dus met den profeet zeggen: Zie hier ben ik, zend mij henen, Jesaja 6:8. Het is wenselijk om onze opdracht van God te ontvangen, dan kunnen wij vrijmoedig heengaan.
2. Zij moeten uitgaan en verwachten moeite en vervolging te zullen ontmoeten. Ziet, Ik zend u als lammeren in het midden der wolven, maar gaat uws weegs en besluit ook daarmee uw geestelijk voordeel te doen. Uwe vijanden zullen als wolven zijn, wreed en bloeddorstig, en gereed u te verscheuren, in hun dreiging en smaadredenen zullen zij zijn als huilende wolven om u te verschrikken, in hun vervolging van u zullen zij wezen als hongerige wolven om u te verslinden. Gij echter moet wezen als lammeren, vreedzaam en lijdzaam, als een gemakkelijke prooi voor hen. Het zou zeer hard geweest zijn om hen aldus als schapen te zenden onder de wolven, indien Hij hen niet begiftigd had met Zijn geest en Zijne kloekmoedigheid.
3. Zij moeten zich niet bezwaren met een last van mondvoorraad, alsof zij op een verre reis waren, maar steunen en betrouwen op God en hun vrienden voor hetgeen zij nodig zullen hebben: Draagt geen buidel om er geld in te doen, noch male om er klederen of mondbehoeften in mee te dragen, noch schoenen zoals tevoren tot de twaalven, hoofdstuk 6:3, -en groet niemand op den weg. Dit bevel gaf Elisa aan zijn knecht, toen hij hem zond om naar het gestorven kind der Sunamietische te zien, 2 Koningen 4:29. Niet alsof Christus wil, dat Zijne dienstknechten ruw en onhoffelijk zijn, stuurs of ongemanierd, maar:
a. Zij moeten heengaan als mensen, die haast hebben om naar een bepaalde plaats te komen, waar zij een boodschap moeten brengen, zich van een opdracht hebben te kwijten, en op hun weg daarheen moeten zij zich door geen nodeloze ceremoniën of complimenten laten ophouden.
b. Zij moeten heengaan als mannen van zaken, zaken, die betrekking hebben op een andere wereld, en daaraan moeten zij zich ijverig wijden en al hun aandacht schenken, en daarom moeten zij zich niet met gesprekken over wereldlijke aangelegenheden inlaten. Minister verbi est, hoc age -Gij zijt een dienaar des Woords, wijd u aan uw ambt.
c. Zij moeten heengaan als ernstige mensen, mensen die in droefheid zijn. Het was de gewoonte van rouwbedrijvenden om gedurende de eerste zeven dagen van hun rouw tot niemand te spreken, Job 2:13, dus ook niemand te groeten. Christus was een man van smarten, en het was voegzaam dat Zijne boodschappers Hem door dit en andere tekenen zouden gelijken, en dat zij zich ook ontroerd en aangedaan zullen tonen door de rampen der mensheid, die zij kwamen verlichten.
4. Zij moeten tonen niet slechts hun goeden wil, maar Gods goeden wil, aan allen, tot wie zij kwamen, en den goeden uitslag er van overlaten aan Hem, die het hart kent, vers 5, 6.
