Leviticus 4:1-12
De wetten, vervat in de eerste drie hoofdstukken, schijnen aan Mozes tegelijk overgegeven te zijn. Hier beginnen de inzettingen van een andere zitting, een andere dag. Van de troon van de heerlijkheid tussen de cherubim heeft God deze orders gegeven. En thans betreffen zij een onderwerp, dat meer strikt nieuw is dan de vorige. Brandoffers, spijsoffers en dankoffers schijnen reeds voor de wetgeving op Sinai gebracht te zijn, met die offers zijn de aartsvaders niet geheel onbekend geweest, Genesis 8:20, Exodus 20:24, en zij hadden betrekking op zonde, om er verzoening voor te doen, Job 1:5. Maar de wet nu daarbij gesteld "terwille van overtredingen," Galaten 3:19, "en bovendien inkomende opdat de misdaad te meerder worde," Romeinen 5:20, werden zij op een weg gesteld om meer bijzonder door offerande verzoening te doen voor de zonde, welke offerande meer dan de andere ceremoniele inzettingen "een afschaduwing was van toekomende goederen," maar het wezen is Christus en die ene offerande van zichzelf, door welke Hij de zonde heeft weggedaan, en "in eeuwigheid volmaakt heeft degenen, die geheiligd worden."
I. Het geval, dat in het algemeen ondersteld wordt, hebben wij in vers 2. Wij merken op:
1. Betreffende zonde in het algemeen, dat zij aangeduid wordt als afdwaling van enige geboden van de Heer, want zonde is overtreding van de wet, de wet van God. Het vernuft of de wil van de mensen kunnen niet datgene tot zonde maken, dat de wet van God niet tot zonde maakt. Er wordt ook gezegd, als een ziel gezondigd zal hebben, want het is geen zonde, indien het niet op de een of andere wijze de daad of handeling is van de ziel, van daar, dat het de zonde van de ziel genoemd wordt Micha 6:7 en het is de ziel, waaraan er geweld door aangedaan wordt, Spreuken 8:36.
2. Aangaande de zonden, waarvoor deze offeranden bepaald waren.
a. Zij worden verondersteld openlijke daden te zijn, want indien zij voor elke zondige gedachte of woord een offer hadden moeten brengen, het zou eindeloos geweest zijn. Daarvoor werd in het algemeen eens in het jaar verzoening gedaan op de verzoendag, maar dezen worden gezegd te zijn tegen de geboden.
b. Zij worden ondersteld zonden te zijn van doen, dingen, die niet gedaan hadden moeten worden. Er zijn zonden van verzuim, of nalaten, en die zullen geoordeeld worden, maar hetgeen op een tijd verzuimd of nagelaten werd, zou op een anderen tijd gedaan kunnen worden, en dan was gehoorzamen beter dan offerande, maar wat gedaan is, kan niet ongedaan gemaakt worden.
c. Zij werden verondersteld zonden te zijn, bedreven in onwetendheid, door afdwaling. Indien zij gedaan werden, met opgeheven hand, in openlijke minachting van de wet en van de wetgever, dan moest de overtreder uitgeroeid worden, Numeri 15:30, dan "bleef er geen slachtoffer meer voor de zonde," Hebreeën 10:26, 27. Maar indien de overtreder onbekend was met de wet, gelijk wij kunnen onderstellen dat velen ten opzichte van verscheidene zaken geweest zullen zijn (zó talrijk en onderscheiden waren de verboden) of indien hij onverhoeds door de zonde overvallen was, terwijl uit de omstandigheden bleek dat zijn besluit om niet te zondigen oprecht was, maar dat hij er door overvallen was, zoals de uitdrukking luidt in Galaten 6:1, dan werd in zulk een geval verlichting gegeven door de helpende of ontheffende, wet van het zondoffer. En de Joden zeggen: "Alleen die misdaden werden verzoend door offeranden, die in onwetendheid bedreven werden, maar om welke de overtreder uitgeroeid had moeten worden, indien zij met opgeheven hand waren gepleegd".
II. De wet begint met het geval van de gezalfde priester, dat is: de hogepriester, mits hij door onwetendheid of afdwaling gezondigd heeft, want de wet stelt tot hogepriesters mensen, die zwakheid hebben, hoewel zijn onwetendheid in hem minder te verontschuldigen is dan in anderen, wordt het hem toch vergund zijn offer te brengen. Zijn ambt heeft zijn overtreding niet zó verontschuldigd, dat zij hem zonder offer vergeven werd, maar het heeft haar ook niet zó verzwaard, of zij kon hem vergeven worden. Indien hij gezondigd zal hebben naar de schuld van het volk, zo wordt het geval gesteld in vers 3, hetgeen hem veronderstelt voor deze zaak op gelijken bodem te zijn met de andere Israëlieten, en er dus privilegie van de geestelijken stand voor hem geldt. De wet nu van het zondoffer voor de hogepriester is:
1. Dat hij een var, een volkomen jong rund tot zondoffer moet brengen, vers 3, even kostbaar een offer, als dat voor geheel de vergadering, vers 14, terwijl voor een andere overste, of een particulier persoon, een geitebok of jonge geit volstaat, vers 23, 28. Dit duldde de grootte aan van de schuld in verband met de zonde van een hogepriester. Door de hoogheid van zijn staat en zijn betrekking tot God en de mensen worden zijn overtredingen grotelijks verzwaard, zie Romeinen 2:21.
