Leviticus 3:1-5
De brandoffers hadden betrekking op God als in zichzelf het beste van alle wezens, geheel volmaakt en voortreffelijk, zij drukten zuiver en alleen aanbidding uit, en werden daarom geheel verbrand. Maar de dankoffers hadden betrekking op God als weldoener van Zijn schepselen, en de gever van alle goede dingen aan ons, en daarom werden dezen verdeeld tussen het altaar, de priester en de eigenaar. Vrede betekent:
1. Verzoening, eensgezindheid en gemeenschap. En zo werden dan die offers vredeoffers genoemd omdat God en Zijn volk er, als het ware, samen als aan een feestmaal bij aanzaten, ten teken van vriendschap. De priester die voor de mensen gesteld was in de zaken die bij God te doen zijn, gaf een deel van dit vredeoffer aan God, (het deel, dat Hij eiste, en het was voegzaam, dat Hij het eerst bediend zou worden) het verbrandende op het altaar. Een deel gaf hij aan hem, die het offer bracht om door hemzelf met zijn gezin en zijn vrienden gegeten te worden, en een ander deel behield hij voor zich, als de scheidsman, die zijn hand legde op beiden. Zij konden niet aldus samen eten, tenzij dat zij overeengekomen waren, zodat het een symbool was van vriendschap en gemeenschap tussen God en de mens, en een bevestiging van het verbond van de vrede.
2. Het betekende voorspoed en alle geluk: Vrede zij u was zoveel als Alles goeds zij voor u, en zo werden deze vredeoffers geofferd, hetzij:
a. Bij wijze van smeking of verzoek om het een of ander goed, dat nodig was en begeerd werd. Als iemand een zegen wenste en verwachtte, dan wilde hij zijn gebed er om ondersteunen door een vredeoffer, en waarschijnlijk zijn gebed er voor opzenden, als hij zijn hand op het hoofd van het offer legde. Christus is onze vrede, ons vredeoffer, want alleen door Hem kunnen wij verwachten barmhartigheid te zullen verkrijgen en een antwoord van vrede op onze gebeden, en in Hem zal een oprecht gebed voor God welbehaaglijk zijn en verhoord worden, al is het ook dat wij geen vredeoffer brengen. Hoe minder kostbaar onze godsdienstige handelingen zijn, hoe ernstiger en hoe meer levendig zij behoren te wezen. Of:
b. Bij wijze van dankzegging voor een bijzondere zegen, die ontvangen werd, het wordt een vredeoffer van dankzegging genoemd, want soms was het dit, zoals het in andere gevallen een gelofte was, Hoofdstuk 7:15, 16. En sommigen vinden dat het oorspronkelijke woord vergelding betekent. Als zij een bijzondere zegen hadden ontvangen, en vroegen wat zij er voor zouden vergelden, dan werd hun bevolen om dit de God van al hun genade en zegeningen te vergelden, als een erkentenis van de weldaden, hun bewezen, Psalm 116:12. En wij moeten gestadig aan God het offer van de lof offeren, door Christus, die onze vrede is, en dan zal dit de Heer meer welbehaaglijk zijn dan var of stier.
I. Ten opzichte van het voorwerp, dat als vredeoffer werd aangeboden. Als het een rund was, dan moest het volkomen, dat is: zonder gebrek, wezen, en indien het dit was, dan mocht het een mannetje of een wijfje wezen, vers 1. In onze geestelijke offeranden is het niet de sekse, waarop God ziet, maar het hart, Galaten 3:28.
II. Wat betreft de behandeling er van: 1. Die het offerde moest door een plechtige vrijlating zijn deel er in aan God overdragen, vers 2, en met zijn hand op het hoofd van het offer de bijzondere zegeningen erkennen, waarvoor hij dit dankoffer bestemd heeft, of, zo het een gelofte was, zijn gebed doen.
2. Het moet geslacht worden, en hoewel dit aan alle plaatsen van de voorhof mocht geschieden, wordt het toch gezegd aan de deur van de tent van de samenkomst te zijn omdat de zegeningen, ontvangen of verwacht, erkend werden van God te komen, en de gebeden en lofzeggingen tot Hem gericht waren, en beiden, als het ware, door die deur. Onze Heer Jezus heeft gezegd: "Ik ben de deur," want Hij is in waarheid de deur van de tabernakel.
3. De priester moest het bloed rondom op het altaar sprengen, want het was het bloed, dat verzoening deed voor de ziel, en hoewel dit geen zondoffer was, moet ons toch geleerd worden, dat wij in al onze offeranden het oog moeten hebben op Christus als de verzoening voor de zonde, als die weten, dat onze beste diensten niet aangenomen kunnen worden, tenzij door Hem onze zonden vergeven zijn. Een belijdenis van berouw en boetvaardigheid moet immer samengaan met onze dankerkentenis, en om welke zegen wij ook bidden, altijd moeten wij daarbij ook bidden om de wegneming van schuld, als datgene door hetwelk het goede van ons geweerd wordt. Eerst: "Neem weg alle ongerechtigheid, en dan: geef het goede," Hosea 14:3.
4. Al het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is, wat wij smeer en niervet noemen met het darmnet, dat het omsluit en de nieren in het midden er van moesten weggenomen en als vuuroffer op het altaar verbrand worden, vers 3-5. En dat was alles wat uit het dank- of vrede-offer aan de Heer geofferd werd, wat er met het overige gedaan werd, zullen wij vinden in Hoofdstuk 7:11 en verv. Het moet verbrand worden op het brandoffer, dat is: het dagelijkse brandoffer, het lam, dat elke morgen geofferd werd voordat enig ander offer geofferd werd, zodat het net van het dankoffer daar een toevoegsel, een voortzetting van was. Het grote offer van de vrede, dat van het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, bereidt het altaar voor onze lofoffers, die niet aangenomen worden vóór wij verzoend zijn. Dit verbranden nu van dit vet wordt verondersteld te betekenen:
a. Het offeren aan God van al onze goede aandoeningen en neigingen tot God in al onze gebeden en lofzeggingen. God moet het inwendige hebben, want wij moeten onze ziel uitstorten, ons hart opheffen in het gebed en Zijn naam loven met alles wat in ons is. Er wordt van ons geëist, dat wij innerlijk zijn met God in alles, waarin wij met Hem te doen hebben. Het vet duidt het beste aan en het keurigste, dat altijd aan God toegewijd moet wezen, die ons een vette maaltijd bereid heeft.
b. Het doden van onze verdorven neigingen en lusten, en het verbranden er van door het vuur van de goddelijke genade, Colossenzen 3:5. Wij zijn dan dankbaar voor vorige zegeningen, en toebereid om nog verdere genade te ontvangen, als wij afstand doen van onze zonden ons hart gezuiverd hebben van alle zinnelijkheid door "de Geest van het oordeel en de Geest van de uitbranding," Jesaja 4:4.