a. De last, hun gegeven, luidde: In wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize. Zij worden hier verondersteld in particuliere huizen te gaan, want, niet toegelaten zijnde in de synagogen, waren zij genoodzaakt te prediken, waar men er hun de vrijheid toe gaf. Daar zij nu voor hun openbare prediking naar woonhuizen gedreven werden, zijn zij er derwaarts ook voor heengegaan. Evenals hun Meester hebben zij bij de huizen gepredikt, Handelingen 5:42, 20:20. De gemeente van Christus is in den beginne grotendeels de gemeente in huis geweest. Hun wordt opgedragen te zeggen: Vrede zij dezen huize, vrede zij allen onder dit dak, vrede zij dit gezin en allen, die er toe behoren. Vrede zij u was de gewone vorm van begroeting onder de Joden. Zij moeten dien groet niet vormelijk gebruiken, naar de gewoonte was, voor hen, die zij op weg ontmoetten, want zij moeten hem plechtig gebruiken voor hen, wier huizen zij binnentraden. Groet niemand op den weg uit blote vormelijkheid, maar zegt tot hen, wier huis gij binnentreedt: Vrede zij u, met ernst en in werkelijkheid, want met die groet is meer bedoeld dan met een gewone beleefdheidsformule. Christus' dienstknechten gaan in geheel de wereld, om in Christus' naam te zeggen: Vrede zij u. Ten eerste: Wij moeten vrede voorstellen aan allen, vrede door Jezus Christus prediken, het Evangelie des vredes verkondigen, het verbond des vredes, vrede op aarde, en tot de kinderen der mensen de uitnodiging richten om te komen en er de vruchten van te genieten. Ten tweede. Wij moeten voor allen om vrede bidden. Wij moeten vurig het heil wensen van de zielen van hen, voor wie wij prediken, en die wensen opzenden tot God in het gebed, en het kan goed zijn hun te laten weten dat wij aldus voor hen bidden, en hen zegenen in den naam des Heeren.
b. De uitslag zal verschillend zijn, al naar de gemoedsgesteldheid is van hen, tot wie zij hun prediking richten en voor wie zij bidden. Naar dat de inwoners al of niet kinderen des vredes zijn, zal hun vrede op het huis rusten, of er niet op rusten. "Recipitur ad modum recipientis -De hoedanigheid van den ontvanger bepaalt den aard der ontvangst. "Sommigen zult gij ontmoeten, die zonen des vredes zijn, die door de werkingen der Goddelijke genade, ingevolge de aanwijzingen van het Goddelijk raadsbesluit, bereid zijn het woord des Evangelies in het licht en de liefde er van te erkennen, en hun hart zo zacht als was te laten zijn. om er de indrukken van te ontvangen. Diegenen zijn geschikt en bekwaam gemaakt om de vertroostingen des Evangelies te ontvangen, in wie een goed werk der genade gewrocht is. Wat hen betreft, uw vrede zal hen ontdekken en op hen rusten, uwe gebeden voor hen zullen verhoord worden, de beloften des Evangelies zullen aan hen bevestigd worden, de voorrechten er van aan hen worden verleend, en de vruchten er van zullen hun bijblijven, als het goede deel, dat niet van hen zal worden weggenomen." "Gij zult anderen ontmoeten, die volstrekt niet gezind zijn uwe boodschap te horen, of er acht op te slaan, ganse huizen, waarin niet een zoon des vredes is." Nu is het zeker, dat onze vrede niet op hen zal komen, zij hebben part noch deel aan de zaak, de zegen, die op de zonen des vredes rust, zal nooit op de zonen Belials komen, ook kan niemand de zegeningen van het verbond verwachten, die niet onder de verplichting des verbonds wil komen. Maar hij zal tot ons wederkeren, niet slechts om door ons zelven te worden genoten, maar ook om meegedeeld te worden aan anderen, aan hen, die wij vervolgens zullen ontmoeten, aan hen, die zonen des vredes zijn.
5. Zij moeten de vriendelijkheid aannemen van hen, die hun gastvrijheid verlenen, vers 7, 8.
a. "Zij, die het Evangelie ontvangen, zullen ook u ontvangen, die het predikt, en u gastvrijheid verlenen, gij moet niet denken bezittingen of goederen te zullen verkrijgen, maar wèl kunt gij op uw levensonderhoud rekenen. En koestert geen achterdocht omtrent het welkom, dat men u biedt, weest niet bevreesd tot last te zijn, maar eet en drinkt vrijmoedig en van harte hetgeen van hen voorgezet wordt, want welke vriendelijkheid men u ook betoont, het is slechts een kleine vergelding voor de vriendelijkheid, die gij hun bewijst door hun de blijde boodschap des vredes te brengen. Gij zult haar verdienen, want de arbeider is zijn loon waardig, de arbeider in het werk der Evangeliebediening is dit, indien hij werkelijk een arbeider is, en het is geen daad van liefdadigheid, maar van recht, in hen, die onderwezen worden in het woord, om mede te delen van hun goederen aan hen, die hen onderwijzen."
