Leviticus 8:14-30
Het verbond van het priesterschap moet gemaakt worden met offerande, evenals alle andere verbonden, Psalm 50:5. En zo is ook Christus geheiligd door de opoffering van zichzelf, eenmaal geschied. Offeranden van iedere soort moeten voor de priesters geofferd worden, opdat zij met te meer tederheid en zorg de gaven en offeranden van het volk zouden offeren, in medelijden met de onwetenden en dwalenden, zonder hen, voor wie de offeranden geofferd werden te honen of te bespotten, gedenkende, dat ook voor henzelf offeranden geofferd zijn, overmits zij ook zelf met zwakheid ontvangen zijn.
1. Een stier, de grootste offerande, werd als zondoffer geofferd, vers 14, opdat hierdoor verzoening gedaan zou worden, en opdat zij generlei schuld van de zonden van hun vroegere staat zouden brengen in de nieuwe staat waarin zij nu gekomen zijn. Toen Jesaja gezonden werd om een profeet te zijn, werd hem tot zijn vertroosting gezegd: "uw misdaad is van u geweken," Jesaja 6:7. Evangeliedienaren, die aan anderen de vergeving van hun zonden moeten verkondigen, behoren zorg te dragen om in de eerste plaats de verzekering te ontvangen, dat hun eigen zonden vergeven zijn. Zij, aan wie de bediening van de verzoening gegeven is, moeten eerst zelf met God verzoend zijn, opdat zij voor de zielen van anderen zullen handelen als voor hun eigen zielen.
2. Een ram werd geofferd als brandoffer vers 18-21. Hiermede brachten zij God de eer toe voor de grote eer, die hun aangedaan was en brachten Hem er dank en lof voor, zoals Paulus Christus Jezus gedankt heeft, dat Hij hem in de bediening gesteld heeft, 1 Timotheus 1:12. Het betekende ook de toewijding van zichzelf en van al hun diensten aan de eer van God.
3. Een tweede ram, genoemd de ram van het vuloffer, of van de wijding, werd als dankoffer geofferd, vers 22 en verv. Een deel van het bloed werd op de priesters gedaan, op hun oren, hun duimen en hun tenen, en een ander deel werd op het altaar gesprengd, en zo heeft hij hen, als het ware, aan het altaar gehuwd, dat zij dagelijks moesten bedienen. Al de plechtigheden, in acht te nemen voor deze offerande evenals van die van de vorige waren door het uitdrukkelijk gebod Gods vastgesteld en bepaald, en als wij dit hoofdstuk vergelijken met Exodus 29, dan zullen wij bevinden dat de uitvoering van de plechtigheid volkomen overeenstemt met het voorschrift, aldaar gegeven, in niets er van afwijkende. Daarom wordt hier, zoals in het bericht, dat wij hadden van de tabernakel met zijn gereedschappen, telkens en nogmaals herhaald: Zoals de Heere Mozes geboden had. En zo heeft Christus, toen Hij zich door Zijn eigen bloed heeft geheiligd, het oog gehad op de wil van Zijn Vader er in: "Ik doe alzo, gelijkerwijs Mij de Vader geboden heeft," Johannes 14:31, 10:18, 6:38.