2. De hand van de offeraar moet op het hoofd van het offer gelegd worden, vers 4, met een plechtige boetvaardige belijdenis van de zonde, die hij had begaan, haar op het hoofd van het zondoffer leggende, Hoofdstuk 16:21. Geen vergeving van zonde zonder belijdenis van zonde, Psalm 32:5, Spreuken 28:13. Het gaf ook vertrouwen te kennen in deze ingestelde wijze van schuldverzoening, als een beeld of type van iets beters in de toekomst, dat zij nog niet duidelijk konden zien of onderscheiden. Hij, die zijn hand op het hoofd van het dier legde, erkende hiermede dat hij zelf verdiende te sterven, en dat het Gods grote barmhartigheid was, dat het Hem behaagde het offeren van dit dier aan te nemen om het voor hem te laten sterven. De Joodse schrijvers zelf zeggen dat noch het zondoffer, noch het schuldoffer verzoening deed, behalve voor de berouwhebbenden, en die in hun verzoening geloofden.
3. De var moet geslacht worden, en ten opzichte van het bloed moet grote plechtigheid in acht worden genomen, want het was het bloed, dat verzoening teweegbracht, en zonder bloedstorting is er geen vergeving van zonde, vers 5-7. Een gedeelte van het bloed van het zondoffer van de hogepriester moest hij zevenmaal voor het aangezicht van de Heer en voor de voorhang van het heilige sprengen met het oog naar het verzoendeksel, hoewel dit door de voorhang bedekt was, er moest ook op de hoornen van het gouden altaar van gedaan worden omdat aan dit altaar de priester zelf diende, en aldus werd het wegnemen aangeduid van de verontreiniging, die door zijn zonden zijn diensten aankleefde. Het dient ook om de invloed voor te stellen, die Christus' genoegdoening heeft op het overmogen van Zijn voorbede. Het bloed van zijn offer werd op het reukaltaar gedaan en gesprengd voor het aangezicht van de Heer. Als dit geschied was, dan moest het overige bloed aan de voet van het koperen altaar uitgestort worden. Door deze ritus erkende de zondaar dat hij verdiende, dat zijn bloed aldus werd uitgestort als water. Het betekende ook het uitstorten van de ziel voor God in waar berouw, en was een afschaduwing van uitstorten van de ziel van de Heiland in de dood.
4. Het vet van het ingewand moest op het brandofferaltaar verbrand worden, vers 8-10. Hierdoor werd de bedoeling van de offerande en van de verzoening, die er door werd teweeggebracht, gericht tot eer van God, die onteerd geworden zijnde door de zonde, aldus door het offer weer geëerd werd. Het betekende het zware lijden van onze Heer Jezus, toen Hij tot zonde voor ons werd gemaakt, dat is: een zondoffer, inzonderheid de smarten van Zijn ziel en Zijn inwendige benauwdheid. Ook leert het ons om, in gelijkvormigheid met Christus, het vlees te kruisigen.
5. Het hoofd en het lichaam van het dier, met huid en al, moest buiten het leger gevoerd worden naar een plaats, die voor dat doel bestemd was, en daar tot as verbrand worden vers 11, 12. Hierin lag een grote betekenis
a. Het wees op de plicht van berouw en bekering, dat het wegdoen is van de zonde als iets verfoeilijke, en die onze ziel haat. Ware boetelingen zeggen tot hun afgoden: "Gaat weg, wat hebben wij meer met de afgoden te doen?" Het zondoffer wordt zonde genoemd. Wat zij daarmee deden, moeten wij doen met onze zonden, het lichaam van de zonde moet teniet worden gedaan, Romeinen 6:6.
b. Van het voorrecht van de vergeving. Als God de zonde vergeeft, verdelgt Hij haar, werpt Hij haar achter Zijn rug: de zonde van Juda zullen gezocht worden, maar niet gevonden worden. De apostel neemt bijzonder nota van deze plechtigheid, en past haar toe op Christus, Hebreeën 13:11 13, die buiten de poort geleden heeft, in de hoofdschedelplaats, waar de as van dode lichamen van mensen uitgestort werd, zoals die van het altaar hier uitgestort werd.