b. Weest niet kieskeurig omtrent uw spijs en drank: eet en drinkt hetgeen van hen voorgezet wordt, vers 7, 8. Weest dankbaar voor eenvoudig voedsel, en maakt er geen aanmerkingen op, al is het ook niet naar de regelen der kunst toebereid. Weinig voegt het aan Christus' discipelen om lekkernijen te begeren. Gelijk Hij hen niet gebonden heeft aan het bijgelovige vasten der Farizeeën, zo wil Hij hun ook de weelderige maaltijden der Epicuriërs niet veroorloven. Waarschijnlijk heeft Christus hier het oog op de inzettingen der ouden omtrent hun spijzen, die zoveel en velerlei waren, dat zij, die ze waarnamen, uiterst kritisch waren, gij zoudt hun nauwelijks een spijze kunnen voorzetten, of er was het een of ander gewetensbezwaar tegen, maar Christus wilde niet dat zij op deze dingen zullen acht geven, maar dat zij zullen eten wat hun voorgezet wordt niets ondervragende om des gewetens wil.
6. Zij moeten het oordeel Gods aankondigen over hen, die hen en hun boodschap afwijzen en verwerpen. "In wat stad gij zult ingaan en zij u niet ontvangen, indien daar niemand geneigd is uwe leer te horen, zo verlaat hen, vers 10. Indien zij u geen welkom willen bieden in hun huis, zo geeft hun dan waarschuwingen op de straat." Hij beveelt hun te doen wat Hij ook den apostelen had bevolen, Hoofdstuk 9:5. "Zegt tot hen, niet met toorn, of minachting, of met wrok, maar met medelijden over hun arme, omkomende zielen, en een heilig afgrijzen van het verderf, dat zij over zich brengen: Ook het stof, dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden," vers 11. Ontvangt van hen generlei vriendelijkheid, hebt geen verplichting aan hen. Het is dien profeet des Heeren duur te staan gekomen, die een maal spijze heeft aangenomen bij een profeet in Bethel, 1 Koningen 13:2 1, 22. Zegt hun dat gij het stof hunner stad niet wilt meedragen, laat hen het voor zich houden, want zij zijn stof." Het zal een getuigenis wezen voor Christus' boodschappers, dat zij daar op bevel huns Meesters geweest zijn. Maar het zal een getuigenis zijn tegen de weigeraars, dat zij Christus' boodschappers niet wilden ontvangen, hun niets ter verkwikking hebben aangeboden, niet eens water om hun voeten te wassen, zoo- dat zij genoodzaakt waren het stof er van af te schudden. "Maar zegt hun duidelijk, zodat zij er zeker van kunnen zijn: Het koninkrijk Gods is nabij u gekomen, er is u een gunstige aanbieding gedaan, zo gij er het voordeel niet van hebt, is dit uw eigen schuld. Het Evangelie is u aan de deur gebracht, indien gij er uwe deuren voor sluit, dan is uw bloed op uw eigen hoofd. Nu het koninkrijk Gods nabij u is gekomen, en gij er niet in wilt komen, is uw zonde onverschoonbaar en uwe veroordeling ondraaglijk" Hoe gunstiger aanbiedingen wij hebben van genade en leven door Christus, hoe meer verantwoording wij er voor schuldig zijn, als wij deze aanbiedingen veronachtzamen: Het zal voor die van Sodom verdraaglijker wezen in dien dag, dan die stad. Die van Sodom hebben de waarschuwing in den wind geslagen, die Lot hun gaf, maar het Evangelie te verwerpen is een groter misdaad, en zal dienovereenkomstig gestraft worden in dien dag. Hij bedoelt den dag des oordeels, vers 14, maar noemt hem met klem en nadruk dien dag, omdat het de laatste grote dag is, de dag, waarop wij rekenschap zullen hebben te geven van de dagen des tijds, en ons lot beslist zal worden voor de dagen der eeuwigheid. Bij deze gelegenheid herhaalt de evangelist
a. Het bijzonder oordeel over deze steden, waarin de meeste van Christus' grote werken zijn gewrocht, van welke wij gelezen hebben in Mattheus 11:20 en verder. Chorazin, Bethsaida en Kapernaüm, allen gelegen aan de zee van Galilea, waar Christus het gemeenzaamst verkeerde, zijn de plaatsen, die hier worden vermeld. Zij hadden grote voorrechten. Christus krachten waren daar geschied, en die krachten waren allen betoningen van genade, werken van barmhartigheid. Hierdoor waren zij tot den hemel toe verhoogd, niet slechts geëerd, maar in de gelegenheid gesteld om gelukkig te zijn, zij waren zo nabij den hemel gebracht, als uitwendige middelen hen slechts brengen konden. Gods bedoeling in hen aldus te begunstigen was hen tot bekering en verbetering des levens te brengen, hen in zak en as te doen neerzitten, in verootmoediging wegens de zonden, die zij bedreven hadden, en in ootmoedige onderwerping aan Gods bestuur. Hun verijdeling van dit bedoelen, waardoor zij de genade Gods dan ook tevergeefs ontvangen hebben. Er wordt stilzwijgend te kennen gegeven, dat zij zich niet hebben bekeerd, al de wonderen van Christus hebben de uitwerking niet op hen gehad om hen tot betere gedachten nopens Hem te brengen, of hun slechter gedachten in te boezemen over de zonde, zij hebben geen vruchten voortgebracht, der voorrechten waardig, die zij genoten. Zedelijk gesproken was er reden te denken dat, zo Christus gegaan ware naar Tyrus en Sidon, heidense steden, aldaar dezelfde leer had gepredikt en dezelfde wonderen had gewerkt, die Hij in de steden van Israël gewerkt heeft, zij zich reeds voorlang bekeerd zouden hebben, zo snel zou hun bekering geschied zijn, en dat wel in zak en as, zo diepgaand zou hun verootmoediging geweest zijn. Om nu de wijsheid van God te verstaan in Zijn geven van de middelen der genade aan hen, die ze niet wilden gebruiken, en Zijn onthouden er van aan hen, die dat wel gewild zouden hebben, moeten wij wachten op den groten dag der openbaring. Het oordeel over hen, die aldus de genade Gods tevergeefs ontvangen hebben, zal ontzettend wezen. Zij, die aldus waren verhoogd en hun verhoging niet hebben gebruikt, zullen neergeworpen worden met schande en versmaadheid. Zij zullen zich werpen onder de menigte der belijders, die naar den hemel gaan, maar tevergeefs, zij zullen neergestoten worden tot hun eeuwige smart en teleurstelling in de diepste hel, en voor hen zal de hel inderdaad hel zijn. In den dag des oordeels zal het Tyrus en Sidon beter vergaan, het zal hun verdraaglijker zijn dan aan die steden.
b. De algemene regel, waaraan Christus zich houdt ten opzichte van hen, tot wie Hij Zijne dienstknechten zendt: Hij zal zich achten behandeld te zijn, zoals zij Zijne dienstknechten behandelen, vers 16. Wat aan den gezant gedaan wordt, wordt als het ware gedaan aan den vorst, die hem zendt.
Wie u hoort, die hoort Mij, wie u hoort en acht op u slaat, eer Mij daarin. Maar wie u verwerpt, die verwerpt Mij, en zal gerekend worden Mij de beledigingen te hebben aangedaan, ja, hij verwerpt degene, die Mij gezonden heeft, Zij, die den Christelijken godsdienst verachten, verachten ook evenzeer den natuurlijken Godsdienst, waarvan hij de vervolmaking en vervollediging is. En zij, die de getrouwe dienstknechten van Christus verachten, die, al haten of vervolgen zij hen ook niet, toch gering van hen denken, hen met minachting aanzien, zullen gerekend worden verachters te zijn van God en Christus.